is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 37, 11-06-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde en haar i volheid. Psalm 24 '■ 1 y/

1 'T’ 1 fyd en laak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

No. 37 ■ Verschijnt 50 maal'per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld *

Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’damsZ. Tel. 24386

Abonn. bg vooruithet. per faar f 8.00, halfjaar f4.2i, kwart, f 2.30 plus f 0.13 incasso. Losse nrsfo.li, Postg. 21876, Cem. giro V 4300, Adm. N.K De Arbeiderspers, Hekelveld 13, A’damC.

De wereld spreekt

De laatste oorlogsroman

n.a.v. The naked and the dead (De naakten en de doden) van Norman Maller, eerste druk 1949.

De poëtische glans van een onsterfelijk heldendom ligt over de eeuwenoude oorlogsverhalen. De oorlog van Troje, de oorlogen van Kanaan, de oorlogen om Carthago, de kruistochten, zij leven in de herinnering der mensheid als hoogtepunten in haar geschiedenis, waarin de mens groeide, laat het zijn in pijn en leed, tot zijn volle gestalte. Maar dichter we bij onze tijd komen, hoe meer de glans afneemt. De godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw, de dynastieke oorlogen van de 17e en 18 eeuw vonden geen kunstenaars die ze uitvoerig bezongen en met de opkomst van de roman krijgt de oorlog een ander uitzicht. Tolstoi in zijn „Oorlog” en vrede”, Victor Hugo in zijn „Les Misérables” hebben wel oog voor het heldhaftige, maar zijn veel meer bevangen door het zinloze. Nog sterker spreekt dat bij hun tijdgenoot Stendhal. Waarschijnlijk hangt dit samen met het feit, dat deze romanschrijvers de gewone soldaat ontdekken. In de oude oorlogsverhalen zag men vrijwel uitsluitend de heldendaden der leiders, der aristocraten. Hun avonturen waren evenwel eng verbonden met die van hun volgelingen. Achilles moet het ideaal en de afgod van zijn Myrmidonen zijn geweest, Godfried van Bouillon de inspirerende kracht van zijn feodale volgelingen, maar na de 15e eeuw is de gewone soldaat een huurling, weerbarstig vechtmateriaal voor zijn militaire Overste en met de Franse revolutie treedt „de dienstplichtige” aan. Geen boven-persoonlijk ideaal roept hem op tot vrije dienst, geen levens-innige verbinding met zijn leider brengt hem in beweging, geen Vaderland, maar de Staat dwingt hem, graag of niet, zijn beroep te verlaten en in de militaire dienst te treden, ondergeschikte aan een kader van veelal beroepsmilitairen, die zelf weer hun oorlogsdoel aangewezen krijgen van de Staat. Nog wordt de romantiek van de oorlog kunstmatig in leven gehouden. Maar de waarlijk grote vertellers kunnen er niet meer aan geloven.

Hoe is de grauwe zinloosheid, het mensonterend bedrijf van wereldoorlog nr 1 beschreven in boeken van Erich Maria Remarque, Henri Barbusse, Ernst Glaeser, Arnold Zweig en Roland Dorgelès. De tweede wereldoorlog is nog te kort geleden om reeds de balans op te maken,

maar vergis ik me nfet, dan zullen er twee geheel verschillende producten ter leestafel komen. Voor zover deze tweede wereldoorlog tevens burgeroorlog was, strijd op leven en dood om een ideaal —d e Spaanse burgeroorlog was er het voorspel van! kan men verwachten, een literatuur, die de mens spiegelt niet alleen in zijn verworpenheid maar ook in zijn heldhaftige grootheid, een mens die gekozen heeft en deze keuze gestand doet, een mens die lijdt en toch niet helemaal te gronde gaat of zegevierend bezwijkt. Wat we van de concentratiekampen en van het verzet weten, wettigt dit vermoeden, dat reeds op enige aangrijpende documentatie kan wijzen. Maar er is misschien een ander type roman op komst. Wie de boeken over de eerste wereldoorlog, die ik zojuist noemde, gelezen heeft, mocht menen, dat in die boeken de mens een dieptepunt van ellende en beestachtigheid bereikt had, dat zo dicht bij het absolute nulpunt van de algehele bevriezing der menselijke waardigheid lag, dat het niet overtroffen kon worden naar omlaag, 'maar een boek als dat van Norman Maller kan hem deze illusie benemen. Ziehier de inhoud: in de oorlog tegen Japan moet een onderdeel van het Amerikaanse leger een tot dan toe onbewoond eiland in de Stille Zuidzee veroveren, waar de Japanners zich genesteld en een vliegveld aangelegd hadden. Het boek begint met de invasie en beschrijft dan de vernietiging van het Japanse garnizoen. De lezer volgt van nabij de wederwaardigheden van een kleine sectie infanterist-verkenners, maar hij krijgt ook een kijk op wat er in de hogere rangen omgaat. Hoogtepunt van de roman is een verkenningstocht op dit onherbergzame eiland door deze sectie, die met ontzettende inspanning en offers volbracht wordt, maar achteraf blijkt volkomen overbodig te zijn geweest.

De Amerikaanse roman staat technisch gesproken op een hoog peil, en ook deze jonge schrijver, die handig, maar met mate de techniek van John don Passos toepast, verstaat zijn vak. Achteraf kan men de roman te lang vinden, bij het lezen stoort dit nauwelijks. Toch heeft deze roman me nauwelijks als kunstwerk geboeid, daartoe komt men van de inhoud niet genoeg los. Dat boek is allereerst een openbaring van wat de moderne oorlog aan de mensen vernielt.

Bijna nooit spreken deze soldaten over het doel en de zin van de oorlog. De Staat

heeft ze opgeroepen of ze zijn, omdat ze maatschappelijk vastzaten, maar in dienst gegaan; daar werden ze dril-materiaal voor hun militaire superieuren en ten slotte worden ze losgelaten in de wildernis. ledereen kan weten, dat beschaving gemakkelijk in onze moderne maatschappij een vernis is, dat snel loslaat, als de mens in omstandigheden komt te verkeren, waarin de beschaving zijn levensbewegingen belemmert. Wie dan niet .tevoren zich met de diepere zin der beschaving vereenzelvigd heeft, verliest ze onherroepelijk. Het gaat er in deze roman om, wat er dan nog van de mens rest, en dat is zeker niét: een gaaf dier, maar iets heel anders: een mens, die met zijn losgelaten instincten slechts knagen kan aan alle conventies der beschaving; daarom spreekt hij doorlopend vuile taal, daarom hoont hij elk ideaal, daarom sart en terroriseert hij zijn mede-mens, daarom veracht hij intens elke zachtheid, wantrouwt elke vriendelijkheid, vervangt zijn godsdienst of wereldbeschouwing door een redeloos bijgeloof. Deze mensen zijn ontzettend eenzaam; alle bindingen hebben losgelaten en van hieruit verstaat men hun vuilbekkerij (het sexuele als ik-beleving), hun wreedheid, hun wantrouwen jegens de vrouw, hun gevoel van mislukt zijn (ze' beseffen niet hun waardigheid als deel van egn grotere eenheid of als dienst aan een ideaal), hun redeloze angst, hun kruiperige maar weerbarstige gehoorzaamheid.

Dit mensenmateriaal vindt dan zijn aangepaste leiding in een generaal, die ze murw houdt; hun geen tijd geeft tot zich zelf te komen en hun rampzalig lot te herkennen en die consequent een theorie ontwikkelt, die als twee druppels water lijkt op de theorie van verachting der massa, die de Nazi’s er binnenskamers op nahielden. Als er in dit boek niet enkele figuren voorkwamen, die vechten om zich zelf te handhaven en nog net het hoofd boven dat verstikkende moeras houden, als dit boek niet geschreven was vanuit een duidelijk hoorbaar gevoel van walg, dan zou de lectuur er van zinloos zijn. Zelfs nu krijgt de lezer af en toe de indruk of hij door de glazen wand van een terrarium naar vreemde griezelige insecten zit te kijken, waarmee hij geen wezensgemeeijschap heeft en die hem innerlijk totaal vreemd zijn.

Nu leert hij er uit, ten minste als hij er zich niet van afmaakt door hoogmoedig te smalen op het Amerikaanse beschavingspeil. Hij gaat zich bezinnen op wat wezenlijk is in zijn eigen levensbeschouwing, en hij zal nog een beetje heviger dan hij gewoon was, de moderne oorlog verfoeien, die medemensen zo rampzalig kan maken, dat ze in het lichaam levend of gestorven (het doet er niet toe!) toch in echte zin „naakt en dood” zijn.

J. G. BOMHOFF.