is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 26, 26-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J. J. BUSKES Jr

Kerk en doorbraak

In een kerkelijk weekblad heb ik zeven artikelen geschreven over het evangelisatiewerk in Amsterdam. Onverbloemd heb ik de welhaast hopeloze situatie van de kerk in Amsterdam getekend en gewezen op de al maar voortschrijdende ontkerstening.

In „De Gereformeerde Kerk”, het bekende Hervormde Weekblad, heeft dr Streeder op deze artikelen gereageerd in een artikel, waarin hij beweert, dat de ontvolking der Amsterdamse kerken niet alleen haar oorzaak vindt in de voortgaande ontkerstening, maar ook in het feit, dat een deel der gemeente bij de Gereformeerden of Luthersen kerkt en dat doet, omdat op de Hervormde kansel partijpolitiek wordt bedreven.

Een wonderlijke uitspraak.

Indien het inderdaad waar is, hetgeen wij betwijfelen, dan komen deze Hervormden, althans bij de Gereformeerden, van de drop in de regen terecht, en dan betekent dit in geen enkel opzicht een ontvolking der Amsterdamse kerken. Dan is er alleen van een verschuiving in het Amsterdamse kerkelijke leven sprake. Het is bedenkelijk, wanneer men deze verschuiving onderbrengt in de rubriek: ontvolking der Amsterdamsè kerken. Het betekent op z’n best: de Gereformeerde en Lutherse kerken iets voller, de Hervormde kerken iets leger. Met de ontkerstening van Amsterdam, over welke ik schreef, heeft dit alles niets te maken. Als Hervormde kan men het betreuren, dat een mede-Hervormde iedere Zondag in een Gereformeerde of Lutherse kerk zit, al is het niet zo heel vreselijk, maar wij moeten niet doen, alsof deze Hervormde voor de kerk verloren is. Intussen is dit niet het belangrijkst. lets anders is veel belangrijker.

Mijn coilega Groenenberg heeft in „Het Kerkbeurtenblad voor Amsterdam” aan dr Streeder gevraagd, concreet te worden en man en paard te noemen. Dr Streeder had nl. gezegd, dat de prediking mede een oorzaak is van de ontvolking der Amsterdamse kerken.

In een artikel „Man en paard” geeft dr Streeder op de vraag van ds Groenenberg antwoord.

Hij schrijft, dat hij al sinds de bevrijding aan het zoeken is naar de oorzaken van de achteruitgang der kerk en naar de reden, waarom de kerk de greep op het volk verliest. En dan zegt hij opnieuw, dat men de partijpolitiek te onzaliger ure, en dit ziet volgens hem niet speciaal op Amsterdam, maar op het gehele kerkelijke leven, dus toch ook op Amsterdam, op de kansel heeft gebracht, en hij beweert, dat dit één van de oorzaken is van de ontvolking der kerken: de doorbraak heeft het kerkelijk leven meer geschaad dan gebaat, al zou dit minder het geval zijn geweest, als sommige predikanten, de P.v.d.A. toegedaan, dit niet op de kansel gebracht hadden en nog brengen.

Er zijn op de bijna 50 Hervormde predikanten in Amsterdam op z’n hoogst 10 predikanten, die lid van de P.v.d.A. zijn. De meeste Hervormden in Amsterdam weten niet eens precies, wie het zijn. Eén van mijn collega’s was al een jaar in Amsterdam, voordat ik wist dat hij een partijgenoot van mij was. Er zijn ook predikanten, van wie men het denkt, terwijl ze het niet zijn.

Maar wie van de 10 brengt partijpolitiek op de preekstoel?

Ik vind het alles behalve plezierig, deze vraag te moeten stellen, maar het moet toch maar eens.

Ik schakel mij zelf uit, al loop ik daarmee het risico, dat dr Streeder zegt: U doet het! Indien dat gebeurt, zullen wij weer zien. Voorlopig beperk ik mij tot mijn 9 collega’s en ik zeg heel rustig en met grote stelligheid: geen van hen brengt partijpolitiek op de preekstoel, evenmin als mijn coilega’s, die bij de A.R., de C.H.U. of de P.U. behoren, dat doen. Wij willen het niet en wij doen het niet. En wie zegt, dat wij het wel doen, moet man en paard noemen. Ik wilde wel, dat men nu eens ophield met zulke insinuaties, want dat zijn het, te lanceren en eens bedacht, dat men daarmee ons kerkelijk leven aan het verwoesten is. Zo zaait men wantrouwen en de oogst zal straks rampzalig zijn.

Aan dr Streeder zou ik al verder willen vragen, wat hij eigenlijk bedoelt, wanneer

hij zegt, dat de doorbraak de kerk meer geschaad dan gebaat heeft.

Bedoelt hij daarmee, dat de kerkelijke rust verstoord is?

Indien dat het geval is, moet ik zeggen, dat ik deze verontrusting eerder baat dan schade vind.

Bedoelt hij daarmee, dat er Hervormden zijn, die vanwege de doorbraak deserteren en overlopen naar bevriende kerken? Indien dat het geval is, moet hij toch minstens de vraag stelien, of de fout ligt bij de doorbraak of bij deze Hervormden, over wie wij ons overigens niet zo ongerust behoeven te maken, daar zij inderdaad bij de Gereformeerden en Luthersen onderdak kunnen zoeken en vinden.

Maar waarom is dr Streeder niet verontrust over de duizenden Hervormden, die helemaal niet meer in de kerk komen, noch in een Hervormde, noch in een Gereformeerde, noch in een Lutherse, vanwege het feit, dat zij kerk en politiek en sociaal conservatisme vereenzelvigen?

En waarom verblijdt hij er zich niet over, dat de doorbraak in Amsterdam zeer zeker betekent, dat velen van deze duizenden, die niet meer kerkten, weer opnieuw in de kerk komen?

Ik poneer de stelling, dat de doorbraak de kerk geestelijk gebaat heeft. Zij heeft een heilzame veronljusting gebracht. Zij is een oproep tot hernieuwde bezinning op het wezen van de kerk. Zij heeft velen van de kerk vervreemden weer tot de kerk en tot Christus teruggebracht.

Indien dr Streeder gelijk had, zouden in Amsterdam de kerken bij de predikanten, die lid van de P.v.d.A. zijn, het leegst moeten zijn. Ik kan hem de verzekering geven, dat dit niet het geval is, want, indien het wel het geval was, zouden zij dat al lang gehoord hebben en bij de voortduur moeten horen.

Laat ik nu eens niet over mijn 9 collega’s, maar over mij zelf spreken. Ik weet heel goed, dat er Hervormden zijn, die bij mij niet in de kerk willen komen, niet omdat ik partijpolitiek op de preekstoel breng, maar omdat zij het niet verdragen, dat ik socialist ben. Die kunnen intussen rustig naar ds v. Limburg gaan. Dat doen ze dan ook, gelijk ik zelf het ook graag doe. Maar bij mij zitten er in de kerk, die er vroeger nooit kwamen. Ook Hervormden, dr Streeder! En zij zitten er niet vanwege de partijpolitiek, die ik breng, want als ze daarvoor komen, valt het hun lelijk tegen, maar omdat zij het Evangelie willen horen. In ernst: zouden wij het vraagstuk, dat er inderdaad is en dat niet eenvoudig is, niet op wat voornamer en edeler en minder kleinzielige wijze aan de orde stellen? Intussen moge dr Streeder weten, dat hij mij aan zijn zijde vindt, wanneer hij de gedachte propageert: geen partijpolitiek op de preekstoel!

Van welke zijde is intussen in de loop der jaren de partijpolitiek het meest op de kansel gebracht?

Op talloze kansels, zowel Gereformeerde als Hervormde, is bij verkiezingen rechtstreekse propaganda gemaakt voor de A.R. Dat weet dr Streeder heel goed. Van welke kansel is in deze zin rechtstreekse propaganda gemaakt voor de P.v.d.A.? Graag man en paard!

Wij pleiten voor zindelijkheid, ter wille van de politiek, ter wille niet het minst van de kerk.

weer stellen tegen militaire excessen en deze onder geen beding goedpraten, want elke goedprating is erkenning dat „oorlog moord is” en dus nimmer geoorloofd.

B. Aangezien de oorlog, dat leert ons de geschiedenis wel, hoewel m.i. niet natuurnoodzakelijk dan toch in feite vrijwel altijd naast de eigen afschuwelijkheid nog de extra-afgrijselijkheid van de hierboven genoemde zedeloze excessen vertoont, is elk middel om bij een dreigend conflict tussen staten tot een vergelijk te komen, te prefereren boven oorlog. Dat was dan ook de klemmende reden, waarom velen onzer zich tegen de eerste en de tweede militaire actie hebben verzet. Zij waren niet overtuigd, dat alle andere middelen uitgeput waren noch konden zij inzien, dat het doel (orde en rust in Indonesië) dit zo al niet zedeloze, dan toc"h bedenkelijke middel legitimeerde. Met grote zorg menen zij thans te aanschouwen dat de feiten hun bangste verwachtingen evenaren. Maar hun tegensprekers volgden de tegenovergestelde weg: wie de noodzaak van de oorlog wil bepleiten, moet de tegenstander wel zo ver-

werpelijk mogelijk voorstellen. Hoe verdorvener de vijand is, hoe meer reden er schijnt te zijn, hem zonder meer te vernietigen, hoe meer verontschuldigingen opdagen om tegenover hem zich letterlijk alles te veroorloven. Oorlogspropaganda schijnt wel niet anders te kunnen dan de tegenstander onder de zwartste kleuren af te schilderen, dus aan te sporen tot... algehele vernietiging op welke wijze dan ook. Er zijn mensen in ons land, die spelen met de idee van een preventieve oorlog tegen Rusland. Het zijn dezelfde, die maar niet kunnen zwijgen over de verdorvenheid der Russische leiders. Dit moet in hun ogen een aanstaand gebruik van de atoombom wettigen. Het ware te wensen, dat zij zich goed voor ogen hielden, dat die atoombom niet Stalin en zijn vrienden zal treffen, maar dood en verderf verspreiden onder de politiek-argeloze arbeiders, vrouwen en kinderen te Moscou, Petrograd of Stalingrad.

Na deze inleidende opmerkingen een volgende maal over de arugmenten.

J. G. BOMHOFF