is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 40, 02-07-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ideaal en opdracht

Otto de Nobel vertelde eens over het ontstaan van „Morgenrood”, het lied dat wij talloos vele malen zongen en hoorden zingen. Het was geen verhaal over een moeizame geestelijke worsteling, een scheppingsstrijd. Het lied ontstond spontaan. En volgens de componist kwam dat, omdat hij zich gedragen wist door een gemeenschap van bezielde socialisten, allen bezield en gestuwd door het ene ideaal. Toen móést het lied komen. Nu wordt er een prijsvraag uitgeschreven voor nieuwe socialistische liederen. Het gaat niet meer vanzelf, het komt niet meer uit innerlijke drang voort. Dat wijst op het verzwakken van onze bezieling, in vergelijking met het socialisme van vijftig jaar geleden, en op een verschraling van onze scheppingskracht.

Hoe komt het toch, dat velen klagen over de verzwakking van onze bezieling? Het zijn de slechtsten niet, die zich in de organisaties van de socialistische beweging van thans maar moeilijk thuis kunnen voelen. Er zijn er, die zich in hun socialisme verraden voelen, die vereenzamen en verbitteren, juist omdat zij in de beweging missen die bezieling, dat zekere geloof in de verwerkelijking van het socialistisch ideaal, waaruit zij altijd geleefd hebben en' waaruit zij nog willen leven, maar dat steeds weer wordt aangevochten van alle zijden. Zij waarderen in het socialisme van thans het koele hoofd en de werkzame hand; maar zij missen het warme hart, dat brandt van verlangen naar het ideaal van een volmaakte, klassenloze, rechtvaardige samenleving en dat gloeit van verrukking, omdat het kómt.

Waaruit is dit gemis te verklaren?

Ten eerste heeft voor velen in onze tijd het ideaal van een socialistische maatschappij de glans van het volkomene verloren. Wij zijn in een tijd van twee wereldoorlogen, werkloosheid, voortgaande beschavingsafbraak en nieuwe bedreigingen dieper bewust geworden van de zonde en de onmacht van de mens, die overal waar hij iets onderneemt, de zaak altijd weer bederft; wij geloven niet meer in de mogelijkheid, dat de mens ooit het volkomene bereiken zal. Het volmaakte kómt, heeft het Evangelie ons beloofd. Gods Koninkrijk is het smetteloos-volmaakte. Maar de mens in zijn schuldige onmacht zal er niet toe opklimmen. Het zal tot hem neerdalen als het grote Wonder aan het einde der tijden. De mens zal dit volmaakte nooit bereiken; het zal hem bereiken, als een genade. Het smetteloze wit van Gods Koninkrijk zullen wij niet schilderen. Wij kunnen hoogstens door het zwart van het leven op aarde hier en daar wat wit brengen; wij kunnen in donkerder of lichter grijs leven. Want de wereld, waarin wij leven, de mensheidsgeschiedenis, is de tijd van de verschillende grijzen, nooit de tijd van het smetteloze wit. Daarmede is ons socialistisch ideaal onttroond. De socialistische maatschappij is het laatste niet; het is het vóór-laatste, en nog altijd grijs. Wij moeten, ook in deze tijd, streven naar dit vóór-laatste. Maar het romantische streven naar het volkomene is dit niet meer. En met de romantiek verdween een stuk bezieling. Dit brengt mij op het tweede, nl. dat het

socialisme dichtbij is gekomen. Dingen, die veraf zijn plegen mensen te bezielen juist door die verte. Ze roepen sterke gevoelsreacties op en wekken bij de idelalistische mens geestdrift en dweepzucht op. De socialistische strijd heeft in een vroegere periode een sterk emotioneie zijde gehad. Wij mogen hier nooit smalend over spreken. Het heeft immers tallozen bevrijd van wanhoop, moedeloosheid, sleurleven. Het heeft de meest gevoelige naturen tot de socialistische beweging getrokken en het zijn deze juist, die het thans moeiiijk hebben, nu de bekoring van de verte verdwenen is. Want wij leven niet meer in een tijd van kapitaiisme zonder meer. Wij leven ook niet in een tijd van verwezenlijkt socialisme. Wij leven in een tussentijd. Doch juist zulk een tussentijd, waarin wij op weg zijn naar socialistische verwezenlijkingen, waarin wij een machtige herordening en omvorming van alie maatschappelijke en culturele leven ervaren, juist zulk een tijd eist een grote mate van bezonnenheid, trouw en plichtsbesef, eist stugge en stage arbeid aan nieuwe organen; zulk een tijd verdraagt dan evenmin een vrijblijvend dweper met het verre ideaal. Maar wanneer het meer de arbeid aan wat bezig is te groeien en minder de strijd om het volkomene en onbereikbare is, dat ons socialisme van thans bepaalt, dan gaat een deel van het socialistisch sentiment verloren.

Dat hangt samen met een derde oorzaak, nl. dat wat wij thans socialisme noemen niet meer het gehele geestesleven van de mens bepaalt, maar slechts een deel van het geestelijke leven geworden is. Er is een tijd geweest, dat het socialistisch geloof de ganse inhoud van het geestesleven der proletariërs en hun leiders bepaalde. Er waren niet alleen een socialistische politiek en maatschappij-opvatting, er waren ook een socialistische wereldbeschouwing, mensbeschouwing en moraal, er waren oog een socialistische levenshouding en gedrag. Het socialisme legde beslag op de gehele mens. Later is dat voor velen anders geworden. Het socialisme schrompelde ineen en bleef voor zeer velen alleen nog maar: een geheel van maatregelen en doelstellingen tot het vormen van een rechtvaardige samenleving en een zedelijk verantwoordelijkheidsbesef, dat hieraan de stoot gegeven heeft. Maar de achtergrond van dit sociaiisme, de bron, ligt op een ander vlak. Dat is een mens- en wereldbeschouwing, die niet noodwendig socialistisch is, maar evenzeer tot andere maatschappij-opvattingen heeft geleid in de Europese cultuurgeschiedenis; ik bedoel: het christendom en het humanisme in ai hun vormen en gestalten. Wij vinden in de Partij christenen en humanisten van allerlei slag, verbonden door één zedelijk verantwoordelijkheidsbesef en één socialistisch maatschappij-ideaal. Hun socialisme is echter geen gelóóf meer; het is de maatschappelijke vorm, waarin zij de eisen van het geloof verwerkelijken. Het socialisme legt geen beslag meer op de gehele mens, alleen op zijn houding tegenover de wereld. Het is niet meer totalitair, het is fragmentair. Wij geven ons aan het socialisme niet meer over met ziel en lichaam. Maar wanneer

het aldus naar een bescheidener plaats in ons leven wordt teruggedrongen, dan heeft het ook minder macht over ons en gaat er minder bezielende kracht van uit.

Wanneer ik dan zou moeten zeggen, wat dan wèl de drijfveer is, die ons —■ in alle gebrekkigheid en onder veel geploeter doet meeleven in de socialistische strijd, dan geloof ik, dat wij thans minder de nadruk leggen op een leven uit het ideaal, omdat wij in deze tijd voorzichtig zijn geworden met idealen en weten, dat de kracht die daarvan uitgaat ons begeven kan; maar dat wij thans onze bezieling moeten zoeken in een leven uit de opdracht. Want in alle teleurstellingen, die deze tijd ons bracht, weten we, dat er toch maar één weg is voor de mens van heden in de maatschappij; dat is de weg naar een ordening in gerechtigheid en vrede. Ook al zijn we sceptisch geworden ten aanzien van de komst van het socialisme, we weten, dat we móéten streven naar een rechtvaardiger verdeling van stoffelijke en geestelijke goederen. Het moet: er is Eén, die ons deze opdracht geeft. En wie daardoor gegrepen is, die kan niet anders. Zijn kracht en bemoediging liggen in de elke dag weer hernieuwde opdracht. Die zal ons nooit begeven. Het is een veiliger weg, te leven uit deze opdracht dan te leven uit het ideaal.

Wanneer de socialistische beweging het zou klaarspelen om hierin haar nieuwe bezieling te gaan zoeken, dan zie ik twee nieuwe mogelijkheden voor haar. Ten eerste zou het haar mogelijk worden om, beter dan velen het thans kunnen, het met de teleurstellingen klaar te spelen. Wij zouden bevrijd worden van het krampachtige vasthouden aan een wijkend ideaal en bevrijd ook van veel bitterheden en onenigheid. Ten tweede zouden socialisten van verschillende geestelijke behuizing elkander beter gaan verstaan. Het idealisme is voor orthodoxe christenen, met hun sterk besef van zonde en onmacht, nu eenmaal een grote belemmering om hun humanistische Partijgenoten te verstaan, en omgekeerd. Weten wij ons allen geroepen en gedreven door de éne opdracht, dan is er een slagboom tussen de groepen, waaruit onze Partij is samengesteld, opgeruimd en kunnen wij elkander vinden in een en dezelfde geestesbeweging. Het is de taak van hen, die zoeken naar de geestelijke achtergrond van het socialisme, om nu te gaan uitwerken wat het voor de socialist van thans betekent: te leven uit

de opdracht. H. J. DE WIJS

'Bentveld-mei/ws

Internationale conferentie van Religieus-socialisten 5-8 Augustus Bentveld. Om de twee jaar vindt een conferentie plaats van de „Internationaler Bund religiöser Sozialisten”. Ditmaal in Nederland. Uit verschillende Europese landen Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Zwitserland enz. worden afgevaardigden en belangstellenden verwacht. Voor zover de ruimte dat toelaat, zijn Nederlandse belangstellenden hartelijk welkom. Tijdige aanmelding is echter zeer gewenst, daar het aantal toe te laten Nederlandse belangstellenden uiteraard beperkt is. De voertaal is Duits, enkele voordrachten worden in het Frans of Engels gehouden. Leiding: Frau Professor Ragaz, Erevoorzitster. Hermann Bachman (Zwitserland), Voorzitter. Maurice Laudrain (Frankrijk), Secretaris. Jack Boggis (Engeland), Peimingmeester. Nederlands comité: Prof. dr W. Banning, voorzitter van de A. G. der Woodbrookers. Ds L. H. Ruitenberg, lid van het bestuur der Internationale Bond van religieus socialisten. Ds A. van Biemen. Programma:

Opening: Zaterdag 9.30 uur. Toespraken der afgevaardigden Zaterdag 10 uur.