is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 46, 20-08-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweeërlei cri Hek

De kleine critiek ligt ons: zij is gewoonlijk ons dagelijks bedrijf. Ons d.w.z. ons gewone mensen. Wij zitten in de maatschappij met haar harde, onbarmhartige strijd ergens in de knel. Wij worden in de politiek door een andere partij de Roomse Volkspartij bijv. in een hoek gedrongen. Wij worden door onze collega’s in de fabriek, op kantoor, in de school niet voldoende in onze waarde erkend, voelen ons miskend, wij mokken en wrokken, protesteren en critiseren. In een perspolemiek krijg ik op mijn kop, word weer eens verkeerd geciteerd, voel me gekrenkt en wil een nijdig stuk terugschrijven. Critiek die voortspruit uit ons gekrenkte Ik, ons verwaarloosd belang, onze geschonden „idealen”. Kleine critiek. Dagelijks bedrijf, dat de wereld aan het draaien, de mensen in hun bonden, partijen, richting]en, kerken in beweging houdt. Ik erken, dat ze onmisbaar is. Want wij zijn mensen, en ons bestaan is klein. Daarin passen polemiek en kibbelpartijen of vechtpartijen om gelijk te krijgen, voor mij zelf, mijn partij, mijn richting.

De grote critiek breekt ons. Dat moge niet

het laatste woord zijn, het is wel het eerste. Ik geef twee voorbeelden van grote critiek uit de 19de eeuw: Marx en Kierkegaard. Marx de socialist en atheïst, Kierkegaard de personalist en Christen. Ik laat ditmaal hun theorie onbesproken, zie deze figuren als de zaaiers van een felle onrust te midden van ejen zich aan voortuitgangsoptimisme en wereldveroverende burgerlijkheid overgevend geslacht. Vertegenwoordigers beide van grote critiek. Waarom? wat hebben zij gemeen?

Marx schrijft en studeert, hoont en sneert van uit een solidariteit met een millioenenproletariaat in nood. Hij smeedt woorden en begrippen, die in de wetenschap zogenaamd neutraal en objectief heten, maar die in de 19e-eeuwse maatschappij zwaargeladen worden met hartstocht: meerwaarde, uitbuiting, klasse, klassenstrijd. Zij dragen alle het teken van massaal leed op het voorhoofd, en hebben electriserend gewerkt; zij striemden en wekten, zij wondden en bezielden, zij braken af en bouwden. Niet het minst, omdat zij heenwezen naar een nieuwe lichtende toekomst van m|ensheidsbevrijding en de weg daarheen wilden banen. Dat is de oorzaak van het feit dat Marx als een onrustbrenger op grote schaal staat in de zelfgenoegzaamheid der burgerlijke eeuw: de nood der millioenen werd omgeschapen tot strijdbaarheid voor een nieuwe toekomst. Het socialisme is door Marx geworden van een lieflijke constructie tot grote vlammende critiek.

Als tweede: Kierkegaard, de Christendenker. Hij studeert en schrijft, spot en hoont van uit een smartelijk besef, waaraan hijzelf dreigt te breken, dat de geest op aarde sterft. Sterft in het gladde sluitende stelsel van filosofie, waarin alles netjes z’n plaats ' heeft, zó dat niemand meer verontrust behoeft te worden. Sterft in het harde intellectualistische systeem van een christelijke dogmatiek, waarin zondeval en genade, uitverkiezing en hiernamaalse zaligheid allemaal aan de beurt

komen, en het brave kerkpubliek in de watten wordt gelegd, want zij zijn binnen. Ook Kierkegaard smeedt woorden en begrippen, die zwaargeladen zijn, al klinken zij zakelijk neutraal: subjectiviteit der waarheid, enkeling-massa, paradox, existentie. Zijn woorden zijn gestempeld door één grote ontzetting: dat de bliksem van Gods eeuwigheid inslaat in het leven van mensen, en dan wordt alles omgezet, dan leert de mens, wat leven is, „in vrees en beven” en wachten op de genade Gods. In eigen tijd stond Kierkegaard als de grote zonderling, die bovendien nog een fatsoenlijk meisje op een onbehoorlijke wijze in den steek had gelaten. Nee, na een eeuw, zien wij hem als de grote onruststoker in een zelfvoldane, verburgerlijkte en verkerkelijkte christelijkheid onruststoker, die alles wil verwachten van de heilige Geest Gods uit de eeuwigheid. Als er één is, die het Christuswoord heeft verstaan: „Ik ben gekomen om vuur op de aarde te ontsteken hoe wenste ik, dat het reeds ontstoken ware” dan deze zgn. sombere Deen. De godsdienst is door Kierkegaard geworden van een gewatteerde deken tot grote, vlammende critiek.

Grote critiek breekt de mens, doch om hem op te richten. Zij breekt óók de eigen menselijke ideeën-constructies, die wij zo gemakkelijk aan het leven opleggjen. Zij breekt de hoogmoedige verwachtingen en zekerheden, dat wij mensen naar onze plannen de toekomst zullen bouwen. Zij is gekenmerkt door de solidariteit met de mensheid in nood en het leed om de schending en verkrachting van de geest maar vooral door de ootmoed, die klein van de mens en groot van God leert denken (daarom is Kierkegaards critiek gróter dan die van Marx).

Wij maken ons dikwijls bezorgd om de situatie van het socialisme in ons land, in Europa; om het allerellendigst peil waarop in ons Nederlandse volk, in politiek en kerk, de polemiek en de onderlinge strijd gevoerd

delt volgens de stelregel: het doel heiligt de middelen. Maar wat doen we zelf? De nieuwe privaat-docent in de krijgswetenschappen aan de Amsterdamse Universiteit P. Gerssen heeft het in zijn rede. Mei 1949, ronduit gezegd: De totale oorlog vordert een totale oorlogsvoorbereiding. Daar zullen we ons op moeten instellen. Dit betekent, heel zakelijk: het doel heiligt alle middelen.

In Kaiserslautern heeft onlangs Herman Diehm een gesprek gehad met Communisten. Van kerkelijke zijde werd de stelling verdedigd: „Geen enkel mens mag worden opgeofferd aan de verwezenlijking van een ideaal einddoel.” Er mogen alleen maar offers in vrijheid worden gebracht. En dan wordt ter illustratie van dit laatste genoemd de militaire dienst!

Ik begrijp werkelijk niet, hoe men in 1949 op deze wijze kan discussiëren. De realiteit van de oorlog is toch geen andere dan het offeren van mens en massa voor bepaalde idealen? Is dienstplicht iets anders dan een nieuwe vorm van slavernij?

De manier waarop in Nederland rustig over de gruwelen in Indonesië gesproken wordt als over „excessen” de regeringsverklaring over Pakisadji (3-6-’49) zegt ronduit, dat het „taktisch noodzakelijk” was „deze kampong op te ruimen” doet ons nog eens duidelijk zien, hoe urgent de problematiek van doel en middelen is.

Dit staat vast: Het gebruik van bepaalde middelen maakt het ons onmogelijk om een bepaald doel te bereiken. Evenmin als ik een T.8.C.-patiënt kan beter maken door hem in een kolenmijn te zetten, evenmin kan ik door het moderne oorlogsgeweld massale slachtingen en vernietigingen, ongelimiteerd handelen volgens het parool: hoe vernietigen wij de vijand op de meest effectieve wijze? vrijheid, gerechtigheid, democratie verdedigen. Wie denkt de oorlog te kunnen humaniseren is het slachtoffer geworden van een zeer irreëel idealisme.

Doel en middelen het blijkt een even groot probleem te zijn voor het Westen als voor het Oosten. Hierover in het laatste artikelme er.

Kr. STRIJD.

IRIS EN DE ABESSIJNSE NEUSHOORNVOGEL

Zij geeft de grote neushoornvogel Wat brood. Hij neemt het nijdig aan, Als van zijn minste onderdaan, En slokt het irj zijn blauwe krop.

Zijn ogen, schijnbaar onbewogen, Wentlen laatdunkend door zijn kop. Dan kijkt hij, strak en onverveerd. Door zijn gewaande gulden dreven;

Ontkent het traliewerk als feit. Zij wendt zich af, haast gechoqueerd. Te trots om hem nog meer te geven En met dezelfde majesteit.

BERTUS AAEJES

Uit: De lyrische schoolmeester (zie Leestafelnieuws)