is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 50, 17-09-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgegeven. Ditmaal niet een achteromzieri naar wat was en gegroeid is, doch een vooruitzien op wat gevraagd wordt en dus bestudeerd moet worden. (Op dit gedenkboek komen we in dit blad binnenkort nog terug). I

Een bewijs van de jonge geest dezer naar verhouding oude school is ook het zoeken naar contact met de Amsterdamse Universiteit, een contact dat door de oprichting van de 7e faculteit voor politieke en sociale wetenschappen onontwijkbaar is geworden. I

Zo scherp formuleerde dr J. F. de Jongh het wel niet, maar wie opmerkzaam luisterde naar de discussie, die ietwat in watten verpakt naar voren kwam in de toespraken van mr A. de Roos, namens het gemeentebestuur van Amsterdam, en de huidige directeur, kon het niet anders verstaan. I

Wie het natuurreservaat Duin- en Kruidberg bij Santpoort kent, kent ongetwijfeld deze grillig gevormde boom

Het moge bestuur, huidige directeur en staf gegeven worden hun plannen binnen afzienbare tijd te realiseren, alle zorgen van te kleine behuizing ten spijt! Van de steun der leerlingen en oud-leerlingen kunnen zij daarbij verzekerd zijn.

dat bewees het waarlijk vorstelijke cadeau van ƒ 11.000,— door hen bijeengebracht voor het leerlingen-fonds „Helène Mercier”! Bestemd immers om minder-vermogende leerlingen de studie aan de school mogelijk te maken, was het een overtuigend bewijs van het door de geest dezer school gesterkte besef van onderlinge verantwoordelijkheid. In een wereld die hen voert naar een waarlijk verantwoordelijke samenleving kan dit alleen maar tot dankbaarheid en blijdschap stemmen.

Zo was dit 50-jarige feest een verheugend teken van frisse groei, openheid naar alle kanten, bovenal van ernstige bezinning op de zo broodnodige èn dankbare dienst aan de menselijke samenleving. Wanneer wij onze goede wensen voor de toekomst van de Amsterdamse School voor Maatschappelijk Werk hier nog eens nadrukkelijk uitspreken, dan is dat niet alleen omdat er tussen onze groep en de school zovele banden van persoonlijke aard bestaan, doch bovenal omdat wij hier een pogen herkennen om in alle bescheidenheid de menselijke samenleving zo goed en zo juist mogelijk te „dienen”. A. v. B.

De volkstellingscijfers

Ofschoon iedere spreker op elke vergadering zich verontschuldigt, wanneer hij cijfers aanhaalt („ik zal u helaas moeten vervelen met enige getallen” en dergelijke frases meer) vindt het grote publiek cijfers heerlijk. Een cijfer is zakelijk, helder, controleerbaar (denkt men). Een cijfer drukt héél kort iets uit en het geeft, in een bepaalde reeks, kort en duidelijk een gebeurtenis, een tendens weer. Het cijfer heeft ons aller schoolvorderingen uitgedrukt en het getal was een der góden onzer oudere broers en onzer vaderen. En nóg hebben wij deze afgoderij niet afgeleerd. Was het wonder, dat vele kranten de cijfers van de volkstelling, uitgegeven door het Centraal Bureau voor de Statistiek, op de eerste bladzijde af drukten? Hier had gij het nu, krantenlezer, koel, onweerlegbaar, de werkelijke machtsverhoudingen op godsdienstig gebied. Geen praatjes verder, geen weerwoorden. Rome gaat vooruit als een stoomwals op volle toeren, de Hervormde Kerk kan de bevolkingsaanwas niet bijhouden, de gereformeerden handhaven zich zo ongeveer, al moet men de Synodalen en de art. 31’ers te zamen tellen om tot zo’n stabiel cijfer te komen. De Joden zijn voor een zeer belangrijk deel uitgemoord en de mensen, die tot geen kerkgenootschap behoren, nemen relatief èn absoluut toe.

Maar laten wij oppassen voor het cijfer. De .ware statisticus ergert zich ten zeerste, wanneer hij al die beschouwingen leest. Hij weet, dat zo’n cijfer een moment-opname is, en dat het pas levend wordt, wanneer men de stromen cijfers kent, die tot dat ene cijfer leidden. De ware statisticus is uiterst voorzichtig met het cijfer. Laten wij het daarom ook zijn en niet meer uit deze getallen lezen, dan er in te lezen valt.

Wie hebben de lijsten der volkstelling omstreeks de 31e Mei 1947 ingevuld? Huisvaders, daarbij vaak geholpen door enquêteurs. De meeste vragen wisten zij wel. Bij de leeftijden van hun kinderen moest het trouwboekje te pas komen, maar voor de rest aarzelden ze niet. Behalve bij die griezelige vraag over het kerkgenootschap, waartoe men al dan niet behoorde. Laten wij, om de innerlijke waarde van deze cijfers te peilen, goed weten, dat het hier alleen gaat om een zeer uiterlijke band. Er werd niet naar het geloof gevraagd, maar naar een organisatorische, soms alleen maar historische verhouding. Daarom mag men niet zeggen: aha, er zijn bijna drie millioen hervormden. Want onder die drie millioen telt men zowel de allertrouwste ouderling als de baby van de vrouw, wier grootmoeder nog hervormd lidmaat was en wier man indertijd op Zondagschool geweest was bij de dominee van de Grote Kerk.

Deze cijfers duiden geen organisatiemacht aan. Zij wijzen voorlopig nog slechts op een bepaalde beweging. Voorlopig nog. Want er moeten nog méér cijfers komen, willen wij werkelijk iets weten. Wij moeten, om te beginnen, de leeftijdsopbouw van ons volk, ook naar de