is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 26, 26-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan is het nog verschrikkelijk als er een vijand gedood wordt, om het leed, dat men daarbij aandoet, bijv. aan zijn ouders, zijn vrouw, zijn kinderen. Het is nog verschrikkelijker als men zich te binnen brengt, dat de eigenlijke oorlogs-aanstokers veeial buiten schot blijven: de kogels voor Hitler of Napoleon bestemd, troffen de eenvoudige boerenjongen, die in zijn argeloosheid en zonder verzet met een leger opmarcheerde, waarvan de richting bepaald werd door lieden, die hij misschien nooit gezien had, maar die hij vertrouwde en tegen wie hij zich overigens niet kon verzetten. Oorlog is in elk geval een afgrijselijk iets, dat indien enigszins mogelijk, vermeden dient te worden, maar men kan van oordeel zijn, dat nochtans soms het nalaten van een oorlog nog erger gevolgen kan hebben (bijv. voor ons land bij de Duitse agressie!). Nu kan men onderscheiden tussen onvermijdelijke oorlogsdaden, die, het zij toegegeven, heel erg kunnen zijn, bijv. het torpederen van een oorlogsschip, waarbij in enkele minuten duizenden jongen mannen verdrinken, èn bijv. het folteren van weerloze gevangenen, het doden van gijselaars, het neerbranden van een gehele kampong, waar zich misschien één vijand schuil houdt, het terroriseren van een burgerbevolking, die part noch deel heeft aan de actieve oorlogsvoering, maar met haar kwalijk-verholen sympathie aan de zijde van de vijand staat, enz. enz.

Wanneer men beweert, dat humanisering van de ooriog onmogelijk is, bedoelt men, dot daden als de hierboven genoemde, een noodzakelijk gevolg van de oorlogsvoering zijn, of anders: dat het onderscheid tussen echte oorlogsdaden (bijv. torpederen van een oorlogsschip) en die andere daden (bijv. folteren van gevangenen) denkbeeldig is. Twee groepen mensen hoor ik dat beweren:

a. degenen, die elke oorlog zonder meer afwijzen als volstrekt onzedelijk. Voor hen is_ dit een der sterkste argumenten. Immers’ als bewezen kan worden, dat tot het wezen der oorlogsvoering volstrekt zedeloos handelen behoort, dan volgt onweerlegbaar, dat een mens, die er prijs op stelt, in elke omstandigheid volgens zijn geweten te handelen, aan de oorlog niet mag meedoen.

b. degenen, die, m'eestal achteraf, het optreden van een leger willen verdedigen. Zij gaan uit van de stelling, dat oorlog geoorloofd kan zijn, en dat in een oorlog nu eenmaal elk middel om de overwinning te bereiken, geoorloofd is. Ze hebben daarvoor allerlei aanvullende redenen in de trant van: de vijand doet het ook; hoe harder je slaat, hoe eerder de ellende afgelopen is; wie zachtzinnig wii oorlogvoeren, verliest het, enz. enz. Maar vooral hét grote argument van deze tijd: de oorlog is totalitair; in zo’n totale oorlog is alles geoorloofd, inclusief de atoombom (zie bijv. de marinemedewerker van H.V.V. in T. en T. 4-XII’48).

Beide partijen komen tot eenzelfde theoretische conclusie: oorlog is per definitie zedeloos, d.w.z. hij stoort zich niet aan gewetensvoorschriften, maar ze gaan in de practijk uiteen: de eerste besluit, en dit lijkt me logisch: dus is elke oorlog ongeoorloofd; de andere besluit: het oorlogsdoel heiligt de middelen, en dus moet, zodra de oorlog begonnen is, het geweten bij de uitvoering van de oorlog tot zwijgen gebracht worden, in de overtuiging, dat het oorlogsdoel, wijl zedelijk, de onzedelijkheid der oorlogsmiddelen opheft.

Gelukkig, dat deze laatste groep zich zelden rekenschap geeft van wat hun betoog eigenlijk inhoudt, gelukkig, dat ze meestal hun verderfelijk beginsel voor zich zelf en anderen verhullen onder inleidende bewe-

ringen, die ze gemeen hebben met de eerste groep, anders zou men dood-ernstig tegen hen moeten zeggen: M.H., met u is geen discussie mogelijk. Als u in gemoede meent, dat het doel de middelen heiligt, dan bevindt u zich op een dergelijk zedelijk peil, dat een gesprek met u geen zin heeft, omdat er tussen u en ons geen gemeenschappelijke basis meer is. Een doel mag nog zo verheven zijn, en iedereen weet, dat een oorlogsdoel vaak wenig verheven is, of zo het al verheven is- (orde en rust brengen aan het verscheurde Indonesië; vernietiging van het goddeloos en besmettelijk communisme), het meestal erg besmeurd wordt door minder fraaie bijbedoelingen (handhaving der Nederlandse suprematie, koloniale uitbuiting; bescherming der kapitalistische belangen); kortom een doel mag nog zo verheven zijn of lijken, nimmer mag een mens om een menselijk doel de goddelijke wetten vertreden.

Te onderzoeken valt dus, of de redenen waarmee aangetoond wordt dat de oorlog krachtens eigen aard tot zedeloze handelingen voert, opgaan. Daarbij moeten met grote nadruk de volgende inleidende opmerkingen gemaakt worden:

A. Er zijn vrijwel geen menselijke instellingen, die niet krachtens de menselijke aard veelvuldig voeren tot situaties, waarin het vermijden van slechte daden bijkans onmogelijk is. Dat ligt niet aan de instelling, maar aan de menselijke aard; wij christenen wijzen dan op de erfzonde. Het is een koud kunstje aan te tonen, dat het huwelijk vaak tot onzedelijkheid voert; of wil men een voorbeeld, dat dichterbij ligt; het is wederom een koud kunstje aan te tonen, dat de rechtspraak in een geordende staat licht voert tot onbetamelijk, onmenselijk handelen, vanaf de gelegenheid tot meineed en klasse-justitie tot het terroriseren van gevangenen en weerspannige burgers door politiepersoneel. Geen zinnig mens zal nochtans beweren, dat huwelijk of rechtspraak per se tot slecht handelen voert en dus ... hetzij afgeschaft moeten worden, hetzij geduld moeten worden, maar dat dan ook hun zedeloze neven-gevolgen niet meer veroordeeld mogen worden. Ik heb de indruk, dat men deze eenvoudige waarheid bij de discussies bijv. over militaire gruweldaden gewoonweg over het hoofd ziet. Juist de voorstanders van een militaire actie moesten keihard en meedogenloos zich te-

í%îzm

Het is opvallend, dat aan Satan groter betekenis wordt toegekend dan lange tijd het geval was. Men vermeed het deze naam te noemen en zocht naar omschrijvingen, die beter aansloten bij het moderne denken en voelen. Men sprak niet langer over Satan, maar over „het” boze en wie hierop extra de nadruk wilde leggen, sprak over het „Radikal Böse”. Heeft men het op deze ivijze werkelijk duidelijker of beter gezegd, of heeft men slechts toegegeven aan een drift om alles begripmatig uit te drukken? Heeft men het ivezen der God tegengestelde krachten meer benaderd, of heeft men slechts toegegeven aan een neiging tot abstractie? In de tijd, die achter ons ligt, beschikte men niet over een ruime fantasie, de werkelijkheid, die men vereerde, moest vooral nuchter zijn en zo verdween alles uit de omloop, wat niet aan de strenge eisen van het loetmatige voldeed. Er was echter ook nog een andere oorzaak, waarom men liever niet over Satan sprak. In een tijd, waarin het optimisme hoogtij vierde, waarin men zichzelf troostte met de gedachte, dat 'het kwaad bedwongen was, noemde men deze naam liever niet, misschien onbewust uit een bijgelovige vrees, dat men kwade geesten opriep. Satan was bedwongen, de vooruitgang ivas onweerstaanbaar en het einde zou majesteitelijk zijn. Zijne Majesteit het Begrip troonde als koning der wereld in de hoogten van het abstracte denken en niemand zou het wagen hiertegen in opstand te komen.

Alles is anders gelopen. Satan heeft God voortreffelijk geïmiteerd en ons een poets gebakken, waarvan wij voorlopig niet hersteld zullen zijn. Satan is de stille verrader, die het mensdom zegent met een zacht en lieflijk gekleurd optimisme. Hij doet ons geloven, dat het lijden in deze wereld slechts een hinderlijke overbodigheid is, die een krachtige regering en een behoorlijk stel wetten zal weten te overwinnen. Hij betwist ons het recht om over de zin van het lijden te spreken, want hij weet, dat hier het begin van zijn nederlaag schuilt. Voor zijn werk is Petrus een dankbaar instrument, die na de aankondiging

van het lijden, zich in een jier optimisme teweer stelde en verontwaardigd uitriep: „Dat verhoede God, Heer', dit zal u geenszins geschieden!” Het antwoord blijft niet uit en met een ongekende felheid richt Jezus zich tot Petrus: „Ga weg, achter mij, Satan!” Al te zeer werd Jezus herinnerd aan het spel, dat de Boze met hem in de woestijn gespeeld had.

In zijn optimisme bewaart de mens de schijn van onschuld, dit is het verraderlijke van het geschenk, dat Satan ons biedt. De lijdensdagen mogen niet ongemerkt voorbijgaan, zeker niet in een tijd, dat ons volk zwaar beproefd wordt. De oorzaak van de beproeving wordt echter op een verkeerde plaats gezocht; deze valt niet samen met een verschijnsel als de Republiek, die tot schrik van velen met de hardnekkigheid van onkruid telkens terugkeert (voor hoevelen zijn Satan en de Republiek niet twee woorden voor een zelfde zaak?), maar zij moet gezocht worden in onze zelfvoldaanheid, in ons optimisme, in het handhaven van een schijn van onschuld. Onze zelfgenoegzaamheid speelt ons de meeste parten, dit te verzwijgen betekent een misdaad tegenover het eigen volk.

Jezus heeft Satan bedwongen, omdat Rij de zelfgenoegzaamheid der Farizeërs te schande heeft gemaakt. Newton heeft een woord gesproken, dat tot nadenken stemt. „Satan”, zo zeide hij, „kan niet verder gaan dan zijn keten lang is”. Wij verstaan deze woorden verkeerd, wanneer zij in ons het reeds van nature aanwezige optimisme Wij zouden deze woorden kunnen opvatten als een geruststelling, dat het met de heerschappij van Satan in de wereld wel een beetje meevalt. De ware bedoeling verstaan wij echter dan pas, wanneer wij de ogen openen voor hem, die de Satan bedwongen heeft. Dank zij hem kan Satan niet verder gaan dan zijn keten lang is, dank zij de éne, die zijn leven voor de wereld gaf, is Satan zijn bewegingsvrijheid ontnomen. Hij bevrijdt ons van zelfgenoegzaamheid en daarom is al onze hoop op de doorbraak der gerechtigheid op hem gesteld. A. F. L. VAN DIJK