is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 36, 04-06-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of is de diepste oorzaak deze, dat wij deze i „grote” kwesties, nog niet als levens- ( kwesties herkend hebben, en er dus ook nog 1 niet mee worstelen? Laten wij ons dan 1 schielijk de ogen laten openen door hen die i ze wel zien. ]

Slechts met het oog op deze vragen zullen 1 wij een profetisch-manend beroep op het I gehele volk mogen en moeten doen. Het 1 laten zien dat niet alleen het bestaan van één sociale groep — de arbeiders — in het ' ’ geding is, maar het bestaan van allen. ■' '< Doch hier ligt de tragiek van de na-oorlogse 1 èn voor-oorlogse-socialistische beweging, ' dat zij noch geestelijk, noch maatschappe- i lijk een visie op de te bereiken samenleving , ’ weet te geven. Wel uiten wij een aantal < goed bedoelde leuzen, maar wij weten die ' niet tot een bezielende toekomstvisie te ’ < verbinden. Het zijn flarden van de wind, ® < maar geen mens weet meer waar zij van- s ! daan komen, noch waar zij ons heen willen i drijven, !

En... waar een socialistisch maatschappijbeeld ontbreekt, de bezieling door geestelijke krachten verschrompeld is, daar staat ook het organisatorische apparaat machteloos. Telkens wanneer ik in onze socialistische pers zo’n scherpe en rake degenstoot op de communisten en hun gedragingen lees, overvalt me een triest gevoel. Het doet me denken aan een jongetje, dat bij gebrek aan moed om een lastige knaap te lijf te gaan, uit ergernis daarover een vervelend klein buurjongetje een pesterige por in de

ribben geeft en nu toch — zij het langs ongevaarlijke weg — het gevoel heeft een heid te zijn.

Kortom: het socialisme gelooft niet meer in, leeft niet meer uit zijn oude idealen, leuzen en' liederen. Wij behoeven brood- en broodnodig nieuwe. Daar kunnen we echter geen prijsvragen voor uitschrijven, wat geen venijnige opmerking ten aanzien van .onze partij inhoudt. Daartoe is nodig, dat we de na-oorlogse werkelijkheid, de veranderende maatschappij, het veranderend kapitalisme, kortom de gehele nationale en internationale situatie eerlijk en diepgravend onder het oog zien. Om dan vanuit onze diepste zedelijke bewogenheid, gedragen door ons geloof, geholpen door een nauwgezet „weten” te vragen wat dit voor ons socialisten te betekenen heeft en welk antwoord vrij daarop mogen en moeten geven.

Audrey Buller: Nieuw Leven (Metropolitan Museum te New York)

Het Pinksterfeest nadert, mogen wij èn als gelovigen èn als socialisten het mevrouw Roland Holst nazeggen: Kom Geest; blaas uwen wil, uw adem in enk’len van ons, al is het er maar één. Ziet: wij'zijn murw en slap, of als een steen geworden, log en zielloos. Kom, begin uw dagtaak, volbreng een nieuw werk. De [lucht

is dik van onheil en het doodsgevaar nadert snel. O uit deze onze schaar verkies éénen, Heer, maak zijn 'geest • [geducht. A. V. BIEMEN

Een brandend vraagstuk

Een enkele keer Is het noodzakelijk een film aan te bevelen, die niet aan de eisen der cinematografische kunst voldoet, maar waarvan de inhoud zo belangrijk genoemd kan worden, dat zij onze aandacht ten volle verdient. Dit nu is het geval met de Deense film „Een brandend vraagstuk”. In een der vorige nummers betoogde Bomhof, dat veel wat vroeger taboe was, nu in het licht der openbaarheid staat; zodoende worden misstanden, welke vroeger verdoezeld werden, gezien; hiermee worden zij niet uit den weg geruimd. Doch voordat men uitwassen te lijf kan gaan, moet men weten, waar en hoe ze optreden. Wat weggestopt wordt, is moeilijk te vinden.

De abortus provocatus, toegepast door vrouwen in uiterste nood, maar ook door luxe-wijfjes, stond een 20 jaar geleden in Duitsland in het middelpunt der belangstelling en der openbare discussie; heel wat toneelstukken en films denk maar aan „Cyancali” van Friedrich Wolf en Kienle’s „Vrouwenarts” hielden zich met dit probleem bezig. Ook in Scandinavië mede onder invloed van enkele artsen, als de Sexpoltheoreticus Reich en dr Leunbach ontvluchtte men niet het in ’t openbaar gevoerde debat i.z. abortus provocatus.

In „Een brandend vraagstuk” wordt ons de geschiedenis verhaald van een meisje, dat zich door een nietsnut laat verleiden; de gevolgen uit deze kortstondige verhouding blijven niet uit, zij bedreigen haar levensgeluk. En zij smeekt een bekend arts, haar te helpen. Hij doet het pas, wanneer hij hoort wie de „vader” is. Door de misselijke Don Juan, die er toevallig achter is gekomen, v/ordt hij verraden; men arresteert hem, en voor de rechtbank doet hij het voorouderlijke verleden van de jonge man uit de doeken. Er blijkt, dat de familie waaruit hij is voortgekomen, een stel dronkaards, misdadigers, imbecielen was. Als mens en arts voelde de dokter zich geroepen, het meisje te helpen, om de wereld van kinderen te verlossen, die hoogstwaarschijnlijk erfelijk belast een ongeluk voor de samenleving zouden betekenen.' De arts wordt een gevangenisstraf opgelegd terwijl de jonge, grinnikende nietsnut doorgaat met knappe meisjes het hof