is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 39, 25-06-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder ons wonen in de maatschappelijke verhoudingen.

Dezelfde houding nemen wij aan in het Indonesische conflict. Wij zijn realist genoeg om te erkennen, dat er ook aan deze wereldhistorische strijd kwade kanten zitten ■— de inzender zal wel voor 100 % gelijk hebben, wanneer hij zegt dat, wanneer het Nederlands gezag verdwijnt en vervangen wordt door het Republikeins, er onmiddellijk een peildaling optreedt, ondernemingszin, organisatievermogen en zin voor kwaliteit achteruitgaan heeft men niet ook aldus, en met zeker recht, verantwoordelijkheid der arbeiders tegengehouden, omdat zij de kennis en bekwaamheid misten? Maar dit alles raakt de kernvraag niet; die ligt in de erkenning van het zedelijk recht der Indonesische revolutie. Alweer: wij zijn realist genoeg om te beseffen, dat ook deze machtsstrijd vormen aanneemt, verschijnselen oproept, leed te weeg brengt, verwoestingen aanricht, die wij niet alleen ten diepste betreuren een vrij goedkoop geval overigens tegenover de historie, die zich daarvan niet veel aantrekt maar die ook een vergroting van onze schuld door God betekenen. In deze strijd, die als elk groot historisch gebeuren, beheerst wordt door gemengde motieven, soms zéér hoge en edele, soms brute en misdadige (óók aan de kant van hen, die het zedelijk recht aan hun kant hebben) staan hier en daar ook christenen. Ik erken: het verheugt mij diep, wanneer een christen tot de conclusie komt: in deze machtsstrijd, die in wezen een strijd om vrijheid is, behoren wij bereid te zijn onze voorrechten, onze machtsposities, ons bezit op te geven en het dienen te betrachten. Dè,t heb ik gehoord in de door mij geciteerde woorden van Supomo zij behoorden vooral door Nederlandse christenen gezegd te worden.

De inzender in ons vorig nummer legt de nadruk op „onze duidelijk nog bestaande verantwoordelijkheid”, die wij moeten blijven uitoefenen, te zamen „met het uiterst geringe aantal toegewijde en bekwame Indonesische werkers.” Dat is een mooie uitdrukking voor een lelijke en onmogelijke zaak. Ik ontken stellig niet, dat wij in Indonesië nog „verantwoordelijkheid” hebben maar onder dit ethisch klinkende woord gaan óók schuil nuchtere kapitaalbelangen en machtsposities. En als zo nadrukkelijk wordt gezegd, dat het aantal toegewijde en bekwame Indonesische werkers zo uiterst gering is, dan komt deze „oplossing” neer op een handhaving van de Nederlandse oppermacht. Ik meen, dat wij moeten vragen van Nederland de bereidheid om van voorrechten en machtsposities afstand te doen, en alleen te dienen zonder berekening dat is niet alleen nodig ter wille van Indonesië dat zijn vrijheid begeert en eigen leven onder eigen verantwoordelijkheid wil leiden; het is bovenal nodig ter wille van ons eigen volk, dat misschien in erger slavernij verkeert dan het ontwaakte Indonesië.

Of wij voor deze bereidheid ons mogen beroepen op het Evangelie? Er is, gegeven de zwendel die er in christelijk Nederland met de termen „om Christus’ wil” enz. wordt gepleegd, alle reden om het in de openbaarheid na te laten. Maar als ik mijzelf in mijn binnenste de vraag voorleg, of een opgeven van machtsposities, een afstand doen van economische belangen in een strijd waarbij het zedelijk recht aan de kant van Indonesië is, gemotiveerd mag worden met een beroep op Bijbel en Evangelie dan is mijn antwoord: hoe anders? Daarom hebben m.i. de mensen van de Zending het laatste gelijk aan hun kant, als zij een radicale vrijheidspolitiek bepleiten „om Christus’ wil”, W. B.

slem uil <Juclouesië

Sedert enige tijd bestaat er een vrij geregelde correspondentie tussen Indonesische en Nederlandse socialisten. Eén hunner, een jonge Indonesiër, lezer van Tijd en Taak, op verre afstand deelnemer aan het Centrum voor geestelijke en sociale scholing, zond mij onlangs het volgende artikel ter plaatsing' 'in Tijd en Taak.

'Wat hij schrijft is in dit blad door anderen reeds een of meermalen aan de orde gesteld: doch dit waren in hoofdzaak Nederlandse stemmen. Het doet ons goed dat wij deze overtuigingen ditmaal van een Indonesische geestverwant mogen lezen. Hij verontschuldigde zich in een bijgaand briefje voor zijn stijl, het Nederlands blijft een vreemde taal voor hem. "Wij plaatsen zijn artikel ongewijzigd. U moge zelf beseffen en dankbaar waarderen, wat het betekent om in onze eigen taal met een Indonesische geestverwant op deze wijze te kunnen spreken over wat hen èn ons zo bitter en gespannen gescheiden èn verenigd houdt. A. VAN RIEMEN

Mag ik me even bekendmaken. Mijn naam is Hinka en ik behoor eveneens tot die grote groep van jongeren (Pemuda’s) die lijf en goed over hebben voor de verwezenlijking van het Indonesische ideaal; de vrijheid van ons land en volk!

Doch ik behoor eveneens tot die kleine, zeer kleine groep uit ons volk die op het ogenblik nog blijft geloven dat slechts een „vriendschappelijke samenleving” van Holland en Indonesië als volkomen gelijkwaardige partijen, ons volk ten goede kan komen.

Neen, daar is op het ogenblik hiervoor helemaal geen reden om „optimistisclt” te zijn. De gedachte aan de laatste „politionele actie” werkt hiervoor niet bepaald „aansporend” of bemoedigend. „Vruchtbare resultaten” hebben de „politionele acties” noch Holland noch Indonesië gebracht. Natuurlijk mag Holland naar aanleiding daarvan van „terreinwinst” spreken. Doch aan het doel van de kapitalisten heeft de terreinwinst niet beantwoord. De „onrustige toestand” is daardoor slechts verscherpt.

De Van Royen-Rum-overeenkomst is gesloten!

Geen van beide partijen kan hier van „winst” spreken. Wij beschouwen dit slechts als een stap in de goede richting. Een stap naar de verwezenlijking van ons aller ideaal! Neen, het tijdperk van „rust en orde” heeft zich nog niet aangekondigd, zal zich nooit in Indonesië aankondigen zolang Nederland met de bajonet op het'geweer

ons zijn „veiligheid en recht” wil opdringen.

Wij jongeren zijn ons er terdege van bewust dat wij voorlopig ten behoeve van ons land en volk de hulp van het buitenland nodig hebben. In dit opzicht heeft Nederland ons 3i eeuw „dom” trachten te houden. Met Nederland bedoel ik hierbij niet het Nederlandse volk doch de kapitalisten die ons Indonesië slechts als kolonie willen zien. Daartegen hebben wij de strijd opgenomen.

Dr Beel heeft zich genoodzaakt gezien zijn ontslag te nemen. Zal de heer Lovink een andere koers inslaan? M.a.w. heeft de Ned. regering de noodzaak nu eveneens ingezien om een andere koers in te slaan? Het hoeft niet noodzakelijk te zijn dat wij als „vijanden” van elkaar gaan. Als gelijkwaardige partij van Nederland wensen wij aan de toekomst te werken.

Nederland zal niet gebaat zijn met het verlies van onze vriendschap. Indonesië zal niet gebaat zijn met zijn zgn. nieuwe vrienden.

Tot slot wil ik hier de volgende woorden van Raden Mas Noto Suroto aanhalen, woorden die enkele tientallen jaren terug te boek zijn gesteld (Kleurschakeringen uit „Oedaija”), doch naar mijn mening nog gelden.

„En ik herhaal nogmaals: even als het wèlbegrepen eigenbelang van de Nederlander eist, dat de Archipel Nederlands blijft, even zo eist het wèl-begrepen eigenbelang van de „inlander” dat er in de toekomst een sterke Indonesische eenheid ontsta, die weerstand kan bieden tegen de landhonger van vreemde machten. Reëel meen ik ook te zijn, zo reëel, dat ik zelfs rekening houd met de realiteit van het verre verschiet, deze nl., dat een koloniale mogendheid, die haar bezitsrecht niet weet om te zetten in gen waardering van hogere orde, op den duur niet eens aanspraak zal vermogen te maken op de vriendschap van de te zijner tijd mondig geworden koloniën. Wie de juistheid van mijn opvatting betwijfelt, toetse die eens aan het oordeel van een hoogleraar in de koloniale politiek, of vergelijke die met wat „De Maasbode” in zijn nummer van 8 Mei ’25 geschreven heeft: „En wie hiermee (nl. met de overtuiging, dat de onderworpenheid van het ene volk aan het andere niet eeuwig kan duren) geen rekening houdt in de algemene opzet zijn koloniale politiek, komt bedrogen uit. Het is daarbij niet de vraag, hoe men de ontwikkeling der kolonie tot zelfstandigheid, hare vrijwording, zo lang mogelijk kan tegenhouden maar de allesbeheersende vraag is, hoe men die vrijwording, die opgang ter zelfstandigheid zo geleidelijk mogelijk kan doen geschieden, hoe die vrijheid en zelfstandigheid zo hecht mogelijk te funderen.” Djakarta 30-5-’49. HINKA