is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 35, 28-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van twee moest „halen”! En toen gebeurde het. Bij de cassa kregen wij ze, een rode en een witte. Ik knoopte een lus in de draadjes, we namen er ieder een. Het kind kon het zo gauw niet verwerken. Buiten gaf hij de zijne gauw weer aan moeder. Die wind en al die mensen! Gespannen keek hij naar die kleurige pracht boven zijn hoofd en zei geen woord.

De terugtocht zal me heugen. Voor 't eerst na de winter op de fiets, met een kind achterop, dat scheef hangt om niets te missen van het avontuur, met twee ballonnen in de hand op een Zaterdagmiddag in een volksbuurt. De ballonnen boemelen gezellig tegen elkaar aan, maar bij iedere bocht trommelen ze een fanfare. En die draadjes lijken zo onsterk! Als ik ze maar heel thuis breng! Het ontbreekt me niet aan belangstelling, ’t Is me ook niet een leuk spelletje voor een opgeschoten jongen om te proberen om ze net niet te raken! Ik heb geluk: voor het huis, waar de 2-jarige al wacht, lever ik ze heel af. „’t Is wel mooi hè, maar ze zijn ook heel gauw stuk. Dat is nou eenmaal zo. Als hij stuk gaat, geeft ie een knal en als je hem loslaat, vliegt hij weg in de lucht.” „Waar naar toe?” „Heel hoog in de lucht.” Als moeder ’t niet zegt, zal hij zelf het antwoord wel geven: „Dan gaat hij naar God.” Ondertussen en huppelt en juicht z’n kleine

broer met de rode ballon in z’n hand en geniet van het ogenblik, maar hij zegt: „Ik moet oppassen voor de wind, want ik wil er nog een hele tijd naar kijken.” Eigenlijk is het een opluchting als we in huis zijn. Wat een plezier om hem los te laten, hem te zien opvliegen en dan weer de draad te pakken vanaf een stoel. De ballonnen mogen alle kamers zien en bevliegen. Ze geven zoentjes aan alle plafonds en ze worden maar niet moe om van beneden naar boven te gaan. „Wel te rusten”, wordt ze toegewenst als de heren naar bed gaan. Zondagmorgen om 6 uur roept de 2-jarige om de „vliegballon” te mogen pakken, ’t Is wèl een teleurstelling dat ze niet meer het plafond halen maar eigenlijk is het nu nog fijner speelgoed.

Twee grote lichte ballen dansen door het huis. (En ze gaan maar niet stuk!) ’s Maandags zijn ze klein en verschrompeld. Ze worden bekeken, dan liggen ze vergeten in een hoek. Daar blijven ze een paar dagen en worden langzaam kleiner en kleiner. Dan komt de vraag: „Moeder, je had verteld, dat ze een knal geven als ze stuk gaan, maar nou zijn ze niet stuk gegaan. Mogen we ze nou kapot tr&ppen?” Vooruit dan maar. Met wéllust drukken ze ieder een schoen op de verschrommelde bolletjes. De knal viel, geloof ik, tegen. De ballonnen hadden hun glorie overleeft, U. B.—v. R.

D« k*rk, het communisme en de oorlog

In de „Osservatore Romano”, het officiële dagblad van Vaticaanstad, heeft de hoofdredacteur, graaf Della Torre, in April en Mei drie artikelen gepubliceerd, waarin hij uitvoerig de verschillende beschuldigingen, die door de Italiaanse communisten maandenlang tegen de Roomse Kerk en het Vaticaan ingebracht werden, tracht te weerleggen.

Volgens „De Tijd” hebben deze drie artikelen in de gehele wereld de belangstelling wakker geroepen. De onderwerpen waren dat meer dan waard: De Katholieke Kerk en de Oorlog, de Katholieke Kerk en de Vrede, en de Katholieke Kerk en het Kapitalisme.

En ook de wijze, waarop deze onderwerpen in de „Osservatore Romano” behandeld zijn geworden, maakt het begrijpelijk, dat ook de internationale communistische pers op deze artikelen gereageerd heeft. Wij vragen de aandacht van onze lezers vooral voor het eerste artikel: „De Katholieke Kerk en de Oorlog”, omdat hierin een en ander gezegd wordt, dat naar onze overtuiging ook in ons land gehoord moet worden en dat waarlijk niet alleen door de Roomse christenen, maar ook door de Protestantse. Merkwaardig en belangrijk is, dat moderne oorlog als in wezen volkomen onrechtvaardig wordt gekwalificeerd.

Het afschuwelijke onrecht, inhaerent aan elke moderne oorlogvoering met haar apocalyptische verschrikkingen voor onschuldige en weerloze non-combattanten, haar niet eens meer onmiddellijke, doch eerst op lange termijn werkende moordmiddelen, haar wapens, welke hele gebieden radio-actief maken en zelfs oorzaak zijn, dat de puinhopen, waaronder talloze slachtoffers levend begraven liggen, zo dodelijk blijven, dat eventuele reddingsploegen eenzelfde lot zal treffen als de vroegere schenners van Egyptische mummiegraven, een oorlogvoering, welke met haar technische vervolmaking eventuele overlevenden veroordeelt tot een hel op aarde, waarvoor nauwelijks enige verlichting mogelijk is, en in haar gevolgen zo lang zal nawerken, dat het voor ganse generaties gruwelijker zijn zal, om te moeten voortleven, dan om te sterven, een dergelijke oorlog, hoe rechtvaardig ook, is alleen reeds daarom in wezen volkomen onrechtvaardig..., dat is één van de conclusies, waartoe de hoofdredacteur van de „Osservatore Romano” komt.

Dit betekent niet minder dan dat een in wezen rechtvaardige oorlog in onze tijd een volstrekte onmogelijkheid is. Er zijn er, die de vraag stellen: moet de Katholieke Kerk, ook al weet zij, dat oorlog naar zijn wezen gruwelijk onrecht betekent, toch in de gegeven situatie de oorlog niet aanvaarden in de strijd tegen het goddeloze communisme?

Het antwoord, dat Della Torre geeft, is voor geen misverstand vatbaar. De Kerk, zo zegt hij, kan geen oorlog wensen, enkel en alleen omdat het gevolg er van de nederlaag van het communisme zou zijn. Het zou waanzinnig zijn, wanneer men juist aan de Katholieke Kerk de overtuiging zou willen toeschrijven, dat een idee zou kunnen worden verlamd door geweld en machtsmiddelen of in bloed kan worden verstikt. Want de Kerk zelf is het grootste bewijs van de dwaasheid van zulk een overtuiging. Zij toch is de Moeder der martelaren en een voortdurend slachtoffer van gewapende vervolging. Wanneer een overtuiging onjuist is, dan