is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 29, 16-04-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Partijcongres 1949

A’dam, Palm-Zondag 1949

Beste partijgenote,

...En nu mijn persoonlijke indrukken van het congres. Je hebt er natuurlijk alles van gelezen in H.V.V., misschien heb je ook nu en dan aan de radio gezeten. De Amsterdamse editie van H.V.V. heeft het congres uitvoerig en uitmuntend weerspiegeld; ik weet niet, hoe het bij jou in de provincie was, maar als je dit alles gelezen hebt, dan ben je, wat de feiten betreft, goed ingelicht. Dit wordt dus geen verslag, maar hier volgen wat losse indrukken.

Jij als vrouw wilt allereerst van me weten, hoe ilrde atmosfeer vond, de stemming. Dat is moeilijk in één woord te zeggen: organisatorisch klopte alles als' een bus en je wordt dankbaar gestemd als je denkt aan het reusachtige werk, dat aan zo’n congres voorafgegaan Is. Ijver Is ook een vorm van enthousiasme en er was dus alvast van de zijde der congressisten een algemene stemming van dankbaarheid en welwillendheid. Scherpe woorden en hatelijkheden zijn er niet gezegd, en toch, hoe makkelijk kan dat niet gebeuren. Er zijn ontroerende momenten geweest: de huldiging van Kees Woudenberg, toen het congres eindelijk tot zingen kwam, was misschien wel het hoogtepunt. Dan voel je ineens blijdschap, dat je behoort bij een beweging, die zulke mensen groot maakt, en dan besef je te staan in die prachtige socialistische traditie. Er zijn ook sprekers geweest, waarnaar het copgres ademloos geluisterd heeft: meestal berust dat op het vermogen, om aan een betoog, over welke onderwerp ook, dat vleugje socialistische pathos toe te voegen, waar een grote vergadering zo gevoelig voor Is; sommige sprekers kunnen dat uit louter Innerlijke bewogenheid, onhandig en links soms, maar zo aandoénlijk eerlijk; bij anderen is het een rhetorisch vermogen, dat ik vast geen demagogie smalen zal, zolang het eerlijk bedoeld en ter zake dienende is. Hein 'Vos bijv.! Die staat te praten over een economisch onderwerp, dat hij waterklaar uitlegt, wat een uitmuntend leraar is hij! ineens is er die warme golf van enthousiasme. Op geheel andere wijze heeft Drees dit ook. Als je naar onze minister-

president luistert, tors je mee aan de loodzware verantwoordelijkheid die hij draagt, en tegelijkertijd dwingt hij je mee te denken in zijn richting bij een uiteenzetting van de landspolitiek. Bij Evert Vermeer dreigt het soms beroepsvaardigheid te worden, maar overigens: wat een begaafd improvisator en wat een gelukkige formuleringen. Ja, zo’n Congres is een lange zitting, maar er waren vaak momenten, die ik niet graag gemist had, ook bij de eindeloze rij sprekers in de discussies.

Je hoort zo ook eens, wat voor zorgen er in de partij bestaan. Sommige weet je, andere ken je uit de verte, weer andere staan ineens dreigend en levensgroot voor je. Sommige onderwerpen komen telkens terug en vinden hun weerslag in een hele reeks moties, andere worden even genoemd en toch: heel het Congres luistert en stemt in. Ik noem je er enkele: de classificatie der gemeenten. Ik als Amsterdammer heb er geen pijn van, maar je moet de mensen uit de provincie horen! En het ellendige is: men is het over de oplossing niet eens. Dan, het vraagstuk van de gehu\yde ambtenares, daarvan weet men in elk geval wel, wat wij socialisten willen; het middenstandsvraagstuk, zo gecompliceerd in onze partij, ook al omdat er ressentiment leeft tegen de middenstand; de wet op de dienstweigering, kort maar uitstekend gecritiseerd, en dringend op wijziging er van aangedrongen. Zo’n Congres heeft vele opzichten: het is een wapenschouw, en het is een beraadslagende vergadering; het is een moment in het leven der partij, waar opgehoopte ergernis zich stem geeft en waar de leiding zich te verdedigen heeft tegen gerechte en ongerechte critiek. Velai vinden dit laatste het belangrijkste: het spel en tegenspel van partijleiding en partij. Reeds in zijn openingswoord maakte de voorzitter front tegen de critiek buiten de partij. Hij vergat daarbij m.i. te erkennen, dat de critiek, waarop hij zinspeelde, vaak uit bewogen socialistische gevoelens ontstaan is en dat hier voor onze partij een opgaaf ligt: de socialisten buiten partijverband te overtuigen, dat zij bij ons horen, en daarin slaagt men niet, als men van meet af aan

hun critiek, die toch in diepste zin teleurstelling is, afwijst. .

Ik had rondweg bewondering voor de vaardigheid, waarmee de hoofdredacteur van H.V.V. de vele critiek op zijn beleid beantwoord heeft en natuurlijk heeft hij gelijk, als hij zegt, dat men, eerder dan de vraag of men wel voldoende critiseert, de vraag moet stellen, of men wel voldoende steun geeft aan partij en partij-organen, maar toch aarzel Ik, wanneer ik telkens weer hoor, zowel van partijleiding, als van fractievoorzitter als van de redactie van H.V.V. dat ze het met de eis der critiek eens waren, maar tevens overtuigd, dat ze aan die eis hadden gehoorzaamd.

Ziedaar nu een moeilijkheid, beste partijgenote, die me voortdurend bezighield. Het grootste deel van de ongeorganiseerde oppositie, of liever van de critici, stemde opvallend overeen in het grondaccoord: de partij heeft geen eigen gezicht; we doen net alsof de regeringsdaden onze socialistische ideeën verwerkelijken; er gaat van de leiding geen leiding uit, ze geeft achteraf uitleg en goedpraterij, terwijl ze tevoren richting en eisen had moeten stellen; we moeten als socialisten durven aan de ellende toevoegen, het besef van ellende; weer anders: er is éénrichtingverlfter van regering naar fractie, naar partij en naar volk. En dat werd dan op allerlei gebied gedemonstreerd; lees daarover de Verslagen! En telkens kwam het stereotiepe antwoord: we zijn het met uw verlangens eens; ge hebt recht dit te vragen, maar we deden en doen wat we kunnen. Binnen het mogelijke hebben we aan uw wensen voldaan. Wat klaagt ge?

Dit is een tere kwestie: het lijkt net, of eerst de critiek het monopolie opvordert van onbesmet socialismè en daarna vraagt de leiding het vertrouwen in de onvervalste bezieldheid van haar socialistisch werk. Dat hier geen brokken van gekomen zijn, mag wel een wonder heten, en bewijst de wederzijdse waardering.

En toch ben ik niet geheel gerust. 'Vooropgesteld, dat de critiek uiterst hoffelijk werd uitgebracht en vaak van zeer deskundige zijde en met diepe instemming door de congresleden werd onderstreept, is het gevaar bij deze situatie niet denkbeeldig, dat de critiek niet voldoend ernstig wordt opgevat. Men kan het ook anders zien: „Ze hebben het nu gehoord”, hoorde ik iemand zeggen, „en je zult eens zien, dat ze het zich aantrekken, maar het is nu eenmaal moeilijk fouten te erkennen. Hoofdzaak is trouwens: fouten verbeteren. Een politieke partij is geen Heilsleger met een zondaarsbankje.”

Je kent me, ik ben geen pessimist; maar ik doe mijn best in de politiek, ook in de partijpolitiek, de dingen realistisch te zien. En dan eerst deze opmerking; een hoge partijfunctionaris krijgt ai tijd wel een waarderend applaus van een zo gemengde vergadering. Laat hij er zich niet aan bedwelmen als aan een blanco-goedkeuring van zijn beleid. Het geklap kan zijn functie, zijn verieden, zijn sympathieke persooniijkheid gelden, ja, het einde van zijn betoog. En als ik voorzichtig suggereer, dat de leiding de oppositie niet au sérieux nam, heb ik daar wel aanwijzingen voor, afgezien van die m.i. soms verdachte eenstemmigheid tussen oppositie en leiding. Voorbeelden: de aandrang van het partijbestuur, om allerlei voorstellen, waarmede het partijbestuur het niet eens was, in te trekken, zonder tot stemming over te gaan; de wijze waarop partijbestuur en fractievoorzitter de resolutie inzake het Atlantisch Verdrag voorbereid hadden, een resolutie, die, dat bleek wel, aanvechtbaar geformuleerd was. Zolang de partij geen regeringsmeerderheid

More, zo boeiend en tevens zo indrukwekkend te spelen, dat elke bedenking zwijgt. Indien ergens, dan paste hier een woord van hulde, voor spel, regie en decor. En het slot, hoe" prachtig kwam dat scènetj e van Margreet en de nar tot zijn recht! Men kan het niet schrappen, want het is een geniaal en onmisbaar slotaccoord, maar het is in zijn mengeling van drastisch realisme en wereldontstegenheid haast niet te spelen. En tóch lukte het hier.

Er ontbrak m.i. nog zeer veel aan deze opvoering. Thomas leek mij niet al te rolvast, Margreet was te dik en te weinig spiritueel en de bisschep had geen waardigheid. Het eerste bedrijf had men vergeefs getracht wat op te luisteren, door drie juffertjes in weelderige, maar niet^ijzonder smaakvolle, gewaden over een terras te verspreiden, als gold het een Shakespeariaans blijspel. De soberheid van More’s levensstijl was hier volkomen zoek, maar ook de verbondenheid die moest worden uitgedrukt. En wie kon aan deze braaf hun rol opzeggende lieden

iets merken van de spanning, die over dit bedrijf hangt, de sterke banden van vriendschap, liefde en bewondering, die deze mensen verbinden, de nabijheid van gewetensbeslissingen en dood? Haastig moest er, in de korte scène, die aan het lied van Dance voorafgaat, iets van eèn „gespannen stilte” worden geforceerd, geen wonder dat het niet lukte

Al met al viel er nog zeer veel te verbeteren. Het eerste en tweede bedrijf misten nog pijnlijk de verdieping, het leven vanbinnen-uit. Ook het derde, dat ik wel bewonderd heb, kan ik mij toch béter voorsteilen. Maar waar het mij om gaat, is dat van dit drama zonder uiterlijke handeling, maar vol innerlijke spanning, dit edelste werk van onze moderne toneellitteratuur, een der gaafste scheppingen van Henriëtte Roland Holst, met deze opvoering de speelbaarheid bewezen is. De Thomas More heeft ons niet minder, en waarschijniijk méér te zeggen dan de Gijsbreght. Welnu... M. H. V. d. ZEIJDE.