is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 34, 21-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digheden voordoen, die daartoe aanleiding moeten zijn. De inmiddels, althans voorlopig, weer gesuste rel, die ontstaan is rondom Het Parool en Trouw maakt het nodig, dat men zich wel realiseert wat er hier eigenlijk aan de hand is.

Het is de oude strijd tussen de burgerlijke, neutrale pers en de bladen, die zich baseren op godsdienstige of politieke beginselen. Deze strijd is al oud, zo oud als de gekleurde pers zelf. Altijd had de neutrale krant in ons neutrale landje meer abonné’s en veel meer advertenties. Altijd beschikte de neutrale pers over een betere technische inrichting, waardoor zij een beter verzorgd blad kon leveren.

Na de oorlog leek het even alsof deze toestand grondig veranderd was. Overal in den lande waren tijdens de bezetting illegale bladen opgericht, die veelal legaal bleven voortbestaan en in de eerste bevrijdingsroes, toen iedereen illegaal werker wilde zijn, veel abonné’s kregen. Weldra kwam echter de ontnuchtering en tijdens de bevrijdingskater, die volgde, legde 'het ene illegale blad na het andere het loodje ook al omdat zij niet over een eigen technische installatie beschikten en dus in loondruk vervaardigd moesten worden. De oude, neutrale kranten heroverden ras het verloren gegane terrein. Zo kwam het Nieuwsblad van het Noorden weldra weer op 45.000 abonné’s, terwijl het blad voor de oorlog 57.000 abonné’s had. Een resultaat waarom men zou moeten huilen ware het niet, dat men zijn tranen beter voor andere gelegenheden kan sparen.

Twee illegale bladen waren er echter, die hardnekkig stand hielden op het één keer door hen bezette terrein: Het Parool en Trouw. Daar deze bladen gebruik konden maken van de technische inrichting van de voorlopig uitgezuiverde Telegraaf—Het Nieuws van de Dag en langzamerhand over zeer goede redactionele staven gingen beschikken, konden zij uitstekende bladen leveren, die begrijpelijk zeer veel abonné’s trokken.

En nu zal De Telegraaf 1 Juli weer gaan verschijnen. Laat ons nu niet te veel verwachten van het Nederlandse volk. Het zal met de Telegraaf wel gaan als met het Nieuwsblad. Hèt vooroorlogse aantal abonné’s zal niet geheel bereikt worden, maar toch voor een 80 a 90 procent. Och, en als dan de advertenties los komen, en dat doen ze, dan wordt er wel weer flink aan verdiend en daar gaat het uiteindelijk de directie om. Of er een beetje volksmisleiding bedreven wordt doet minder ter zake.

Ja, die grote schoonmaak! Herinnert u zich nog De Telegraaf van voor de oorlog en tijdens de bezetting? Leest u anders bovenstaande citaten nóg eens over. En als u dan bedenkt, dat het Parool straks de klap zal moeten opvangen omdat Trouw, nu de Standaard en De Nederlander verdwenen zijn, verzekerd is van een behoorlijk aantal abonné’s, zegt u dan niet: „Grote schoonmaak, de bezem er door!”?

Zeer begrijpelijk, maar toch fout. Want er is nog zoiets als drukpersvrijheid en eigendomsrecht. Vindt u het erg, dat de democratie zich zelf om hals brengt? Wel, dan abonneert u zich ten minste niet op De Telegraaf en u zult ieder, die zulks wel van plan is, aanraden dat ook niet te doen. Want dat is het wapen van de democratie en het is een gevaarlijk wapen! Laat ons het gebruiken en goed gebruiken.

Och, en laten wij dan de grote schoonmaak aan moeder ,de vrouw overlaten. Wij kruipen wel ergens in een hoekje, waar ze geen hinder van ons heeft, met Het Parool of Trouw!

H. H. MEIJER.

Lentelariefarie

De ingang van het hoofdgebouw was vandaag een toneel waarop een aantal blijspelletjes werden opgevoerd; ik zag het vanuit het raam van m’n kantoor. Er zat iets in de lucht, moet je weten. Op de een en twintigste was alles nog normaal, maar op de drie en twintigste was het of een aantal respectabele lieden geen raad wisten met hun houding. Er zat iets uitbundigs in de lucht. Lente losgebroken, snapt u. Ik kijk naar het venster. |

Gordijn op. Zware zuilen omlijnen het kleine podium waarachter de sombere duisternis van het grote kantoorgebouw gaapt. Wie er van doen heeft moet dit punt passeren, hij komt heel even in het fel schijnende zonnetje te staan. Even stilte. De scherpe schaduwen dalen langs de gevel. Er komt een auto; het spul gaat beginnen. |

Een delegatie van drie zomerachtig vermomde mannen marcheert naar de ingang. Onverzettelijk. Phalanx. Een jongste bediende, olijk, groet en gaat buiten uitvoerig staan zonnen. De heren proberen ernstig te blijven. Hetgeen lukt. Ze bestijgen de trap.

Dag legioen! Wor nou es vrolijk... Er verschijnen werklieden van de gemeente die met de onverzettelijkheid van een stoomwals het trottoir bezetten. Zij pakken palen, touwen en koevoeten en beginnen om een duistere reden de stenen los te breken. Binnen twee minuten is er links van de ingang een duinlandschap ontstaan. Vrachtauto. De chauffeur zwengelt aan de kruk van de laadbak en vult de straat met oorverdovend lawaai en een lading stenen. Als zij aldus de weg hebben herschapen in een boerekermis, schatten zij dat het tijd moet zijn om te gaan bikken. Zij zitten op een stapel stenen en kauwen hun kuchie met de filosofische rust van een bezadigde landbouwer. Als de minister komt, of een andere hoge, mottie maar wachte tot de straat klaar is. |

Er komt een heftige beroering m tfe WK nü i toe meestal rustige sfeer. Eerst zie je niksj maar je hoort iemand uitkafferen. Danï verschijnt een klein mannetje. Buisje dy-| namiet. Hij schreeuwt iets over vergaderingen aan mensen achter ’m en maaktj quasi-heroïeke gebaren met ’n bundelj papieren. Rent de deur door. Drie klerken! en twee typistes, z’n personeel, hebben de grootste moeite om ’m in te halen. Ze hol-! len zich een ongeluk achter ’m aan... ’n| kielzog van hilariteit.

I Het gonst nog in de straat als het podium lal leeg is. Het stof danst in wielingen boven de zandhoop. De zon glimlacht. Ik zal gaan werken. Serene rust, buiten, Zou ik niet daar kunnen gaan zitten, zonder telefoon, die je dagdromen kapot rinkelt? Werken. Drie en tachtig, zes onthouden. Zestienhonderd... Een auto. Ik kijk weer. Een verhuiswagen met een kantoorinventaris. Witte letters op bruinrood hout. VAN DER HUMMES, Verhuist Door Heel Europa.

Ik wil mee: Door Heel Europa: naar de bergen van de Balkan en de bloemen op de Alpen, het groen van de wijnbergen, de stilte van de Mont Blanc en de voorname zwier van de kastelen aan de Loire. Maar het is nog geen half twee. Dèin mag ik ’n blokkie om. Eerst wachten, en kijken naar het podium. De film moet nog terugdraaien.

Dat gebeurt om even over enen. Met de zelfde komische schutterigheid van een achteruitgedraaide film komen daar eerst de drie delegatieleden.

Zij zijn volkomen doorgerookt in hun conferentie-hol en knipogen in het felle licht. Zij staan even stil op het podium als drie komieken, die door hun moppenvoorraad héén zijn en het nu in het komische gebaar zoeken. Ze stappen naar beneden, ze zullen fijn op het terras verderop gaan zitten. Zij vergeten bij dat vooruitzicht gewoonweg, zich in slagorde te stellen. Het ontbreekt er nog maar aan, dat ze hun tassen in de lucht gooien en „hoera” roepen.

Het Buisje Dynamiet nee, ’n Koddige Komeet verschijnt. Hij holt het trapje af, straat op. Daar ontdekt-ie pas, dat er nog zoiets als verkeer bestaat. Om aan een auto te ontsnappen voert hij een ijzingwekkende Tarantella op het asfalt uit. Vervolgens praait hij een collega om even naar het plantsoen verderop te gaan. Z’n personeel verschijnt even later.

Nu is het half twee, vrijheid. De ingang wordt tot poort, en in brede rijen stroomt de intelligentsia naar buiten. Ik ga mee. Een geuilebrilde heer start als ik buiten kom, z’n wagen. Het ding springt weg als een jonge hond. Op het asfalt zijn grijze vlakten en scherpe schaduwen, daarboven bruine gevels en ineens de vrolijke kleuren van winkels en mensen, het is alsof ze allen dansen, hollen, lachen, rumoeren.

Ook in de stad is het mooi weer. Stilte, stof, verveling, in het plantsoen? Nee, daar zorgen de mussen en de meeuwen wel voor. De meeuwen scheren over de boomtoppen, glijden langzaam en laag over het water, dan ineens stijgen ze tegen een luchtberg op en schreeuwen. De mussen hebben natuurlijk ruzie. Ze harrewarren als Fransen die over de politiek praten en kijken ondertussen uit naar geschikte broodkorsten. Dan smeren ze ’m, als straatjongens vlak langs je oren suizend met klapperende vleugeltjes.

Ik loop langs de paadjes en kijk naar de gezichten van de anderen, die het ook zulk mooi weer vinden. Ze begrijpen geloof ik niet, dat dit de lente is, maar denken aan een vroege Aprilmop. Ze verwachten eigenlijk hagel, sneeuw, ijzel, onweer en storm, benevens andere soorten hondeweer, maar dat komt niet. Paraplu meenemen? Welnee ! In de hoek met de paraplu’s, weg met de vesten! Wees niet langer de slaaf van uw boordeknoopje. Oa nou es zingen!

Het octrooibureau verderop opent de deur en al die patent-zifters en octrooi-proevers mitsgaders het administratieve personeel gaat naar het park om ’n communitysinging te organiseren. Met wegwerping van jassen, tassen, vulpennen en andere artikelen, die zo fijn het standsverschil accentueren, heffen zij een onduidelijk doch vrolijk gezang aan. Eentje staat boven op een bank de maat te slaan,

Maar we zijn in Holland, ’n Agent. Magniet. Willuder vanaf komme? De man heeft precies zoveel gevoel voor humor als de APV voorschrijft, namelijk geen. Jammer, ik had ’m zo graag een sabeldans zien uitvoeren of een nummertje jongleren met de gummistok.

Naar de straat terug, en nog even de parade bekijken. De honden blaffen. Eentje heeft onenigheid met z’n spiegelbeeld in het water, de bizarre, vage gedaante van