is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 36, 04-06-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, zoals gezegd, eerst gejuicht. Zie je wel, zei men, je mag als christen je best bij het N.V.V. aansluiten.

Het moet vastgesteld worden, dat het N.V.V. in formele zin ook alles gedaan heeft, om de weerstanden van christenen te overwinnen. De beginselverklaring van het N.V.V. luidt thans aldus: „Erkennende, dat geestelijk-zedelijke en culturele vorming in de eerste plaats tot de taak der Kerken en van op de levensovertuigingen gebouwde organisaties behoort, stelt het Verbond er prijs op, dat zijn leden actief deelnemen aan de werkzaamheden der voor hen, krachtens geloof of levensovertuiging in aanmerking komende culturele organisaties.” Men ziet echter dat dit niet zo ver gaat, als de Partij van de Arbeid, die er van gewaagt, dat zij het waardeert, als de leden in haar midden ook getuigen van hun geloof als motief tot de strijd.

Ik zeg: het is formeel bij het N.V.V. in orde. Er wordt naar gehandeld ook. Voor zover ik de publicaties van het N.V.V. lees, kan ik niets ontdekken, dat in strijd is met deze gedragslijn.

De vergissing van het N.V.V. nu is, dat het meent, daarmee, gesteund dan door de woorden uit het synodale rapport, klaar te zijn tegenover de christelijke arbeider, die aarzelt bij welke organisatie hij zich zal aansluiten.

De woorden van de synodale boodschap immers hebben een enerzijds beperkter, anderzijds een wijder strekking. Het N.V.V. wordt niet aanvaard, zoals het is, maar naar de tendenzen, die zich er in openbaren. De aanvaarding is voorwaardelijk. Slechts als vervuld is dat „de christen de mogelijkheid gewaarborgd wordt in de organisatie te getuigen van de betekenis, die Gods Woord heeft voor de vragen van het sociale leven, is er voor de Kerk zeker geen reden haar leden in het algemeen aansluiting bij deze vakbeweging te ontraden.”

Nu weet ik wel, dat niemand in het N.V.V. gehinderd wordt zulk een getuigenis af te leggen. Men zal het zelfs individueel op prijs stéllen. Maar het wordt niet bewust geleid. De noodzakelijke bezinningsarbeid, ook op dit punt, wordt voor zover ik weet, weinig ter hand genomen.

Daar zijn verklaringen voor. Het is geen onwil, maar onmacht. Onmacht, voortvloeiend uit tijdsgebrek, uit de gerichtheid van de aandacht op de specifiek sociale en economische problemen, waarvoor de vakbeweging immers ook bestaat. Onmacht ook, omdat in het midden der vakbeweging deze vragen weinig leven en daar kan de leiding niet zo bar veel aan doen.

Welnu, als de zaken zo staan, dan moet men zich niet verbazen, dat christelijke arbeiders, ook al wordt hun geen strobreed in den weg gelegd, tóch liever het beschutte huis met de vertrouwde sfeer zoeken, dan de organisatie kiezen, die voortreffelijk werk doet, maar juist dö,t niet biedt, waar zij behoefte aan hebben.

Ik behoef, dunkt mij, niet te betogen, dat ik zeker niet tot die christelijke arbeiders zou behoren, gesteld al, dat Ik voor de keuze stond welke vakbeweging Ik moest kiezen. Het hangt niet alleen met mijn Inzicht In soclaal-polltleke vragen samen, dat Ik het N.V.V. verre zou kiezen boven het C.N.V.; ook mijn geloof drijft mij eenvoudig uit de beschutheld van de verenigingen naar de „wereld”, waar „gewone” mensen leven. Het zijn diepe geloofsvragen, die aan de orde komen, wanneer men afgezien nu van de doelstellingen der beide vakbewegingen kiezen gaat. Dit nu te bevroeden, méé te denken is een der taken van het N.V.V. Een taak, die nog onvoldoende ter hand genomen is. Nóg een opmerking moet ik maken.

In de kringen van het N.V.V. verbaast men zich er wel eens over, dat soms predikanten van de Hervormde Kerk zich openlijk voor het C.N.V. uitspreken, ja, hun gemeenteleden aansporen lid van het C.N.V. te worden.

Deze verbazing is alleen mogelijk, wanneer men de betekenis van een synodaal stuk niet kent. Zulk een stuk is een verklaring van een hoogkerkelijk college. Het heeft gezag in zich zelf, maar geen enkele macht. Het is geen leerstuk en evenmin een beginselverklaring, waaraan men zich te houden heeft. Men vergeet wel eens, dat de democratie in de kerk van een andere aard is, dan in de wereldlijke organisaties. Een stuk van de Synode heeft gewicht. Maar men kan er zowel ja als néén tegen zeggen. Dat is jammer, als men het er mee eens is, dat is gelukkig, wanneer men het niet kan aanvaarden. Het vraagt echter nóch ja nóch neen, maar overdenking. Het ia een handreiking voor wie wegen zoekt; het is een maning voor wie oogkleppen

voorheeft; het is een pastoraal stuk en nimmer een afsluitend stuk. Kortom: de Hervormde Kerk is nóch Rooms, noch Kuyperiaans.

Ik schrijf deze dingen niet om het N.V.V. af te vallen. Integendeel. Ik zou willen, dat binnen het N.V.V. deze dingen niet alleen bij enkelen, maar bij allen die verantwoordelijkheid dragen, duidelijk gezien werden.

De wezenlijke tegenstelling tussen C.N.V. en N.V.V. ligt, naar mijn gevoel, niet in de vraag van christelijk-zijn of niet-christelijk zijn. Maar in de concrete doelstellingen op sociaal-economisch gebied. Juist daarom kies ik voor de werkmethode en de doeleinden van het N.V.V. Maar dat kiezen behoeft niemand te weerhouden dat andere, nl. het terrein waarop het C.N.V. de grote tegenstelling ziet (het als organisatie zich te richten naar de christelijke belijdenis) naar zijn diepste bedoeling ook te verstaan.

L. H. RUITENBERG

Geestelijke honger

Er is een grote geestelijke honger. Men kan dit horen uit de mond van allen, die zich op één of andere wijze met het geven van geestelijke leiding belasten, men kan het ook lezen, nog kort geleden in het “blad, waarin thans ook dit artikel is opgenomen. Maar zelfs al hoort of leest men het niet, het laat zich ook opmaken uit allerlei negatieve opmerkingen die over „geestelijk leven” gemaakt worden. Uit de grote teleurstelling, die uit deze opmerkingen blijkt, is het niet moeilijk de gevolgtrekking te maken, hoe groot het positieve verlangen is. Tegemoetkomen aan deze geestelijke honger is echter minder eenvoudig dan velen zich denken. De grootste moeilijkheid schuilt er niet in, dat er geen geestelijk voedsel is; dit is er volop. Het is er in politieke en niet politieke zin, in godsdienstige en humanistische vorm. De grootste moeilijkheid schuilt er misschien ook nog niet in, dat er te weinig arbeiders zijn, die het voedsel uitreiken. Men heeft eerder de gedachte, dat er te veel gepreekt en geschreven, gefilosofeerd en gedebatteerd wordt. Het moeilijkste is, dat wij niet meer weten, in welke vorm het voedsel moet worden opgediend. De maag van het nihilisme is zeer gevoelig en het minste geringste, wat te zwaar of te licht is, wordt teruggegeven. De nihilist keert zijn maag reeds om voordat er gesproken of geschreven wordt en dit doet de meesten, die zich tot spreken geroepen voelen, machteloos staan.

Het voedsel, dat wij zoeken op te dienen, hangt nauw samen met de gerechtigheid. Waar ter wereld thans gesproken wordt,' het is of het woord gerechtigheid met een eindeloze echo herhaald wordt. Alle problemen, die In de Verenigde Naties ter tafel komen, hebben hiermee te maken. Of men nu zegt Israël of Indonesië, Spanje of

Griekenland, overal ziet men de wijzende vinger, die het woord gerechtigheid onderstreept. Bijna niemand ziet echte.r, dat hij door de hardheid van eigen gerechtigheid Gods gerechtigheid in de weg staat. Er is zeker een honger en dorst naar gerechtigheid, maar zoals de bijbel dit bedoelt, is dit niet een hardnekkig vasthouden aan standpunten, maar plaats maken voor Gods gerechtigheid. In ieder geval heeft de liefde hier een belangrijk woord mee te spreken. In de hoogste openbaring van de liefde verliest de mens zozeer de waarde van het standpunt uit het oog, dat hij plotseling degeen, die hij altijd tegenover zich zag staan, naast zich vindt. Dat is het werk van de Heilige Geest, die de mensen net zo lang door elkaar schudt tot zij een gemeenschap vormen.

„Heel de schepping ziet met reikhalzend verlangen uit naar de openbaring der zonen Gods.” Dit woord duidt op de geestelijke honger, die de schepping door alle tijden na de val van Adam gekend heeft. Maar het houdt ook de belofte in van de komst van de Heilige Geest, „die onze zwakheid te hulp komt.” Pinksteren is het antwoord op het verlangend roepen van de mens. De mens dient er echter op voorbereid te zijn, dat er niets op zijn plaats blijft, zodra voor God ruimte gemaakt wordt. Dan herkennen de Joden de Romeinen, de' Cretenzen de Arabieren, de Religieus-Socialisten de aanhangers van de Pinksterbeweging,de „Woodbrokers” de leden van de Christelijke Jongemannenvereniging. Dit zal geschieden als de Heilige Geest vaardig wordt over allen, die geestelijke honger hebben. En dan begrijpen wij', dat het schrijnende van deze honger het gebrek aan waarachtig gemeenschapsverlangen is.

A. F. L. VAN DIJK