is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 7, 12-11-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De culturele taak van de vakbeweging

Gezien het nieuwe beginselprogram van het N.V.V., kan men de vraag stellen: „Heeft onze vakbeweging nog een culturele taak?” Zo gesteld houdt deze vraag in, dat de vakbeweging vroeger wel een culturele taak heeft gehad.

De geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging wijst ook in deze richting. Reeds vóór de stichting van het N.V.V. hebben de afzonderlijke bonden pogingen gedaan om het geestelijke jen culturele leven,van de arbeiders vorm te geven. In het bijzonder mag hier genoemd worden de A.N.D.B. onder de geniale leiding van Henri Polak. Deze organisatie hield in de jaren vóór 1906 reeds cursusvergaderingen met het doel de leden tot ontwikkeling te brengen.

De oprichtingsdatum van de Amsterdamse Stem des Volks valt reeds vóór 1900. De Bond van Arbeiders zangverenigingen werd reeds vóór 1906 opgericht. De bond van Arbeiders Muziekverenigingen zien wij reeds vóór de bond van Arbeiders Toneelverenigingen tijdens de eerste wereldoorlog verschijnen.

De samenwerking tussen S.D.A.P. en N.V.V. had tot gevolg, dat de A.J.C., het Instituut, de V.A.R.A. en de Sportbond in de jaren 1918-1930 het culturele werk van de arbeidersbeweging deden uitgroeiden.

Het „Scholenwerk” van het N.V.V. en het stichten van eigen gebouwen mag eveneens onder het culturele werk worden gerangschikt.

Het doel van de strijd

De toestand, waaronder de arbeiders o.m. in de tweede helft van de vorige eeuw leefden, was meer dan erbarmelijk. Materieel, geestelijk en cultureel waren zij verstoken van alles wat een mens nodig heeft om tot ontplooiing te komen.

De strijd der georganiseerde arbeiders is altijd meer geweest dan een strijd om betere arbeidsvoorwaarden. Doch in de eerste jaren van het optreden van de vakbeweging lag het zwaartepunt van deze strijd bij de broodvraag.

Hoe is het mogelijk, mens)en die van honger en ellende, in doffe berusting zijn geraakt, tot volle ontplooiing te brengen? Het is daarom de vraag of prof. W. F. de Gaay Fortman in zijn boekje „De arbeider in de nieuwe samenleving’”) aan de geschiedenis van het N.V.V. wel recht doet als hij het debat tussen ds Talma en Domela Nieuwenhuis beschrijft. De aandacht van de vakbeweging was in die jaren in de eerste plaats gericht op de materiële positie van de arbeiders. Dat is juist! De geschiedenis wijst er evenwel op, dat de strijd van het eerste ogenblik af ook tot doel had „de massa op te heffen” uit de enge gezichtskring van de strijd om het naakte bestaan. Het gaat niet alleen om de broodvraag. Het is echter zo, dat honger en ellende een hoog peil van ontwikkeling in de weg staan; het-

‘) Uitgave „Vrij Nederland” pag. 99-101.

geen nog niet wil zeggen, dat betere materiële omstandigheden de drang naar de hogere dingen van het leven automatisch insluit.

Het geestelijk tehuis

Er was in ideologisch opzicht een samengaan van partij en vakbeweging.' Het is moeilijk het geestelijk klimaat van de socialistische arbeidersbeweging te beschrijven. In ieder geval stond er niets in het beginselprogram van het N.V.V. van voor de oorlog, wat hiervoor houvast biedt. Het in 1929 gewijzigde beginselprogram vermeldde slechts als doelomschrijving „Het bijeenbrengen en bijeenhouden van nationale verenigingen, ter behartiging harer gemeenschappelijke en bijzondere belangen en die der gehele arbeidersklasse, teneinde te komen tot een productiestelsel, gericht op het algemeen welzijn en daardoor tot volledige vrijmaking van de arbeidersklasse”.

Hoogstens kan men zeggjen, dat er zo in ’t algemeen de opvatting heerste, dat de mens in wezen wel goed zou zijn en een verbetering van de omstandigheden dan ook wei een verbetering van de mens met zich mee zou brengen. Er was een geloof in de menselijke rede en een sterke verwachting, dat de beschaving zich naar hoger peil ontwikkelde.

Het waren in hoofdzaak buiten-kerkelijken, die leden van het N.V.V. van vóór 1940, waaronder velen, die de kerk hadden veriaten. De mensbeschouwing, die in dit klimaat kon bestaan, vindt misschien juist zijn oorsprong in de reactie op de houding van kerkelijke zijde ten aanz|en van de materiële omstandigheden der arbeiders. Immers, daar overheerste in het algemeen de mening, dat het aardse leven slechts bijzaak is en het gaat om het hiernamaals. Zo kon ook het isolement ontstaan, het geheel eigene als totale levensvulling in de socialistische beweging. In dit isolement lag de kracht van de beweging, doch tevens haar beperktheid.

De doorbraak in de vakbeweging

De oorlog 1940/1945, de bezetting, de illegaliteit, zijn oorzaak, dat hetgeen door velen vroeger als vast werd beschouwd, een andere betekenis ging krijgen. Het verband met de partij werd niet hersteld. Het N.V.V. stond alleen en moest een geheel nieuw beginselprogram vaststellen. Velen, die vroeger het socialisme als levensbeschouwing hadden beleefd, hoorden nu, dat het socialisme in wezen slechts een maatschappij-beschouwing kon zijn. Éigen culturele organisaties konden niet meer bestaan. Aan het „algemene” 'karakter van de vakbeweging moest vorm worden gegeven. De mogelijkheid om ook arbeiders uit andere gezindten aan te trekken, kan alleen tot stand komen, indien het standpunt „Godsdienst is privé-zaak” wordt losgelaten en wordt vervangen door erkenning van het verband tussen geloof en maatschappijbeschouwing.

Dit is niet alleen een kwestie van wijziging van het beginselprogram. Feitelijk was het beginselprogram vroeger „neutraal” wat betreft geloof en levensovertuiging.

Een wijziging van het sociaal-economisch program en een aanvulling ten aanzien van het geestelijke en culturele leven moet slechts een omschrijving zijn van wat er leeft in het Verbond, zoals dit dagelijks naar buiten en naar binnen tot uiting komt. Het niet meer vergaderen op Zondag, de houding van het N.V.V. in de laatste jaren ten aanzien van het doel van de strijd der vakbeweging en de wijze, waarop deze strijd moet worden gevoerd, hebben vele kerkelijke arbeiders in onze rijen doen treden. In de kringen van het N.V.V. is men dan ook algemeen van mening, dat in feite de doorbraak in de vakbeweging verder is dan in de politiek, ook al kent de vakbeweging niet het systeem van afzonderlijke werkverbanden. Op 1 Januari 1948 was 31,4% van de georganiseerde arbeiders bij het N.V.V. aangesloten, terwijl de K.A.B. en het C.N.V. op deze datum resp. 23,9 en 12,5% omvatten. We nemen aan, dat het aantal ongeorganiseerden in alle levenskringen naar verhouding gelijk is. Dan moet nog worden medegedeeld, dat de meest linksen onder de arbeiders nog steeds bij de E.V.C. zijn aangesloten. Volgens de laatste volkstelling is het percentage buitenkerkelijken 17 %, katholieken 38 %, gereformeerden plm. 10 % en Ned. Herv. 31 %. Deze vergelijking is natuurlijk niet zuiver, maar er volgt toch wel uit,, dat een groot aantal leden van het N.V.V. tot één of ander kerkgenootschap behoort.

Voor wie dagelijks in de vakbeweging werkt, is dit geen nieüws.

De culturele taak nü!

Artikel 2 van de nieuwe statuten van het N.V.V. geeft voor de culturele taak van de vakbeweging de volgende richtlijnen:

„Het Verbond zal bevorderen, dat alle beletselen en vooroordelen, die de werknemers verhinderen aan het geestelijke en culturele leven onzer volksgemeenschap deel te nemen en tot een volledige persoonlijkheidsontplooiing te komen, uit de weg geruimd worden.

Het Verbond acht het in verband hiermede juist, dat de leden der aangesloten verenigingen actief deelnemen aan de werkzaamheden der voor hen krachtens geloofs- of levensovertuiging in aanmerking komende culturele organisaties.

Het Verbond zelf en zijn aangesloten verenigingen beperken zich bij hun culturele werk in hoofdzaak tot de scholing en ontwikkeling, die noodzakelijk zijn voor het verrichten van hun sociaal-economische taak tot het aankweken van een juiste arbeidsmoraal en tot het bieden van verantwoorde mogelijkheden voor recreatie en vacantiébesteding, waarbij rekening zal worden gehouden met de geestelijke verscheidenheid van de leden der aangesloten verenigingen.”

In artikel 3 wordt omtrent het geloof van de leden het volgende gezegd:

„Het Verbond wil zoveel mogelijk werknemers, van welke geloofsovertuiging of levensovertuiging ook, op de grondslag van het in artikel 2 vervatte beginselprogram verenigen in de bij het Verbond aangesloten verenigingen. Het erkent het innige verband tussen religie en levensovertuiging enerzijds en maatschappelijk inzicht anderzijds en stelt zich op het standpunt, dat de leden volle gelegenheid dienen te hebben om van dit verband ook in hun arbeid voor de vakbeweging te doen blijken. Het staat echter vast, dat de belijders van een