is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 37, 11-06-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V ergaderen

Men moet in Den Haag wonen, om te weten, wat vergaderen is. Maar men moet eerder lange jaren „in de provincie” hebben verkeerd, om te weten, dat er ook nog andere vormen van vergaderen zijn.

Er wordt ontzaglijk veel meer vergaderd dan vroeger. Dat wordt men gewaar, als men de oude reglementenbundel van de Hervormde Kerk neemt. Voorgeschreven zijn: eens per jaar een vergadering van de Generale Synode, drie maal van het Provinciaal Kerkbestuur, vier maal van het Classikaal Bestuur en één maal de classicale vergadering. De ringen en de kerkeraden werden verondersteld vier maal per jaar bijeen te komen, ofschoon oude notulenboeken van plattelandsgemeenten aantonen, dat het gesprek na de preek de veelvuldigheid van kerkeraadsvergaderingen onnodig maakte en men volstond met één maal per jaar het nazien van de boeken. Daar komen wij nu niet meer mee toe Waarom al die vergaderingen? Omdat wij te dicht op elkander wonen en te zamen te veel problemen hebben. Op de oude manier gaat het niet meer. Het rhythme van de rustige wandelaar zijn wij kwijt. Onherroepelijk. Er gebeurt zo veel. En wij merken zo veel. Wij worden voor verantwoordelijkheden gesteld en een aantal lieden laat zich daardoor vangen. Zij vergaderen. Dan eens met die, dan weer in ander verband. En wrie véél vergadert, wordt, zegt men, steeds geschikter om te vergaderen. Vanwege de connectie.

Het vergaderen krijgt een nieuw aanzien. Denken wij aan het vergaderen in de dorpen. Laten wij zeggen, van een afdeling van „Volksonderwijs”. In de cafézaal. Alle caféhouders van het dorp zijn lid van alle verenigingen en daarom vergadert men bij toebeurt. De voorzitter opent lang en omslachtig. De secretaris leest notulen voor, die nooit iemand zal herlezen, tenzij er een jubileum op komst is. De rekening wordt goedgekeurd. Dan is er pauze. En lange pauze. De avond moet om. Het is gezellig. Niemand denkt er aan, problemen aan te snijden. Men is verheugd, als het bestuur blijk geeft van strijdvaardigheid en de bedreigde veste verdedigt. Na de pauze wordt verteld, wat men in het komende jaar zal doen. Wéér schooimelk, wéér een sintnicolaasfeest. Wéér een propaganda-avond met een toneelstuk uit eigen dorp en een spreker uit de stad. Dan de rondvraag. Omdat men nog niet wég wil, stelt iemand een vraag. Dat vindt de vergadering prachtig. Daardoor weten de leden: wij zijn niet onmondig. Het gaat hier democratisch toe. Trouwens, dat wist men ook wel. Want er was ook nog bestuursverkiezing geweest. Let op, hoe dat gaat. Er is een vacature. Er wordt vrij gestemd. Eenmaal, tweemaal, herstemming. Steeds worden alle briefjes hardop voorgelezen, onder dodelijke stilte. Sommige actievelingen turven mee. Er is een spanning als bij een windhondenrace. Het neemt tijd en het is gezellig. Het is bovendien oer-democratisch.

Dit alles gedaan zijde, gaat het bestuur het hele verdere jaar zijn kalme gang, noch ter linker, noch ter rechterzijde afwijkend Een paar mensen doen het werk. En zij zuchten daar niet bij. Anderen, behalve dan de hoofdonderwijzer en de dominee, die overal

in zitten, doen weer ergens anders ander werk en zo functionneert de doprsgemeenschap.

Maar in de grote stad gaat het anders. Daar vergaderen besturen en de commissies. De geroutineerden en hun stenograferende secretaressen. Daar heeft' zich een stand van vergaderenden zich ontwdkkeld en zij zitten overal in. Zij bundelen werk samen, en dan komt er een federatie. De verschillende geestelijke eilanden, waar wij met elkaar op leven door gelijke posttarieven, belastingbiijetten en door de Kroon nochtans verbonden zijn niet meer geïsoleerd voor de stand der vergaderenden. Zij vinden elkander in de „top”. Daar komen zij mild, verdraagzaam, onbuigbaar echter, wanneer het een „beginsel” betreft en zoeken naar iets gemeenschappelijks. Zo binnenskamers blijkt er méér te zijn, dan naar buiten wel mag blijken. Nu zien wij twee dingen gebeuren:

In de eerste plaats, dat de massa, de leden, zich van dat alles niet veel aantrekt. Vroeger, nog op het platteland wonend, heb ik mij wel eens met wrevel geuit over dat trage vergaderen. Ik moet nu bekennen, dat dit een der veie zonden mijner jonkheid was. Want nu, in de grote stad, vergaderen wij natuurlijk veel beter, veel sneller, veel doeltreffender maar niemand trekt zich er veel van aan.

Bewijzen? Vraag aan de secretaris van uw partij-afdeling, hoeveel percent van de leden gewoonlijk ter vergadering komt. Dat zal tussen 5 en 10 % liggen. En dan moet gij bedenken, dat de Partij van de Arbeid een der best georganiseerde partijen is, waar levendige belangstelling in haar wel en wee bestaat. En gij moet dan bovendien bedenken, dat hoogstens 10 % van de kie'- zers lid van de Partij is. D.w.z.: hoogstens 1 a 1 % van alle kiezers neemt deel aan discussies, bespreekt de candidaten voor gemeenteraad, doet actief mee aan de oordeelsvorming van het volk.

Zo is het in de politiek. Zo is het in het kerkelijke leven, al is de deelneming aan de

gemeenschappelijke erediensten aanzienlijk intenser. Zo is het met alle maatschappelijke vraagstukken. Die ieder aangaan. Drankbestrijders, reclasseringsbewegingen, volkshogescholen, radioverenigingen, volksuniversiteiten, allen klagen er over, dat het gemeenschappelijk dragen van verantwoordelijkheid niet bestaat, dat het enkelen zijn, die het doen. Alleen de massabijeenkomsten, de demonstraties, de vergaderingen-met-kwesties die doen het. En ondertussen is er een vreemdheid tussen hen die leiden en alle anderen, die een gevaar voor de democratie is.

In de tweede plaats dit: de klasse van vergaderenden staat aan een bijzonder gevaar bloot. Namelijk dat het een aparte stand wordt. Met eigen klimaat. Met eigen gezelligheid vooral. Dat de sociëteiten het niet meer „doen” komt, doordat de vergaderinren, vooral de regelmatig voorkomende, deze functie hebben overgenomen. Het vergaderen wordt doel in zich zelf. Het wordt een levensbehoefte van bepaalde mensen. Met een eigen liturgie, met een eigen taal, met een eigen erecode en eigen gewichtigheid. In deze stand schuilen de mannen en (gelukkig minder) vrouwen, die zich martelaren wanen, omdat zij „alleen” gelaten worden, omdat zij het werk voor anderen opknappen. Zij zien neer op die velen, die niet aan organisatie doen. Onder hen vindt men de echte organisatie-man, die een reeks huldigende sprekers aan zijn graf zal hebben staan.

Deze kant van het vergaderen nemen wij weinig in het oog. Wij zijn zó ingesponnen door de gedachte, dat vergaderen noodzakelijk is, dat wij het on-wijze, het eigenmachtige er van als gevaar nauwelijks onderkennen.

En wat moeten wij daaraan doen? Twee dingen, als ik goed zie. Ten eerste: een dieper inleiden door opvoeding op school in onze gemeenschappelijkheid. Democratie staat en valt, zei prof. De Graaf eens op college, met opvoeding tot democratie, d.w.z. tot verantwoordelijkheid. Daardoor alleen worden de samenhangen duidelijker èn het vertrouwen in leiding sterker.

Ten tweede: met behoud van democratische controle, sterker overdracht van bevoegdheden aan „leiders”. Dat kan alleen, als wij waarlijk een gemeenschap weten te vormen.

Ach, zo komen wij weer op hetzelfde punt; laten wij arbeiden aan een sterke redelijk en geestelijk bewuste gemeenschap. L. H. RUITENBERG

PafeisaJji

De ministers Drees en Van Maarseveen hebben mededelingen gedaan over de zaak Pakisadji.

Wij hebben in Tijd en Taak uitvoerig over deze zaak geschreven en geprotesteerd tegen de naar onze overtuiging schandelijke vonnissen die door de Zeekrijgsraad en het Hoog Militair Gerechtshof over de drie soldaten, die weigerden een kampong in brand te steken, werden uitgesproken. De ministers delen op grond van het ingestelde onderzoek mee, dat van een représaille-maatregel geen sprake was. Het afbranden van de kampong was militaire noodzaak. Deze mededeling is gegrond op de verklaringen van de commandanten, die voor het verbranden van de kampong verantwoordelijk zijn. Hun inzicht wordt gedeeld door de Zeekrijgsraad en het Hoog Militair Gerechtshof.

Uit de mededelingen blijkt niet dat men ook de vlootpredikant, die alles meemaakte, gehoord heeft.

Wij begrijpen, dat het voor ministers, die in Nederland vertoeven, uitermate moeilijk is, een onpartijdig onderzoek te doen instellen. Maar laten deze ministers begrijpen, dat wij enigermate sceptisch daar tegenover het resultaat van dit onderzoek, wanneer het uitsluitend gegrond is op de verklaaringen van hen, die van het afbranden van de kampong de verantwoordelijkheid dragen, en van de beide rechtbanken, wier vonnissen in hun rechtmatigheid door ons betwijfeld werden.

Wij zijn geneigd te veronderstellen, dat bij deze wijze van onderzoek bij elk geval, dat aan de orde komt, blijken zal, dat van militaire noodzaak moet worden gesproken. Er wordt ons niet verteld, welke instantie het onderzoek heeft ingesteld, terwijl dat toch juist van de allergrootste betekenis is. Immers, wanneer het niet geschiedt door een onpartijdige en onbevooroordeelde in-