is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 50, 17-09-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reclame en Propaganda

Men maakt reclame voor een artikel, men maakt propaganda voor een idee. Reclame. Het zijn weer gouden dagen geworden voor de reclame, die ons om de oren gonst, eii ons de ogen verblindt. Elke avond brengt de krant ons de verzoeking van allerlei aantrekkelijkheden, en wie door de winkelstraten van een stad wandelt, moet wel de illusie hebben, dat hij het geluk tot nu toe gemist heeft; zo veel heerlijks voor hem in uitzicht gesteld. We kunnen ons gewoonweg niet voorstellen, dat reclame een nieuw verschijnsel is, dat de wereld het eeuwen zonder reclame gesteld heeft. Het woordje „winkel” was eertijds een hoek in de markt, waar boer en burger een keuze deden uit de uitgestalde waren. Een middeleeuwse straat kende geen etalage-reclame. Nu is reclame een hele techniek, waar psychologen hun vernuft op scherpen: hoe maken we belangstelling, hoe maken we begeerlijkheid gaande. Soms denk ik, dat de reclame de gevaarlijkste aanslag betekent op de geestelijke rust van de moderne mens. De reclame prikkelt onze angstgevoelens voor verkoudheid, ontsteking, verstopping, overspanning, die alleen te overwinnen zijn, a 15..., onze zorg voor ons uiterlijk (lees sex-appeal), zeep, tandpasta enz. moeten van elke vrouw een Hollywoodse diva: maken; de reclame hitst ons op in onze lust tot snobisme: men gaat niet met zijn tijd mee, a 15...; de reclame jaagt op naar hebzucht en genot. De moderne mens verkeert in een dwangpositie: verdien, bedel, leen of steel, zoveel als je wilt: kopen moet je!

Onnodig te zeggen, dat dit lijnrecht ingaat tegen een Evangelische levensstijl, maar eveneens tegen het socialisme. Het moest toch eigenlijk duidelijk zijn, dat in een planmatige maatschappij het niet geduld kan worden, dat kapitalisten, alleen verantwoordelijk aan hun aandeelhouders, de vrije hand hebben om behoeften te kweken en vraag op te roepen naar arbeid en ma-

teriaal, zonder te letten op het algemeen belang. Men heeft dit wel verdedigd er op te wijzen, dat een verhoogde behoefte mensen harder doet werken en meer doet produceren; de vraag rijst: ten bate van wie, en wat maken ze?

Ik ga voorbij aan de tendenz, die in elke reclame aanwezig is, om de waarheid te kwetsen. Meer dan ooit, vrees ik, is Mercurius, God der kooplieden, ook die der leugenaars (én dieven). Er is maar één troost, dat in vakkringen de ervaring zwaar weegt, dat ook bij de reclame de grove leugen zich zelf straft.

Belangrijker is, dat de reclame bedoelt onze levensstandaard op te voeren, zoals het heet, door prikkeling der consumptie. Wie hierover even nadenkt, ontdekt, dat het doel van het leven dan blijkbaar samenvalt met een nimmer eindigende stijging van onze stoffelijke welvaart: steeds lekkerder eten, steeds meer comfort, steeds meer luxe, steeds meer kunstmatige behoeften. De grote vijand van onze adverteerders is de man, die tevreden zijn sober maal gebruikt en in de zon gaat liggen. De Negervolkeren, zo las ik laatst in een Amerikaans tijdschrift, „lijden aan een armoede van behoeften” („suffer from a poverty of wants’’). Vrije tijd mag in dit stelsel geen waarde heten, omdat de productie er door ingeperkt wordt. En deze moet met alle middelen opgejaagd worden: produceren om te consumeren! Consumeren om te produceren! De aandrijvende kracht van dit waanzinnig vliegwerk is de reclame. Ze laat ons geen moment met rust.

Propaganda maakt men voor een idee. De tijd, die achter ons ligt, waarin we propaganda-ministers hebben leren kennen, heeft ons ook van propaganda afkerig gemaakt. De grove middelen, waarbij reclame en propaganda niet meer gescheiden bleven, de onwaarachtigheid en de eigenbaat, waarbij niet het idee, maar het persoonlijk profijt inspireren moest, maakt een modern

mens evenzeer afkerig van propaganda als van reclame.'Doch als we nauwlettend toezien, is dat toch niet logisch. Naarmate de idee waardelozer is, trekt ze de propaganda naar omlaag, maar een goed idee verdient verspreiding, de waarheid moet verkondigd en in zijn nobelste vorm kan propageren zijn: belangeloze dienst aan de waarheid en dus aan zijn medemens.

Sta me toe, geduldige lezer, eens heel practisch te zijn. 'Voor u, noch voor ons is dit weekblad een goudmijn, waar we, materieel gezien, veel beter van worden, maar het stelt een idee voor, waarvan we menen, dat het de moeite waard is, om te verkondigen. „Tijd en Taak” is geen reclame-object, maar het ware juist er wat propaganda voor te maken. Zo nu en dan krijgen we bericht dat weer een lezer het opgeeft; vrijwel altijd uit financiële noodzaak. Zeer zelden bereikt ons de aankondiging, dat een lezer een nieuwe abonné heeft geworven. Het ware te wensen, dat dit proces tot stilstand kwam, nog beter, dat het omgekeerd verliep. Er is zo’n rijkdom aan goede wil onder onze lezers. We hoeven slechts een oproep te plaatsen voor enig goed werk en het regent bijdragen en van overal treden medewerkers aan. Vandaag wagen we het eens van hen een andersoortige inspanning te vragen, die hun misschien niet ligt. Het komt me voor, dat de doorsnee-lezer van dit weekblad eerder goedaardig dan agressief is. Hij is eerder bereid aan zijn buurman zijn blad uit te lenen, dan deze aan te sporen zich zelf te abonneren. Laat men evenwel bedenken, dat het werk aan „Tijd en Taak” gedragen wordt door schrijvers en lezers beiden. Er zou anders nooit eens een tijd kunnen komen, dat de langzame lijn naar omlaag... neen, zo ver is het nog niet, maar het blijft jammer, dat in de wedloop der weekbladen wij naar achteren gedrongen worden, jammer niet voor ons, maar voor het idee, dat we voorstaan.

Lezer, zie nu eens rond in uw omgeving. Geen reclamestunts, en geen premiesysteem, maar een waardige propaganda van huis tot huis, van vriend tot vriend, van geestverwant tot geestverwant. Het is een kwestie van tact en durf voor een zaak, die, naar we bescheiden menen, het waard is.

J. G. B.

ZONDAG

In ons kleine vaderland blijkt telkens, hoezeer de opvatting omtrent de Zondag de barometer voor het geloofsleven is. Laat één van de leiders in kerkelijke kring kennen zij, die het priesterschap aller gelovigen zo nadrukkelijk opeisen, werkelijk „leiders”?! een onvoorzichtig woord over de Zondag spreken, dan maakt de barometer een duikeling van „mooi weer” tot „hagel en harde wind”. Er is wat te wachten, wanneer men in bepaalde groeperingen, al is het slechts met een enkel woord, toegevend wordt op het punt van Zondagsheiliging! Dit doet buiten-kerkelijken, die nog enig oog voor de kerk hebben, uitermate komisch aan. De kerk wordt voor hen een troep spelende kinderen, die om het hardst tegen elkander roepen, omdat de één niet doet, wat de ander zo graag wil. „Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt geen rouw bedreven.” De buiten-kerkelijken hebben dikwijls een heimelijk leedvermaak over de verwarring die in de kerk heerst. Toch zien zij teveel één zijde van de zaak en daardoor is het gesprek tussen kerkelijke en buiten-

kerkelijke mensen zo moeilijk. De buitenkerkelijke mens maakt. door zijn ironie duidelijk, dat de Zondag voor hem een „tijd” is, die in niets verschilt van andere „tijden”. Wanneer hij echter wat dieper doordrong in het leven der primitieven en daarvoor kan hij nog altijd veel leren uit het boerenleven van onze dagen dan zou hij bemerken, dat er „tijden” en „tijden” zijn, heilige en profane tijden.

Alle oude volken hebben dit onderscheid gekend. Heilige tijden en heilige plaatsen zijn de tekenen van Gods tegenwoordigheid, de kenmerken van de directe omgang met God. Op deze plaatsen gedraagt men zich „anders” dan daar, waar het profane leven zijn gang gaat, al kan men moeilijk duidelijk maken, waarin dit „andere” nu jJtet zit. Waarom Mozes zijn voeten ontschoeide, toen hij voor het brandende braambos stond, laat zich zuiver redelijk moeilijk verklaren. Waarom men bij voorkeur niet in een kleding in de kerk verschijnt, die al te zeer aan het sportveld of kampeerterrein doet denken, laat zich evenmin verklaren. Is er bij de zakelijke moderne mens toch nog iets van eerbied, waardoor hij voor zich zelf in dit opzicht enige regels stelt, of is er slechts sprake van een steeds verder gaande veruiterlijking, die „mooi” en „netjes” het meest passend bij de heiliging

van de Zondag acht? Helaas moet gezegd worden, dat er in ons vaderland een ontzaglijke druk van verveling over dé Zondag ligt, die zeker niet is opgeheven, waar de mens de kerk voor de sport verwisseld heeft. De „werkzame” moderne mens is zo huiverig voor het niets-doen, dat de mogelijkheid van een blijmoedig niets-doen zelfs geen ogenblik in zijn gedachten komt.

Toch is de Zondag een dag van blijmoedig niets-doen. De Zondag is het vieren van een overwinning, waarbij echter niet geschreeuwd, maar gezongen wordt. Op Zondag wordt een lang „Halleluja” gezongen, omdat Christus uit de dood is opgestaan. De dood is overwonnen, de dood van de slaperige leegheid, die ieder „Halleluja” onmogelijk maakt. De dood van het Farizeïsme, die zich uit in het ijveren voor bepaalde dingen, die op Zondag wel en niet gedaan mogen worden. De dood der verveling, die zich overal daar groot maakt, waar de onverschilligheid in de plaats treedt van het kerkelijk Farizeïsme. Alleen daar waar de blijdschap over de overwin-' ning gekend wordt, laat zich waarlijk iets van Zondagsviering verwachten. Dan heiligen wij deze dag, omdat Christus in de opstanding deze dag met de vreugde der eeuwigheid geheiligd heeft.

A. F. L. VAN DIJK.