is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 10, 03-12-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joods verzet in een Poolse film

Van 19 April tot 22 Mei 1943 heeft het verzet geduurd van een handvol Joden tegen SS-legers. Met vlammenwerpers, handgranaten en machinegeweren, die van Poolse partisanen waren gekocht, en die opgeborgen werden in onderaardse bunkers, bonden de 40.000 Joden van het ghetto in Warschau 360.000 waren ondertussen weggevoerd, neergeschoten, vergast hun laatste strijd aan met de Germaanse horden. Na vijf weken bleven er een paar over in dat ghetto, dat na die weken een brandende ruïne was geworden. Geen water was er meer op deze 22ste Mei 1943 in het ghetto, geen gas, geen levensmiddelen, geen leven. De Duitsers bleven overwinnaars. De Duitsers? Eeuwig zal in de geschiedenis de strijd der Joden in Warschau voort blijven leven. Zij, die op enkele tientallen na door de Duitsers werden ausradiert, hebben de overwinning behaald, zij, wier voorvaderen de Maccabeeërs waren.

Over deze heldenstrijd is al veel geschreven. Ontroerende gedichten en liederen zijn tot ons gekomen, gedocumenteerde beschrijvingen en romans (als „De glorie van Elsie Silver” vau Louis Golding). En nu wordt ook in Nederland vertoond de Poolse film „De waarheid kent geen grenzen”, vervaardigd door de regisseur Alexander Ford. Met grote spanning heb ik naar dit werk uit-

gekeken, en misschien heb ik te veel verwacht, want deze film Is onder de maat gebleven. Hakkelig is, filmisch gesproken, het begin, waarin wij met een voor-oorlogs huis en zijn bewoners in Warschau worden geconfronteerd. En wat wij dan in het verdere verloop te zien krijgen, is ten dele helaas! niet boeiend genoeg. Dit te zeggen van een film, die een van de meest tragische en heroïsche episoden uit de oorlogsjaren weergeeft! De eerste helft van deze film wordt gekenmerkt door een hinderlijk conventionele en cliché-achtige vormgeving. Wij betrappen ons ofschoon wij wéten, dat de werkelijkheid nog veel en veel afzichtelijker is geweest bij de gedachte: neen, wat deze" mensen op het witte doek zeggen en doen, overtuigt mij niet; zij spélen... zij acteren... Te Veel lijkt het op arrangement.

Het massale noodlot, zoals het op ons afkwam uit de Auschwitzfilm „De laatste étappe”, wordt in deze nieuwe Poolse film verbrokkeld en versnipperd; de kracht van massaal gedragen lijden en die van massaal gevoerde strijd, een kracht, die ook de bioscoopbezoeker anno 1949 enkele ogenblikken, een paar uren of dagen kan verpletteren, deze kracht heb ik in „De waarheid kent geen grenzen” gemist. Natuurlijk kan ook de uitbeelding van een individueel leven, dat als het ware uit de massa naar voren treedt, die functie vervuilen. En om alle misverstand te voorkomen —■ het verhaal van deze fiim is zeer zeker niet ongeloofwaardig. Maar het komt aan op de suggestieve greep, die zo’n filmwerk op het publiek moet hebben.

Ik zou echter schromelijk overdrijven, indien ik beweerde, dat alie figuren te schimachtig aan ons oog voorbijtrekken, of dat die film helemaal vergeet de taal der film te spreken. Neem bijv. de oude vrome kieermaker, die, terwijl achter en voor hem de verzengende vlammen hun werk doen, zijn „Boroech atoh, Adounoj Eloukijnoe, Adounoj Echod” bidt, zijn grootste en laatste troost vindend in een geloof, dat sterker is dan de vlammen.

En ook enkele episoden zullen wij niet licht vergeten; ik denk vooral aan de om en voor hun leven „werkende” slaven in het ghetto-atelier, aan de siavendrijver, die er op toeziet, dat er zoveel mogelijk uniformen zo goed mogelijk voor de Wehrmacht worden afgeleverd. Hier worden wij gegrepen door het massale lijden, dat wij zelfs in de transport-taferelen (transport naar het ghetto) missen.

„De waarheid kent geen grenzen” geeft ons, ai met al, een zwak beeld van een ongelooflijk heldhaftige strijd; maar zij is in ieder geval de éérste film, die ons kennis doet nemen van het Joodse verzet. (Dat, terloops zij er van gewag gemaakt, volgens de mij ter beschikking staande gegevens, aan de Poolse verzetsstrijders veel minder te danken heeft, dan door Ford’s film wordt gesuggereerd). Doch, anderzijds, kan men redeneren, zou een der gelijk werk juist daarom moeten pogen, niet verre onder de maat van de door hem uitgebeelde werkelijkheid te blijven.

Ondanks aile bezwaren: velen moeten deze film zien, terwilie van enkeie uitstekende fragmenten, die ons ineens weer doen beseffen, dat de Germaanse kuddemens in die voorbije jaren vreesaanjagender en verscheurender was dan verscheurende honden en vreesaanjagende riolen... Gij, die deze film gaat zien, moet echter weten, dat deze ghetto-strijd er een was van 800 uren, gestreden tot het eind toe tegen een overweldigende tJbermacht der Übermenschen.

H. WIELEK

China woog tegen dit alles niet op, omdat het nog blijken moet in hoeverre de Chinese communisten naar het pijpen van Moscou zullen willen dansen. Bovendien ... China heeft dringend grootscheepse materiële en financiële hulp nodig en hoe zal de Sowjet-Unie die in voldoende mate kunnen verlenen?

Kortom: de rol van de Zhdanov-groep was uitgespeeld en de „zuivering” begon. Door dit alles heen speelde de interne strijd om de opvolging van Staiin, wiens gezondheid verslechterde. Het resultaat was, dat wat meer gematigden de (voorlopige) overwinning behaalden.

Een economische crisis.

De genoemde zuivering heeft echter, volgens prof. Raymond, ook ernstige binnenlandse oorzaken, die allereerst op economisch terrein liggen. De „Zhdanov-richting” heeft nl. ook t.a.v. de Sowjet-economie een harde politiek gevoerd. D.w.z.: de economische planning bleef na de oorlog gericht op een snelle opbouw van de zware industrie (kolen, olie, staal, machines, bewapeningsindustrie) met vergaande verwaarlozing van de productie van consumptiegoederen voor de grote massa.

Dat betekent, dat voorlopig geen sprake kan zijn van een enigszins behoorlijke verhoging van het levenspeil der bevolking. Een levenspeil, dat zeer laag is. Dat betekent dus ook: een voortduren van ontberingen, die het Russische volk zich al zo lang heeft moeten getroosten.

Daarbij komt, dat leger, vloot en luchtmacht nog altijd 3.500.000 man tellen. Voor de economie der Sowjet-Unie betekent dit 0.a., dat 1/7 van de gehele industriële productie wordt opgeëist voor dit enorme

militaire apparaat, dat o.m. de halve katoenoogst opgaat aan militaire kleding en eveneens de heift van de vleesproductie voor de miiitairen bestemd is.

Deze situatie is op zich zelf al ernstig genoeg en moet wel grote spanningen oproepen, maar er komen nog twee factoren bij.

De eerste is de sinds een aantal jaren gevolgde „gezinspolitiek”, die zo goed heeft gewerkt, dat in plaats van het in het jongste Vijf-jarenplan berekende geboortecijfer van 3.000.000, dat cijfer in werkeiijkheid de 5.000.000 heeft bereikt.

De toch al zeer lage productie van consumptie-goederen volgens het Vijfjarenplan is ten enenmale niet berekend op dit „resultaat” van de gezinspolitiek. Tot overmaat van ramp heeft de buitenlandse „Zhdanov-politiek” ook haar directe, ongunstige weerslag gehad op de economie. De Sowjet-Unie is immers nog nooit in staat geweest om voldoende machines van goede kwaliteit te produceren. Machines, die het juist voor de opbouw van haar industrie zo bitter hard nodig heeft. In het bijzonder geldt dit van de werktuigen voor de machine-industrie zeif. Meer dan de helft hiervan werd dan ook altijd uit de V.S. ingevoerd. De Zhdanov-politiek heeft er echter toe geleid, dat in 1948 de Amerikaanse regering de export van machines naar de Sowjet-Unie praktisch geheel heeft verboden.

De morele crisis, waarover Raymond in de derde plaats spreekt, hangt met deze economische situatie nauw samen. Doch hierover in een volgend artikel.

Tegelijk hopen wij dan uit deze analyse van prof. Raymond enkele conclusies te trekken.

J. HULSEBOSCH