is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 4, 22-10-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mao Tse-Toeng: Een nieuwe Tito?

Na het déb&cle van China’s nationalisme

Alle voorspellingen ten spijt rollen de communistische legers in Steeds sneller tempo zuidwaarts over China’s veelomstreden aarde, de grenzen van Siam, Indo-China en Hongkong tegemoet. Dean Acheson had gelijk toen hij, geruime tijd geleden, het advies van zijn raadgevers opvolgde en het Kwo Min-tang-regiem elke verdere steun ontzegde. Het failliet van de Chinese nationalisten, toen reeds nabij, is thans een voldongen feit. Geen buitenlandse hulp kan nog baten. De heersers zijn te gronde gegaan aan hun eigen corrupte systeem en daarmee is aan de Westerse illusie van een machtig anti-communistisch China als bondgenoot de bodem ingeslagen. Ook China heeft laten zien, dat men in primitieve en verarmde landen het communisme niet met granaten kan tegenhouden. Het beste wapen is de sociale en economische hervorming. Maar dit wordt meesterlijk gehanteerd door de boerenleider Mao Tsetoeng. En hij is winnaar in deze gigantische strijd. |

Mao’s tweede wapen is het regionale natioaalUtme, dat van zeer veel betekenis is in dit schier onmetelijke land met zijn vele weinig aan elkander verwante volken. Dit nationalisme hangt weer ten nauwste samen met de sociale onrust en nood. Immers, de oorlogen werden niet op eigen bodem ontketend en de schattingen niet aan eigen volk bedeeld. Zo lag het voor de hand, dat Mao de combinatie vond van het streven naar autonomie van een aantal Chinese provincies en het verlangen der bevolking naar een redelijk bestaan. De Kwo Min-tang-generaals beschouwden de .grensprovincies ais wingewesten voor hen persoonlijk; deze waren de prijs voor de steun die zij aan Tsjang Kai-sjek gaven. Gemakkelijker prooi voor de communisten was er niet te vinden. Gemakkelijker en vertrouwder uitgangspunt voor de indrukwekkende veroveringstocht, die thans op zijn hoogtepunt is, was niet denkbaar.

Er gaat van de leider van het rode China een grote roep uit. Hij is eenvoudig en onzelfzuchtig, kent uit eigen ervaring de noden van het volk; zijn legers plunderen niet, zijn ambtenaren zijn niet omkoop-

baar, en vooral: hij brengt wat rechtvaardigheid, wat rust en kans op welvaart. Dit is een novum voor het oude China, waar corruptie en brandschatting ouder zijn dan ’s mensen heugenis reikt. |

Als Mao er in slaagt overal in China wat van die welvaart en rust te brengen en daarbij de oude heersende groepen kan uitschakelen, maakt hij een goede kans het oude, verdeelde land tot nieuw en invloedrijk ieven te wekken. Maar ook de Kwo Min-tang had deze plannen toen deze beweging startte! Er is wel gezegd, dat het probleem van China eigeniijk niet zozeer in zijn heersers als wel in zijn bevolking zelf ligt. De corruptie van China’s leiders is in wezen de corruptie van het gehele volk: van de taxi-chauffeur, de winkelier, de douanebeambte, de belastinggaarder.. Mao krijgt met dezelfde mensen te doen als Tsjang Kai-Sjek. Nu hij zijn macht moet vestigen in Centraal- en West-China komt dit probleem eigenlijk pas goed aan de orde, veel meer dan in het dunbevolkte Noorden, waar hij zijn eerste proeven met succes bekroond zag. |

Er zijn punten in zijn voordeel. Allereerst dat de bevolking de strijd moe is. Voorts de sociale plaats van deze nieuwe leider. Mao mist de binding met familie of belangengroep, waardoor het gedrag van Tsjang Kai-Sjek in zo sterke mate bepaald werd. Van veel belang is echter te weten, of hij in de plaats hiervan niet even zwaar belast is met verplichtingen jegens Moskou. Dit laatste vooral is voor het Westen van grote betekenis. I

I Op het ogenblik doet de Leninistische propaganda haar intrede. Kort geleden is in Peiping een congres belegd voor alle schrijvers en andere kunstenaars uit China om tot één politiek front te geraken. Het tijdens deze bijeenkomst door de nieuwe Chinese Fadejew, Kuo Mo-jo, gebezigde jargon is bekend: kunst in dienst van het volk, afzwering van elke Westerse, imperialistische zo goed als van elke Chinese feodale invloed, etc. Men probeert de intellectuelen op deze wijze in een „communistisch front” te verenigen. Het doel is alle beschikbare krachten voor een snel herstel te mobiliseren. Het is zeer goed mogeiijk.

dat deze prélude gevolgd wordt door een démasqué als in de Oost-Europese landen. Men behoeft het in dit verband niet uitgesloten te achten, dat het belangrijkste ideële bolwerk van het westen in China, zending en missie, wier werk op het ogenblik nog niet bemoeilijkt wordt, op den duur ook aangegrepen zal worden. Momenteel probeert de zending tot samenwerking te komen, maar zal deze geboden hulp ook nog geaccepteerd worden als het communisme vast op zetel zit? |

I Het communisme in China, hierop wijst alles, belooft in al zijn vormen onvervalst te worden. Het is echter voorbarig om te menen, dat communistisch China in het gareel van Rusland zal lopen. De mogelijkheid van een Tito-figuur is niet uitgesloten. Ten eerste i;? het nationalisme in China, ook in communistische gelederen, bijzonder sterk en ten tweede heeft het land, veel meer dan Ruslands vazallen, een geregeld en vrij verkeer met het Westen nodig voor het herstel van zijn economisch ieven. En zo deze situatie mocht ontstaan, heeft een Chinese Tito aan het hoofd van dit uitgestrekte land veel meer kansen dan de heerser van Joegoslavië. |

Thans reeds wordt het Westen voor de vraag gesteld, of Mao erkend moet worden. Het is begrijpelijk, dat de Amerikanen eerst over de kater van hun mislukte politiek in het Verre Oosten heen moeten komen. Engeland daarentegen maakt ernstig aanstalten om hiertoe over te gaan. De beslissing of er werkelijk een vruchtbare samenwerking met het Westen zal zijn, wordt echter in Peiping, thans weer China’s hoofdstad, genomen. Dit hangt in belangrijke mate af van het gedrag der communisten, nadat geheel Zuid-China iii: hun handen gevallen is. Zal Mao’s strijdmacht stoppen aan de grenzen van Birma en Thibet? Hieruit zal eveneens blijken. Ui hoeverre Mao de politiek van Moskou wil dienen. Want in China’s belang is het zeket niet om met een actie in genoemde landen weer onrust in Zuid-oost-Azië te brengen. Daarmee zou het de steun van het Westoi voorgoed verspelen.

H. VAN VEEN

Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

De aanvaarding door de Tweede Kamer van het wetsontwerp publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie maakt het wel zeker, dat deze wet binnenkort in het Staatsblad zal komen. De betekenis daarvan is zeer groot, Wel is dit maar een raamwet d.w.z. zij maakt het vormen van product- en bedrijf schappen mogelijk, maar deze kunnen pas metterdaad worden ingesteld door aparte wetten (voor de productschappen) of Koninklijke Besluiten (voor de bedrijfen hoofdbedrijfschappen) —, maar de consequenties die daarmede in het verschiet komen, zijn van zeer verstrekkende betekenis; ten goede of ten kwade: dat staat mijns inziens nog helemaal niet vast. Eén ding staat echter na de Kamerdebatten wel als een paal boven water: er bestaat bij de kiezers een enorme belangstelling voor. In de eerste ronde van de openbare behandeling zijn de meningen zeer principieel-con-

trasterend en uiterst scherp tegenover elkaar geplaatst, maar het was desniettemin van meet af aan zeker, dat door het aanvaarden van compromissen de totstandkoming in de tweede ronde zou worden verzekerd; de buitenstaander kreeg althans de indruk, dat geen enkele partij lust had om later aan haar kiezers te moeten gaan uitleggen waarom ze tegen had gestemd, Ook de Anti-revolutionnairen en Christelijk Historischen, die per slot van rekening zich er tegen hebben uitgesproken, hadden veel liever vóór gestemd en zijn, als ik goed zie, inderdaad zeer tegen hun zin op grond van de door hen geconstateerde strijdigheid van dit ontwerp met de Grondwet tot hun houding gekomen. De Grondwet eist nl. instelling van de p.b.o.’s (dus ook van de bedrijf- en hoofdbedrijfschappen) bij de wet en dit sluit volgens hen instelling bij een op de wet steunend Koninklijk Besluit uit,

een mening, die met de Grondwet in de hand ongetwijfeld goed is te verdedigen. Wat de kiezers tot hun stille, maar massale en onmiskenbare aandrang heeft bezield is de gedachte van de medezeggenschap. Men voelt de p.b.o. als een stap in deze richting.

In product- en bedrijfschappen zullen de arbeiders ook over economische vraagstukken gaan meepraten. Misschien is nog van meer belang dat dit ook in het toporgaan, de Sociale en Economische Raad, het geval zal zijn. Nu is dit wel niet volkomen nieuw; er zaten de laatste jaren wel reeds allerlei mensen uit arbeiderskringen in tal van hoge colleges (Economische Raad, Bankraad. College voor Handel en Nijverheid, enz.), maar ze zaten daar meestal alleen als personen (behalve in de Stichting voor de Arbeid), terwijl de Sociale en Economische Raad een representatief karakter heeft. Het lidmaatschap van dit toporgaan is hoogst belangrijk omdat het niet alleen de besturende top van het gehele apparaat zal zijn, maar omdat het bovendien zal fungeren als representatief adviesorgaan van de regering. Met betrekking tot deze Raad kan het optwerp ook niet als een raamwet