is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 50, 17-09-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHOOL 5 O JAAR

„De school”, zoals docenten, leerlingen en oud-leerlingen niet zonder gerechtvaardigde trots de School voor Maatschappelijk Werk te Amsterdam plegen te betitelen, vierde Vrijdag 9 September haar 50e verjaardag. Vierde dat op die typisch Nederlandse wijze van officiële herdenking, dat wil zeggen beetje plechtig, wat saai af en toe, maar boven alles zo ging het hier ten minste met een krachtige ondertoon van warme hartelijkheid. Plechtig en officieel was het zeker, immers H.M. de Koningin had zich laten vertegenwoordigen, de minister van 0., K. en W. sprak, verschillende andere departementen hadden vertegenwoordigers gezonden. En toch voerde uiteindelijk de hartelijkheid de boventoon in de toespraken van vrienden en oudleerlingen van de school. Een hartelijkheid die haar uitlaatklep ten slotte overdadig vond in een receptie waarbij talrijke oude herinneringen werden opgehaald.

Ik zal niet proberen u een enigszins getrouw verslag te geven van wat er die middag gezegd is, dat hebt u elders wel kunnen lezen. Laat ik mogen volstaan met enkele aspecten van de betekenis dezer school voor

ons volk en de socialistische beweging aan te stippen.

Vijftig jaren zijn in de geschiedenis der mensheid betrekkelijk kort, maar in de laatste 50 jaren hebben zich grote wijzigingen in de Westeuropese samenleving voltrokken, wijzigingen waarbij de School voor Maatschappelijk Werk ten nauwste betrokken is geweest. Het zijn de jaren waarin de emancipatie van de vrouw èn van de arbeidersbeweging uitgegroeid zijn tot cultuurfeiten van de eerste rang.

In het bijzonder voor jonge vrouwen heeft de school een bijzondere aantrekkingskracht gehad. Een beroep, waar typisch vrouwelijke karaktereigenschappen van grote waarde zijn, werd hier stelselmatig en in toenemende mate wetenschappelijk gefundeerd onderwezen.

Wie enigszins bekend is met de ontwikkeling der arbeidersbeweging in ons land, haar groei naar bewustwording, naar groeps- en machtvorming, bekend ook met de groei der sociale voorzieningen en wetten, kan niet anders dan bewondering hebben voor die groep van mannen en vrouwen mevr. Muller—Lulofs, Helène Mercier, Louise Went, A. Kerdijk, C. W. Jansen en Prof. Treub die met een zeldzaam vooruitziende blik in 1899 besloten tot de oprichting van een „Opleidingsinrichting voor sociale arbeid” in Amsterdam.

Immers zouden de vele sociale voorzieningen die in die 50 jaren getroffen zijn, wel die resultaten en die omvang hebben gekregen, wanneer er geen geschoolde sociale werkers en werksters waren geweest? Men denke maar aan de volks- en buurthuizen, aan de kinderbescherming, aan woninginspectie enz. enz.

Met gepaste trots kon de voorzitster van het bestuur der school, mejuffrouw mr E. Ribbius Pelletier, dan ook zeggen, dat de Amsterdamse school de oudste van Europa en de op één na oudste van de wereld was. Gemakkelijk heeft de school het in de eerste jaren van haar bestaan niet gehad. Van de zijde der gezeten burgerij bestond er argwaan tegen het woord „sociaal”, het leek zo verschrikkelijk veel op socialistisch! En wafén de maatschappelijke werksters er niet op uit om door haar arbeid de maatschappelijke paria’s op te voeden tot dreigend eisende socialisten? Is het een wonder dat er in 1903, het jaar van de spoorwegstakingen, ?ich maar twee nieuwe leerlingen aanmeldden?

Van de kant der socialistische arbeidersbeweging werd de school evenzeer met wantrouwen aangezien. Hun verzet tegen de filantropie van kerken en particulieren was zo sterk, dat zij niet zagen dat ook de School voor Maatsch. Werk een resolute aanval op dit verouderde en vaak mens-

onterende systeem van zorg voor maatschappelijke paria’s was.

Eerst in de laatste 25 jaren hebben ook de socialisten de betekenis van de scholing voor maatschappelijke arbeid erkend, hebben vooraanstaande leden van de socialistische beweging de school geleid en er gedoceerd.

De ontwikkeling der politieke, sociale en geestelijke verhoudingen heeft zich in de geestelijke groei der school getrouw afgespiegeld. Er is een tijd geweest dat de ontplooiing der menselijke persoonlijkheid, nauw verbonden met het oprichten van volks- en buurthuizen en van andere soorten van volksontwikkeling centraal stond. Het was de tijd waarin mejuffrouw E. C. Knappert, zelf diepgaand beïnvloed door Dante, de Franse en de Engelse cultuur, haar stempel op de school heeft gedrukt. Hoe groot en hoe diep door de in het leven en werk uitzwermende leerlingen deze cultuurvormende, deze de ontplooiing der menselijke persoonlijkheid nastrevende kracht in ons volksleven gewerkt heeft, laat zich moeilijk meten, doch is zeker niet te onderschatten.

Eenzijdig werd de school echter allerminst, daarvoor had men een te scherpe kijk op de samenleving. Bij het vijf en twintig jarig bestaan schreef dezelfde E. C. Knappert: „Dat een School voor Maatschappelijk Werk even gevoelig is voor maatschappelijke veranderingen als een schip voor eb en vloed, behoeft geen betoog. Evenmin dat zij, wil zij beantwoorden aan haar doel, zich aanpassen moet aan de wijzigingen, die zich in-het maatschappelijk leven voltrekken.”

Deze woorden vertolken precies wat de leiding van de school tot op vandaag voor de geest staat.

Onder leiding van mr M. J. A. Moltzer kwam parallel met de wijzigingen die zich in de maatschappij voltrokken het accent meer te liggen op de wetenschappelijke bestudering der maatschappelijke verhoudingen en op de wetenschappelijke fundering van het maatschappelijk werk. De vakspecialisatie nam ook op deze school toe, hoe kan het anders. Maar de gevaren daaraan verbonden konden hier wel zeer gelukkig worden opgevangen door de deze school in de voorafgaande jaren meegegeven geest. Zo kwam men tot een gelukkige synthese tussen wetenschappelijke studie en specialisatie enerzijds en persoonlijke geestelijke ontplooiing anderzijds.

De snelle en diepingrijpende wijzigingen die zich voor en vooral na de tweede wereldoorlog in de maatschappij voltrekken, stelt de school opnieuw voor de opdracht haar onderwijs aan te passen. De laatste spreker op de officiële herdenkingsbijeenkomst, de huidige directeur dr Jan F. de Jongh, gaf van de taak waarvoor men zich thans gesteld ziet, een summier beeld. Daar het bij dit werk altoos om en met mensen gaat, zal de persoonlijk-menselijke instelling allesbeheersend moeten blijven. Daarnaast echter zal men een dankbaar gebruik kunnen en moeten maken van wat men elders, met name in Amerika, op het gebied van de wetenschappelijke research en methodiek van het maatschappelijk werk bereikt heeft. De heroriëntering op deze gebieden is in volle gang en de studiereis van dr De Jongh naar Amerika zal daarbij voor het onderwijs ongetwijfeld van grote betekenis blijken. |

I Verder wees dr De Jongh op de noodzaak van een nauwer contact met de praktijk, in het bijzonder op het maatschappelijk werk in de bedrijven.

Dat men deze eis van de tijd verstaan heeft, bewijst het gedenkboek ter gelegjenheid van het 50-jarig bestaan der school

TOCH VISA

In het nummer van „Tijd en Taak” van 27 Aug. schreef ik over de visa, die geweigerd werden aan twee deelnemers aan de Internationale Religieuze Socialistische Conferentie te Bentveld. In schreef dit artikel op uitdrukkelijke wens van deze conferentie.

Ter vergadering kon men echter toen nog niet weten wat ons na afloop van de zijde van het ministerie van Buitenlandse Zaken werd meegedeeld dat door tussenkomst van Ds J. B. 'Th. Hugenholz dit Departement op zijn oorspronkelijke weigering teruggekomen is en de beide Tsjechen de visa alsnog heeft verleend. Zij hadden althans op de conferentie, die vanwege „Internationale Broederschap der Verzoening” na de onze gehouden werd, aanwezig kunnen zijn. Het gezantschap te Praag was van een en ander telegrafisch op de hoogte gesteld. Het is niet bekend, waarom Prof. Linhart en Bisschep Novak van deze mogelijkheid .géén gebruik hebben gemaakt.

Ofschoon wij blij zijn met de uiteindelijke toestemming, moet het ons toch van het hart, dat de aanvankelijke weigering een houding bij Buitenlandse Zaken verraadt, die wij minstens schriel vinden.

L. H. R.