is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 1, 01-10-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Anti-semitisme in de bestrijding van het anti-semitisme

„Het Zeeuwsch Dagblad”, een christelijke krant, publiceerde drie hoofdartikelen over „De Wandelende Jood”, om te waarschuwen tegen het antisemitisme, dat overal in de wereid sterker wordt.

Men zou zeggen: een mooi ding! Het ielijke is .echter, dat in dit christelijke dagblad het antisemitisme bestreden wordt op een wijze, die naar onze overtuiging niet alleen de antisemiet in zijn antisemitisme versterkt, maar ook zelf als antisemietisch moet worden gekwalificeerd. „Het Zeeuwsch Dagblad” vraagt naar de donkere achtergrond van de domme Jodenhaat: „Een af doend antwoord op deze vraag, zal nog wel even op zich laten wachten. Dat wil echter helemaal niet zeggen dat er geen enkel argument is waarom de, blijkbaar onuitroeibare. Jood zich stinkende maakt bij zijn omgeving.”

Begrijpt u? Het antisemitisme is fout, maar de blijkbaar onuitroeibare Jood het wordt als een onloochenbaar feit geconstateerd en als èen algemene waarheid gelanceerd maakt zich stinkende bij zijn omgeving. Later wordt hetzeifde nog weer op een andere wijze herhaald: de wandelende Jood heeft zichzelf verachtelijk, zo niet onmogeiijk gemaakt. „Van ouds her reeds openbaart hij een voor ons stotende karaktertrek. Het is

zijn arrogante houding die hij, schier over het ganse brede levensterrein, alom ten toon spreidt.

Bij een ietwat intieme omgang, ziet hij er heus niet tegen op om u de oorzaak, hiervan rondweg mede te deien. Niet zeiden krijgt ge de niet te weren indruk alsof het hem een behoefte is, om dit voor hem grote geheim u toe te vertrouwen.

Verwonder u niet al te zeer, mijn waarde lezer, wanneer ge leest waarop de wandelende Jood, öf in het geniepige, öf voor het grote wereidoog, zo fijntjes geuren kan. Hij heeft, naar hij zelf getuigt, van alle volkeren der aarde de oudste papieren; hij behoort tot de oudste bewoners van deze planeet. Zijn stamvader is, de ons allen min of meer welbekende. Abraham, de verheven Vader. Op deze roemrijke herkomst nu gaat de, voortdurend verdrukte. Jood niet weinig prat.”

Het is een „onnozele gedachte”, dat deze heerlijke begunstiging voor de Jood een verdienstelijk element inhoudt. „Het eigengerechtig Jodenhart voelt zich, zeer behaaglijk, gestreeld; de oude Jodentrots wordt heuglijk gevierd. Inplaats dat . deze vleiend-schone bevoorrechting hem nu tot ootmoedige dank stemde, jegens Jehova steekt hij het trotse hoofd fier om-

hoog, om tegelijkertijd met een zeer laatdunkend gebaar neer te zien op al wat niet Jood is. En dddr nu wringt hem de schoen in hoofdzaak.

De wandelende Jood is zelf mede de oorzaak „dat hem geen rustige wandeling onder zijn tijdgenoten gegund wordt”.” Conclusie: „Aanleidende oorzaak tot het welbekende antisemitisme is de wandelende Jood zelf, in eigen persoon. Dat blijft buiten kijf”.

In het derde artikel lees ik. verder nog: „Het huidige Jodendom is op en top materialistisch. Zonneklaar blijkt dit bij de overgrote massa in de zucht om naar Paiestina uit te wijken.” Ook nog dit: „Helaas voor hen, ze begeren wel het land der vaderen, echter niet de God der vaderen”.

En dan komt de grote vraag: „Nu klemt de vraag, mogen wij de wandelende Jood nog dulden op onze vaderlandse erve? Somtijds is hij toch maar kwaiijk uit te staan, in zijn arrogante houding, in zijn vaak wederrechteiijk indringen, enz.

Moeten we ons vandaag gezien het verleden niet schouder aan schouder scharen, naast het welbekende antisemitisme? Neen, in geen enkel geval.” Om twee redenen niet: le. de Jood leeft niet

Dachau 1949

II

Doden en levenden

We stonden met de auto voor de poort van Dachau. Stoppen. Amerikaanse schiidwachten. Ik liet mijn pas zien en het officiële doodsbericht van mijn man, met het stempel van het C.C. Dachau en het registernummer er op. Er werd even overleg gepleegd en toen kreeg ik toestemming om binnen te gaan. Ja maar, de auto met Herr und Frau Tepke moest ook mee. Heftig nee geschud van de schildwachten. Geen Duitsers in Dachau. Met mijn beste Engels vertelde ik van Herr Tepke’s menslievendheid in het kamp. En dat ik er niets aan zou hebben, ais hij me de weg niet wees. Goddank, ze lieten zich overreden. Alieen werden de persoonsbewijzen afgenomen en ingehouden. Ach ja, dat kende ik van vroeger!

We reden verder. Een brede weg, links en rechts grote machinewerkplaatsen, autoreparatie-inrichtingen, enorme garages en opslagplaatsen van uniformen. Vroeger was dit alles van de S.S.-troepen, nu is het alies van het Amerikaanse leger. Vroeger bewoonden S.S.-officieren de mooie villa’s, die het kamp omringen. Nu wonen er Amerikaanse officieren.

Eindelijk hielden de werkplaatsen op. Een bord wees naar rechts: naar het crematorium. We reden weer een weg op. Links het prikkeidraad, waarachter het kamp ligt. Rechts vonden we na enig zoeken de ingang van het crematorium.

Niets is hier veranderd. Zoals de Amerikanen het gevonden hebben, zo hebben ze het gelaten. In het lijkenhuis ziet men nog de bloedvlekken op de muur. Er zijn twee crematoria. Twee gewone schuren. (Hoe kon ik toch zo dom zijn, om in mijn verbeelding me het crematorium voor te stellen als een soort kapel?) In het oudste staat een grote kachel met 2 ovens, die zo lang zijn, dat een ijzeren lijkbaar er in geschoven kan worden. In het nieuwe staat een kachel met acht ovens. Het ging immers veel te langzaam, als men maar twee

mensen tegelijk kon verbranden. De lange bak-blikken steken nog in de ovens. Tien mensen tegeiijk en dan dag en nacht! Er staat ©en bord bij de ingang. In ’t Engels staat er op geschreven: „Hierwerden 238.000 mensen verbrand.” In het lijkenhuis werden de iijken op elkaar gestapeld. En dan bij tien tegelijk in de ovens. Welke mensen waren het toch, die dat werk deden?

Er staat een houten kastje buiten, en ik vraag Herr Tepke wat dat betekent. „Ach dat, daar werden de mensen mee bedrogen, die de as van hun geliefden kwamen halen. De meeste as werd in de grond geworpen (men ziet er nu een grasheuvel van),maar men zorgde altijd voorraad te hebben in dit kastje. Eén schop vol in een urn en men liet de familieleden betalen voor de as van hun vader of zoon.” |

Ik vertelde Herr Tepke, dat ik zelf ook een schriftelijke aanbieding uit Dachau had gekregen, om de as te laten sturen. Ik hoefde slechts ƒ 75 te betalen. Herr Tepke lachte grimmig. „Dat was hun bijverdienste”, zei hij.

Het allerergste zijn de gaskamers. Vier naast elkaar, waar ongeveer 10 mensen in gingen, en één heel grote voor 50 personen. Buizen aan de zolder voor water en buizen met gaatjes voor gas. Eerst het warme water. Pas als de kamer vol stoom stond, kwam het gas er bij. En dan dat éne kleine, gat in de muur. Ijzeren stang er voor. Daarachter stond de bewaker. Was het nog een mens? Nee, dat moet de duivel zelf zijn geweest. Wie Dachau wil bekijken, moet zijn hart op slot doen.

We komen weer buiten en lopen pardoes tegen de galgen aan. Er is pas een rouwdienst geweest. Op een platform staat een houten kist met een grafkrans en een kruis. Een kist van een gestorven mens! Hier, in dit oord!

Er staan grote bomen in de tuin om het crematorium. De opschriften vermelden, dat ze als galgen gediend hebben. Merk-

der herkennen in het licht van wat God ons onthullen wil.

Ach, is dit, naar zijn diepste bedoeling, ook niet de grote bijdrage geweest van Barchem aan het Nederlandse geestesleven? Hoe vaak heeft men ons niet gehoond, omdat wij daar maar praatten en praatten; stichteiijk deden en stil werden; niet tot conciusies en niet tot daden kwamen!? Maar dat kon daar allemaal, omdat er een richting in de beweging zat. En omdat men bereid was, eikander in God te herkennen. Dan nóg is het spreken moeilijk. Dan nog moet men eindeloos geduld hebben. Maar dan gebeurt er iets voor de persoonlijkheidsvorming, dat later blijkt beslissend geweest te zijn.

Ik keer terug naar de prater in de kapperssalon. Hij laat in al zijn onnozelheid zien, hoe de levensbeslissingen voortvioeien uit velerlei emoties. Welnu, waarachtig gesprek is slechts mogelijk, wanneer wij samen de bronnen van die emoties hebben ontdekt. Wanneer wij vrienden zijn. Wanneer wij gelijke geloofsvisie hebben. Wanneer wij samen gelijke verantwoordelijkheid erkennen.

Conclusie: Het is goed, dat in Nederland mannen en vrouwen zich opmaken om samen te spreken. Maar wij doen goed de grenzen der mogelijkheden van dè.t gesprek in het oog te houden. Opdat wij geen illusies gaan koesteren. L. H. RUITENBERG