is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 41, 09-07-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gesprek over het Communisme

In de nrs 2, 9 en 16 April van dit blad schreef ik onder de titel „noodlottige herhaling” over de bestrijding van het nationaal-socialisme en het communisme. Dezelfde fouten die indertijd gemaakt zijn t.a.v. het nationaal-socialisme maken we nu t.o.v. het communisme. Door alle energie te verspillen aan de verkeerd gerichte bestrijding blijft er zo goed als geen activiteit over voor een wezenlijk nieuwe opbouw, vooral op oeconomisch-sociaal terrein. Het nationaal-socialisme moest bestreden worden: door de principiële verwerping van de ideologie, door de radicale verandering van de internationale situatie waaruit het nationaal-socialisme kon ontstaan, door een progressieve anti-werkloosheidspolitiek, door een volks-vorlichting en volksopvoeding waarbij niet het militaire geweld als enig afweermiddel werd aangeprezen, maar waarbij het bovengewelddadige verzet, de kracht van het „neen”-zeggen, centraal werd gesteld.

Het communisme, zoals dit op ons afkomt in zijn Russische gestalte, moet ook bestreden worden. Maar ik zeg er dadelijk bij: op een totaal andere wijze dan dit op het ogenblik geschiedt.

En nu zitten we midden in de moeilijkheden. Wie „op een totaal andere wijze” het communisme bestrijden wil, wordt een even vreemd en onwerkelijk verschijnsel geacht als hij, die indertijd het nationaal-socialis'me op een totaal andere wijze bestrijden wilde.

De communist zegt: „gij zijt tegen ons”. En de huis-tuin-en-keuken-anti-communist zegt hetzelfde. Er is wantrouwen van beide kanten.

Het wordt ook bijna onmogelijk om gewoon naar elkaar te luisteren. Prof. Banning heeft hierop in het nr van 28 Mei gewezen naar aanleiding van enkele opmerkingen van prof. dr J. Barents.

Dit niet meer naar elkaar kunnen luisteren wordt hoe langer hoe erger. Waneer v. S.

uit mijn artikelen meent te moeten opmaken, dat ik „een soort onduidelijk sympathiserend standpunt” inneem tegenover het communisme (T. en T. van 16 April), wanneer drs J. G. v. d. Ploeg uitroept: „Geen gepraat: ze bedoelen het toch zo goed” en even verder zelfs suggereert, dat ik alles maar met de „mantel der liefde” wil bedekken (Tijd en Taak van 23 April) —• dan vraag ik mij met schrik af: zijn we al zó ver?

Ik wil in enkele artikelen trachten in te gaan op verschillende opmerkingen, die gemaakt zijn door v. S., drs J. G. v. d. Ploeg en mr J. P. Hogerzeil (Tijd en Taak 16, 23 April, 14 Mei). Ik ben heel dankbaar voor hun opmerkingen, die ik ernstig op mij heb laten inwerken: het belang van de zaak is dit waard.

Communisme en nationaal-socialisme.

Tegen mijn conclusie: het anti-kapitalisme, het feit, dat we de doelstelling kunnen aanvaarden, het anti-rassisme, maken het ons onmogelijk communisme en nationaalsocialisme gelijk te stellen is nogal wat verzet gerezen, vooral van de kant van drs V. d. Ploeg.

Ik wil hierop het volgende antwoorden:

Een constructieve idee.

1. Karl Barth spreekt in zijn boekje „Die Kirche zwischen Ost und West” ook over het verschil tussen communisme en nationaal-socialisme. Hij wijst er met nadruk op, dat wij onderscheid moeten maken. Men kan van het communisme niet zeggen, wat men van het nationaal-socialisme 10 jaar geleden zeggen moest: dat het ging „um helle Unvernunft, um eine Ausgeburt des Wahnsinns und Verbrechens”. Wat in Sowjet-Rusland —■ inderdaad: met besmeurde, bloedige handen —■ aangepakt is, wordt gestuwd door een constructieve idee. Het gaat om de oplossing van een probleem.

dat ook voor ons actueel en urgent is en dat wij met onze schone handen nog lang niet energiek genoeg hebben aangepakt: het sociale probleem.

Zolang men dit (nog steeds laat ik Barth aan het woord) bij alle waardering van de wil van de Britse Labour-party —• van het Westen als geheel niet kan zeggen, zolang er in het Westen nog een „vrijheid” bestaat om oeconomische crises tot stand te brengen, een „vrijheid” om hier graan in zee te werpen, terwijl elders honger geleden wordt, zolang is het ons als Christenen verboden het Oosten een onvoorwaardelijk „neen” in het gelaat te slingeren. Barth noemt nog enkele verschillen tussen nationaal-socialisme en communisme, waarmee ik het ten dele wel, ten dele niet eens ben. Ik wil nu alleen maar hierop de nadruk leggen: in het communisme is een constructieve idee werkzaam, die ook voor ons aanvaardbaar is van een voor ons aanvaardbare constructieve idee merken we niets bij het nationaal-socialisme.

De midelen waarmee men deze constructieve idee tracht te realiseren verwerpen wij. We doen dat met te meer recht, omdat we ook totale geweldsmiddelen verwerpen bij de verdediging van vrijheid en democratie.

Ook Berdjajew had wel degelijk oog voor deze constructieve idee in het communisme, ondanks zijn felle bestrijding van het Russische communisme.

Aantasting der klasseverhoudingen of niet

2. Het communisme stelt het probleem „kapitaal en arbeid” centraal, de realisering van de nieuwe socialistische, communistische maatschappij. Het nationaalsocialisme doet dit zeer beslist niet: de klasseverhoudingen blijven onaangetast. De socialistische eisen in het nationaalsocialistische program van 1920 zijn al spoedig vervaagd. In 1928 verklaarde Hitler, dat de N.S.D.A.P. op het standpunt van de onschendbaarheid van het particuliere bezit stond. Over socialisatie werd niet meer gesproken. Het woord „Socialisme” werd met een inhoud gevuld, die de status quo op oeconomisch gebied handhaafde. Wie van de zwendel in het nationaal-socialisme bedreven met het woord ,socialisme”, nog eens overtuigd wil worden, leze Herbert Tingens „De nationale dictaturen” (blz. 115 —135: het „socialisme” in het nationaalsocialisme).

Het is daarom volkomen onjuist om, wanneer men de doelstelling van het communisme heeft omschreven als: een einde maken aan de dictatuur van het kapitaal en de uitbuiting van de arbeiders, te zeggen: deze doelstelling is even goed die van het nationaal-socialisme te noemen.

Ras of gerechtigheid.

3. Even onmogelijk als het is over het communisme te spreken zonder het sociale probleem dadelijk aan de orde te stellen, even onmogelijk is het over het nationaalsocialisme te spreken zonder de rassenkwestie te noemen.

Niet voor niets is het eerste hoofdstuk van Rosenbergs „Mythus” getiteld: „Rasse und Rassenseele”. En de voorlaatste zin uit Hitlers „Mein Kampf” luidt: „Ein Staat, der im Zeitalter der Rassehvergiftung sich der Pflege seiner besten rassischen Elemente widmet, muss eines Tages zum Herrn der Erde werden”.

De mythe van het ras (nat. socialisme) staat hier tegenover de mythe der sociale gerechtigheid (communisme).

Barth wijst er in het bovengenoemde boekje op, dat het communisme zich niet aan anti-

in een streek als het Groningse veengebied niet een zeker aantal naar de communistische partij gaan, is minder zeker.

Vooral zullen we hierbij moeten denken aan hen, die praktisch buiten de Hervormde Kerk leven (de „rand-kerkelijken”), maar die bij gelegenheid van een volkstelling toch nog een zekere (actuele of door familie-traditie bepaalde) affiniteit met de Ned. Herv. Kerk gevoelen.

Een hoog percentage zal dit over het gehele land gerekend toch echter niet zijn.

Er blijft weinig anders over dan de conclusie te trekken, dat in een veel groter aantal dan men zich doorgaans realiseert mensen, die zich toch nog —• in allerlei gradaties —■ verwant voelen aan of verbonden voelen met de Ned. Herv. Kerk hun stem uitbrengen op de P.v.d.A. Nu is hier onmiddellijk de opmerking te maken: door het zeer grote aantal Hervormde „randkerkelijken” dit als tegenstelling tot: bewust kerkelijk-meelevenden mag het percentage Hervormden volgens de volksteling in zekere zin onreëel worden geacht.

Daar staat echter tegenover, dat de Ned. Herv. Kerk zeer beslist ook deze mensen nog tot de Hervormden wil blijven rekenen en zich gelukkig ook inspant om haar band met deze mensen te versterken of te herstellen. Bovendien: waar ligt hier de scheiding en wie zal die precies vaststellen?

Tenzij aangetoond zou kunnen worden, dat bovenstaande becijfering er finaal naast is, zouden de volgende opmerkingen misschien de moeite van het overwegen waard zijn: 1. In de Ned. Herv. Kerk (in brede zin) ligt de politieke situatie anders en ingewikkelder dan doorgaans wordt gedacht. Is de voorgaande schatting in grote lijnen juist, dan betekent dit bijv., dat de C.H.U. nauwelijks i vertegenwoordigt van hen, die zich nog Hervormd noemen (met A.R. en S.G.P. er bij nog niet eens de helft); dat er ook nog vrij sterke liberale tendenzen zijn binnen deze „Hervormde” groep; dat de socialistische (althans voor het socialisme kiezende) groep allerminst een „quantité négligeable” is. Dat bovendien veel Hervormde socialisten wel terdege tot de zeer meelevende kerkmensen behoren, is een feit, dat langzamerhand bekend genoeg mag worden geacht.

2. Er zou uit deze schatting ook blijken, welk een groot verschil in structuur er, politiek gezien, is tussen de Ned. Herv. Kerk en de Geref. Kerken. Een verschil, dat men vooral van rechts m.i. vaak onderschat en dat de Ned. Herv. Kerk voor zeer speciale vragen stelt. J. HULSEBOSCH.

P.S. Het bovenstaande sommetje is geen origineel bedenksel, maar werd mij aan de hand gedaan door een Hervormd predikant; geen „P.v.d.A.-man”.