is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 26, 26-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lETS OVER „DE DICHTER ZELF”

(Voor wie niet genoeg onder

de drukinkt kan kijken)

Ida Gerhardts kwatrijnenbunder) ligt voor mij als een welverzorgd en aesthetisch aandoend boekwerk: matblauwe band, gouden opdruk naar een prachtig ontwerp van Bulder, blank papier, en op elke bladzijde in fijne druk die afgepaste vier regels, die een kwatrijn vormen.

De verzen zijn evenzeer, ja méér „verzorgd” dan het uiterlijk. Wie niet geheel van een literair orgaan verstoken is, zal bij het lezen getroffen moeten worden door een vastheid van vorm, een kracht van expressie, een gaafheid en een concentratie, die slag op slag het meesterschap van de auteur verraden. Mensen met een onbedorven smaak (waartoe ik recensenten niet altijd reken!) zullen spreken van „mooi”, vaklui van „sterk”, en mensen die het wel mooi vinden dat Ida Gerhardt deze en gene een haal verkoopt, van „raak”.

Zeker. Maar ik kan daarbij nog niet zo goed vergeten, wat de achtergrond van deze „Kwatrijnen in Opdracht” is. Ik herinner mij, in hoe brede kring in oorlogstijd het vers Het Carillon van dezelfde schrijfster bewonderd is, het vers dat eindigt met „Nooit heb ik, wat ons werd ontnomen, zo bitter, bitter liefgehad.” Maar heeft men zich wel eens rekenschap gegeven van de wurgende wanhoop, waar een dichter doorheen moet zijn gegaan voor hij zijn liefde, zijn angst en zijn leed een zó transparante vorm kan geven? Ik kan bij alle literaire bewondering niet goed vergeten, dat ook de kwatrijnen wortelen in wanhoop: in een verbeten, eenzame en bijna verloren strijd. Men vindt in deze bundel een.inlegblaadje, waar gesproken wordt over de schending niet uit noodzaak, maar uit botte onverschilligheid van het Hollandse landschap; over „het leven van onze dagen”, dat de signatuur draagt: stijlloos, zielloos, vreugdeloos; en over wat de kunstenaars onzer dagen daar niet tegenover stellen. Ida Gerhardt heeft eigenlijk van haar allereerste verzen af haar keuze gedaan, haar positie bepaald. Vertrouwdheid mèt en eerbiedige aandacht voor het natuurleven stempelde haar eerste bundel; de opdracht van de méns was voor haar: de scheppende afbeid, waarbij luisterend, gehoorzaam, toegewijd iets van een intuïtief geschouwde waarde wordt verwerkelijkt. Wie ziet welke poëzie zij sinds dien en onder welke omstandigheden! heeft geschreven, zal toegeven dat zij leeft naar haar leer.

Ik geloof echter dat Ida Gerhardt zich vroeger nooit heeft voorgesteid, in de een of andere vorm naar buiten op te treden of de publieke opinie te beïnvloeden. Haar grootste wens was, met rust gelaten te worden om haar eigen taak te kunnen vervuilen. Het bleek onmogelijk; die landelijkheid, die zij alleen maar gezocht had als een achtergrond voor haar eigen leven en een voedingsbodem voor haar werk, bleek een van alle zijden bedreigde „waarde”, en rnaar al te vaak was er niemand dan zij, die immers elk vrij uur buiten was en altijd

Ah Rede sluimert, ontwaken de monsters.

rondkeek, om de verdediging op zich te nemen. Ik weet hoe onvermoeibaar Ida Gerhardt gevochten heeft, met taai geduld en zelden aflatende vriendelijkheid, om voor botte vernielzucht te behoeden wat de meesten van ons pas zullen missen als het onherroepelijk te laat is. Ik weet hoe zij, die voor zich zelf slechts rust en poëzie verlangde, haar zaak op grote of kleine schaal heeft bepleit bij dorpsburgemeesters en domme daglonersvrouwen, bij de kinderen uit de stegen die de vogelnesten uithalen, bij deftige landelijke commissies en grinnikende lagere ambtenaren. Geen heilsoldaat kon met taaier liefde hebben gewerkt dan deze schijfster van „buiten het tijdgebeuren staande” poëzie. Ik weet hoeveel openlijke en verborgen tegenstand zij ontmoette, hoeveel gebrek-aan-medewerking op zijn allerbest. Ik weet hoe schaars haar medestanders waren: een ouwe boswachter (gestorven), een energieke hoofdingenieur (door een professoraat naar het buitenland geroepen), hier of daar een aardige onderwijzer, een paar

leerlingen van de middelbare school, een politieagent met hart voor de kinderen en hart voor zijn werk.

Het was toen zij voelde deze strijd, niet door de dwang der omstandigheden maar door gebrek aan steun en weerklank, te zullen verliezen, dat de wanhoop haar heeft bedreigd: die kwaadaardige wanhoop, die het hart verbittert en de scheppende hand verlamt. Wie in de bundel Kwatrijnen in Opdracht soms felle en ongedacht agressieve verzen aan treft, moge dat bedenken! Daar kwam iets anders bij. Dezelfde lamzaligheid, waarop zij bij de landschapsbescherming was gestoten, dezelfde geest van „d’r is toch niks an te doen” en „het is overal hetzéllefde” en „vinnu dat nou zo erg?”, ontwaarde zij, toen na de oorlog het letterkundig leven weer op gang kwam, ook meer en meer in literaire kringen. Wat in bet literarische de toon bleek aan te geven, ademde een geest van levensonlust, levensonmacht, en vaak, op een nog veel lager niveau, van gekanker, geïntrigeer, alcoholica, twijfelachtige liefdesverhoudingen, en

F. GOYA (1 746- 1 828) PENTEKENING