is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 49, 10-09-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het NVV in de branding

Door het rumoer rondom de bekende redevoering van Vermeulen, uitgesproken tijdens de plenaire zitting van de Internationale Artaeidsconferentie, is menigeen in Nederland geschrokken en heeft men zich afgevraagd, of dit wellicht het einde van de sociale vrede in ons land zou betekenen. Nu de gemoederen weer enigszins tot rust zijn gekomen, is het wellicht nuttig het strijdtoneel nog eenmaal te overzien.

Wat was de aanleiding?

Wij kunnen ons eerst afvragen, wat eigenlijk de aanleiding tot het uitspreken van deze rede was, of althans wat de desbeitreffende passage daaruit aangaat. Het probleem van de verenigingsvrijheid voor de arbeiders was in deze conferentie aan de orde. Vermeulen heeft medegedeeld, hoe de toestand precies in Nederland is. Een ieder, die weet, welke moeite het NW heeft gedaan om de Nederlandse bisschoppen er van te overtuigen, dat het verbod voor Katholieke arbeiders om lid te zijn van een bij het NVV aangesloten vakorganisatie, een grievend onrecht betekent, behoefde zich over het protest van Vermeulen niet te verwonderen. In 1946 werd het verbod wel gehandhaafd, doch de bisschoppen steiden in het vooruitzicht, dat zij zich hierover zouden beraden. Het NW heeft zich in feite van 1906 af krachtig gekeerd tegen anarchistische, syndicalistische en later communistische tendenzen in de arbeiderswereld. De samenwerking met de confessionele vakcentralen en met de werkgevers heeft de houding van het NVV duidelijk getekend. leder lid van het NVV heeft volop de gelegenheid, om, wanneer het gaat over vraagstukken, de arbeid rakende, van geloofsopvatting in deze te \

men de letterlijke tekst van Vermeulens rede eens rustig leest, komt mea tot de conclusie, dat het daarin niet gaat om de vraag of de bisschoppen het recht hebben het lidmaatschap van het NW te verbieden. De wijze, waarop dit evenwel iS een democratisch land als Nederland g»" schiedt, ten aanzien van een organisatie als het NVV, brengt velen tot de overtuiging, dat dit verbod niet in overeenstemming is met datgene, wat er tot nu toe in de vergaderingen van de diverse organen van de Verenigde Naties is gezegd over de vrijheid van vakbeweging.

Had hij het recht?

Een tweede vraag is: Had Vermeulen het recht om als Nederlands afgevaardigde deze kwestie in Genève aan de orde te stellen? Van de zijde van de KAB is direct betoogd, dat Vermeulen de drie samenwerkende vakcentralen vertegenwoordigde en dus dit recht niet had. Bovendien, dat er geen overleg van tevoren had plaats gehad met de adviseurs van de andere centralen. Ook het CNV sluit zich hierbij aan. Mijn naamgenoot uit Rotterdam noemt dit in zijn artikel in „Tijd en Taak”, getiteld: „Misplaatste stunt”, als zijn eerste bezwaar. Na het communiqué van de drie vakcentralen is toch voor ieder duidelijk, dat het geen gewoonte was van tevoren overleg te plegen. Bovendien is besloten, dat voor de toekomst, ook na gepleegd

overleg, elke vertegenwoordiger het recht behoudt om te zeggen wat hij krachtens zijn eigen overtuiging nodig vindt. Eerder mag de vraag gesteld worden, of pater Stokman als regeringsgedelegeerde niet te ver ging, toen hij Vermeulen ging weerspreken en het Bisschoppelijk verbod verdedigde.

Is de Katholieke arbeider vrij?

Het motief van pater Stokman voor handhaven van het verbod stemt ons tot nadenken. „Niet zozeer de Marxistische theorieën en stromingen in het NW, doch de ervaring, dat vele Katholieke leden hun geloof verliezen, zou de doorslag geven. De kerk heeft het recht, net als iedere vereniging, voorwaarden te stellen en ieder lid moet zich daaraan houden, anders wordt hij er uitgegooid”. Voor de gelovige Katholiek zijn de Kerk en haar Genademiddelen het hoogste en heiligste. Een keus tussen deze en het NVV is toch geen gewone keus tussen twee verenigingen. Juist door het verbod ontstaan er voor hen, die uit sociaal-economische overwegingen het NVV voorstaan, grote gewetensconflicten. Wie zal beschrijven, hoeveel menselijk achter dit probleem schuil gaat? Daarbij komt nog de vraag van de Katholieke arbeider, waarom hij nu wel lid mag zijn de Partij van de Arbeid en niet van het NW. Nog meer verwonderlijk is het, dat dit verbod zich niet uitstrekt tot de werkgevers. Wel wordt aandrang op de Katholieke werkgevers uitgeoefend, zich in Katholieke vakverenigingen te organiseren, doch het is (nog) niet verboden lid te zijn van een „neutrale” werkgeversvakvereniging. Zij werken daarin tot nu toe samen met protestante en buitenkerkelijke werkgevers en voelen zich er blijkbaar wel thuis.

Enkele reacties

De KAB kwam uiteraard sterk in het geweer. Waarom? Dat de NW-man, zoals „Herstel” hem noemt, het recht niet had deze kwestie aan de orde te stellen, is door de KAB in feite herroepen door het gezamenlijke communiqué. Dat de Katholieke arbeiders zich door het protest in Zwitserland gegriefd voelen, omdat de hooggewaardeerde bisschoppen zijn aangevallen, kan slechts gedeeltelijk waar zijn. „De KAB heeft evenwel geen enkel belang bij het bisschoppelijk verbod, want zij zal op den duur met of zonder verbod de in ledental sterkste Nederlandse arbeidersorganisatie zijn. („Herstel” van 28 Juli 19490”. Een toekomstvoorspelling, die wel wat boud ge-

sproken is. De realiteit ligt daaraan zeker niet ten grondslag. |

Moeilijker is de houding van het CNV te verklaren. Een solidariteit tussen Rooms en Protestant zoals zich hier demonstreerde, was ons niet bekend. Eigenbelang? In „De Gids” van 29 Juli 1949 laat het CNV zioh wel erg in de kaart kijken. „Wat te Genève is geschied, is een poging om de weg vrij te krijgen voor de propaganda onder de Christen-arbeiders”. Het CNV komt verder tot de ontdekking, dat de protestanten wat kerkelijke zielszorg betreft nog wel iets van de Roomsen kunnen leren en tenslotte moet de bekende verklaring van de Hervormde Synode het nog even ontgelden. Geen wonder, dat in ~De Hervormde Kerk” van 16 Juli 1949 enkele kanttekeningen werden geplaatst bij het conflict tussen de vakbonden (bedoeld wordt vakcentralen), omdat het CNV de Roomse bisschoppen in bescherming neemt. Met recht kan er gezegd worden: „in Rooms vaarwater”, wanneer men de houding van het CNV vaststelt in dit conflict.

De doorbraak in gevaar?

Hoewel men bij dergelijke gelegenheden in confessionele kringen direct de mond vol heeft over de doorbraak, kwam in het conflict tussen de vakcentralen dit punt niet aan de orde. Onder de titel „Misplaatste Stunt” doet de heer J. G. v. d. Ploeg dit wel. De oud-SDAP-ers kunnen hun ergernis over die doorbraak-mensen maar slecht verbergen, wanneer deze doorbrekers niet direct lid van de VARA worden. Het Vrije Volk niet lezen en lid van het CNV of KAB blijven. En dat is nu de oorzaak, volgens de heer J. G. v. d. Ploeg, van Vermeulens optreden. Toevallig is Vermeulen geen oud-SDAP-er en al zou het waar zijn, dat „oud-SDAP-ers in de Partij van de Arbeid zich ergeren, omdat bepaalde partijgenoten lid van het CNV of de KAB blijven, dan heeft dit nog niets uit te staan met het protest van Vermeulen. Zeker is, dat vele Protestante en Katholieke arbeiders zich in het NVV thuis voelen en van oud-SDAP-ers niet de minste last hebben. |

De doorbraak in de Partij van de Arbeid loopt geen gevaar door handhaving van, noch door protest van NVV-zijde tegen het verbod voor Katholieke arbeiders om lid te zijn van het NW. Het gaat er alleen maar om, dat wij het bischoppelijk verbod, om de onhoudbare motieven, waarop het rust, een grievend onrecht vinden. J. G. VAN DER PLOEG 2-9-1949

Dag, Bakker...

Er stond eerst boven dit artikel: Wij verzakelijkte mensen. Die titel heb ik doorgestreept, omdat die veel te gewichtig klonk. En wat heb je er aan je lezers te misleiden met een gewichtige titel, als die hoort bij een artikel, dat niets om het lijf heeft.... I

Toen kwam er boven te staan; Socialisme in het klein. Ook die titel heb ik weer verworpen, omdat ik niet zeker weet, of dit artikel iets met socialisme te maken heeft. Er zijn zo van die dingen, waarop we elkaar ook in de kring van „Tijd en Taak” nogal eens wijzen. Dat zijn o.m. de strijd van ons socialisme voor de menselijke waardigheid (persoonlijk lijkt het me juister om te spreken over waarde dan over waardigheid) en het gevaar van onze – verzakelijkte, vertechniseerde maatschappij. I

Het is stellig goed, dat we dit voortdurend

doen en ook, dat we zien, dat met deze dingen de grote vragen van de structuur onzer samenieving en dus ook onze politieke en sociale strijd onmiddellijk samenhangen. Maar, hoe functionneren deze dingen nu in de kleine gebeurtenissen van het alledaagse leven van heel gewone, kleine mensen? Zien we daar ook de symptomen van die verzakelijking, die „ontmenselijking” van het leven? Als die vraag bevestigend beantwoord moet worden, gaat het om een ernstige zaak.

Want onze samenleving bestaat voor hel overgrote deel uit heel gewone, kleine mensen en voor de meesten van ons wordt de dag gevuld door kleine gebeurtenissen en schijnbaar onbetekenende ontmoetin» gen. Met de mensen op ons werk, de buren, de bakker, de slager, de melkboer enz. Nu geloof ik, dat de zoëven gestelde vraag inderdaad bevestigend moet worden b^ant^