is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 29, 16-04-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Feiten en harten

Het zou wel een héél bijzonder geval, bijna een wonder zijn geweest, indien op het congres van de Partij van de Arbeid niet weer eens de tegenstelling opgeld had gedaan tussen „de nuchtere harde feiten” en „gevoelsoverwegingen”, waarmee men nu eenmaal in de politiek niets bereikt... Hoe dikwijls is dit liedje niet gezongen door de ervaren politici, die volstrekt zeker van hun zaak, de overwinning incasseerden om dan voigende jaren te bemerken, dat er lieden blijven die het niet begrepen hebben en nooit begrijpen zullen? Ditmaal was het bijna komisch; immers toen de scheidende partijsecretaris werd gehuldigd, gebeurde dat o.a. met de lof van het nimmer verzwakte proletarisch „sentiment”, en hijzelf getuigde, dat dit inderdaad, maar dan gelouterd tot socialistisch „sentiment” een drijvende kracht in zijn leven is geweest. Nu zal ik niet dezelfde fout der practici-politici begaan, en mijn liedje gaan zingen, dat men toch wel kent. Ik houd mijn binnenpret bij dit soort betogen op congressen al zijn er ook wel eens momenten,. waarin eike pret je besterft.

Ik geef vandaag alleen maar twee voorbeelden, en zal daar niet veel om heen redeneren. Het eerste ontleen ik aan een artikel van een Indonesisch Christen, C. Mataheru, geschreven in het speciale Indonesië-nummer van het maandblad der Herv. jongeren „Het geladen schip”. Het artikel heeft tot opschrift: „Indonesia merdeka (= vrij). Ik citeer:

„Voor ons, Indonesische Christenen, is er, kort en goed, maar één Indonesië en dat is Indonesia merdeka (= vrij-)! Helaas moet dit merdeka aan Indonesië worden toegevoegd, omdat vooral in Nederland nog steeds niet duidelijk is géworden, welk Indonesië de Indonesiërs zelf bedoelen of willen.

Wij willen niet de min of meer genadig toebedeelde vrijheid uit de handen van de Nederlanders, al is dat nog zo oprecht en goed bedoeld. Persoonlijk twijfel ik er niet aan, dat de meeste Nederlanders het in ons vrijheidsstreven oprecht en góed met ons bedoelen; maar al deze goede bedoelingen camoufleren slechts het werkelijke probleem. En dit probleem is: ons vrijheidsstreven is concreet geworden sinds 17 Augustus 1945, de uitroeping van de Indonesische Republiek. Helaas is er nog practisch geen Nederlander geweest, 'die dit erkend heeft, laat staan toegejuicht. Waar zijn nu onze oprechte en goedbedoelende Nederlandse vrienden, die vanaf 17 Augustus 1945 zonder reserve en met opbouwende critiek diepblij geweest zijn met ons, Indonesiërs, over onze jonge Indonesische Staat? De Nederlanders hebben ons w«l becritiseerd, maar helaas slechts in afbrekende, vernietigende zin: twee politionele acties hebben onze Vrijheid weer gebracht tot haar uitgangspunt van 1908 en volgende jaren: de strijd om de Vrijheid.

Wéér zijn de Indonesiërs gedoemd om te dromen en te vechten voor hun ideaal van een vrij Indonesië, Indonesia Merdeka. Weer zijn de grondslagen van onze vrijheid teruggedrongen naar de concentratiekampen, bijv. op Banka. Weer is de enige plaats waar Indonesia Merdeka voluit leven kan: de harten van millioenen Indonesiërs. Weer moeten wij, Indonesiërs,

nationalisten zijn, in plaats van Patriotten, Vaderlanders. Omdat ons Vaderland eenvoudig niet meer bestaat.. Wat zegt mij dit voorbeeld? De feiten zijn hard, vernietigend voor de Indonesiërs hun harten houden het ideaal des te sterker vast... Aan welke van deze twee botsende krachten zal de overwinning zijn? Dat is voor óns geen vraag. ** * *

Mijn tweede voorbeeld. Als onze lezers dit nummer in handen krijgen, is het voor de Christenen Goede Vrijdag. De dag van harde vernietigende feiten. Niet alleen omdat politici uit Kerk en Staat toen een gerechtelijke moord begingen. Maar omdat menselijke boosheid triomfeert over het Rijk van God, toen, nu. De onmogelijk dwaze droom van een Rijk, waarin heerst wie dient, waarin de liefde vrijmaakt en daaruit de broederschap opbloeit deze droom is als een volstrekte vergissing ondergegaan in nacht en dood. De feiten hebben gesproken... en de harten zouden zich wel voegen. |

Maar het Paasverhaal spreekt van een feit, dat naar de begrippen en de methoden

der „reaiisten” niet mag zijn: dat menselijke boosheid en haat en opstand tegen God niet het laatste woord hebben; dat op de kruisdood de opstanding is gevolgd. En harten van gelovigen hebben verstaan, dat dé strijd om het Rijk, de strijd .van God, 7iiet ten einde is; als ménsen Hem uitwerpen. Zal God Hem doen opstaan; de verworpene, ja juist de verworpene, is de verheerlijkte, de ware Koning. De harten, die dit hebben vastgehouden, hebben (daardoor een eindeloos diep geheim en een onuitputtelijke krachtbron bewaard: dat God ook een wereld die Hem veracht en Christus vermoordt, niet loslaat; dat Hij ook een mens, die Christus verloochent, niet verderft. De Kerk spreekt van de vergeving der zonden...

I * * Of je daar wat mee doet, in de werkelijkheid van politiek en maatschappij? Ik antwoord; je bewaart er je hart mee. Want het wordt daardoor innerlijk vernieuwd. En wadr zou de wereld anders van leven dan van harten, die telkens door Gods overwinnend leven worden vernieuwd? W.B.

Thomas More in de schouwburg

■lk weet niet of mevrouw Roland Holst, toen zij in 1912 haar treurspel Thomas More schreef, daarbij ook aan een opvoering heeft gedacht. Indien al, dan speelde die gedachte bij de vormgeving van het drama toch stellig geen grote rol. De More is essentieel een lyrisch drama, niet alleen omdat het in rijmloze verzen is geschreven, maar vooral omdat het lyrische element er in overweegt boven het dramatische, en zeker boven het toneelmatige. Men leest de Thomas More niet zóveel anders dan men De Vrouw in het Woud of een der andere dichtbundels leest. I

Het is dus eigenlijk niet de Thomas More, die er bij verliezen zou wanneer het stuk onspeelbaar zou blijken. Het werk heeft de „kans” van een opvoering niet nodig om tot zijn recht te komen. Veeleer kan men zeggen, dat hier een „kans” lag voor het vaderlands toneel, en wel om het enige waarlijk klassieke drama te spelen, dat in onze tijd en onze taal geschreven is. Deze kans heeft men dan 36 jaar lang verzuimd, en eindelijk, voorjaar 1949,’ is nu het verzuim ingehaald.

Neemt een gezelschap een overmatig groot risico, wanneer het Thomas More op de planken brengt? Is zo iets een prijzenswaardige poging, maar die door het lyrische karakter van het stuk toch tot mislukking is gedoemd? Het is dunkt mij al wel gebleken van niet.

Waarmee, heeft men mij gevraagd, laat zich nu eigenlijk die Thomas More als toneelwerk vergelijken? Niet met allerlei stukken van het moderne repertoire, die gelegenheid bieden tot boeiend „toneel”. Niet met Heijermans, Ibsen of Shaw, die evenzeer moralist als toneelschrijver zijn, maar ook evenzeer toneelschrijver als moralist. Met Shakespeare? Met Vondel? Neen, veeleer met een werk als Goethe’s

Torquato Tasso of Schillers Don Carlos. Die kan men óók thuis in zijn stoel als litterair kunstwerk volledig genieten, maar dat wil niet zeggen, dat zij op het toneel niet op hun plaats zouden zijn! Het is niet mijn bedoeling, de prestatie van het gezelschap Comedia als zodanig onder de loupe te nemen, en uit te maken wie mooier of minder mooi gespeeld heeft. Het belang van deze eerste beroeps-opvoering was m.i. vooral, dat zij duidelijk deed zien wat er met de Thomas More op het toneel te doen valt.

En dat is bijna alles. Het blijkt mogelijk, het stuk zonder noemenswaardige couï)ures te spelen en daarbij een zaal voortdurend geboeid te houden. Het blijkt mogelijk, deze verzen zó te zeggen, dat zij een bruikbare toneeltekst worden, en toch niet ophouden verzen te zijn. (De prestatie van het gezelschap was in dit opzicht nog lang niet vol'maakt, men had herhaaldelijk té weinig naar de verzen geiuisterd, wat dan de expressie niet ten goede kwam, "maar juist schaadde.) Het blijkt mogelijk, voor de lyrische afsluiting van de verschillende bedrijven, die eigenlijk een transpositie is van de reien in het klassieke drama, een fraaie en bevredigende oplossing te vinden. Het lied „van de moeder die de knaap Vrede zocht”, zoals het door Dance werd voorgedragen, hoorde tot de beste passages uit het eerste bedrijf. Zeer fraai gevonden was het, om het einde van More’s lange monoloog in 111 door een verandering in belichting en achterdoek en een bescheiden aanduiding van muziek een dergelijk reikarakter te geven. Het visioen van Utopia werd hier even, zij het ook slechts in aanduiding, zichtbaar. En ten slotte bleek het mogelijk, dat bijna onspeelbaar lijkende vierde bedrijf, dat vrijwel alleen bestaat uit Kingstons „bode-verhaal” na de dood van