is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 13, 24-12-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onze grccUte dichteres

Mevrouw Holst, het liefste zou ik hier niet veel woorden willen gebruiken. Ik zou vooral niet deskundig willen gaan doen en de waarde van uw dichterlijk werk gaan afwegen alsof het aan mij was om daarover een oordeel te vellen.

Zeker, het allergrootste deel van uw poëtische productie heb ik gelezen, de bundels staan In mijn kast, en ik weet daarin precies de gedeelten aan te wijzen, de verzen, de regels zelfs, waar ik het meest van houd. Komt het zo te pas, dan wil ik ook wel verdedigen dat dit de gedeelten zijn met de grootste poëtische kracht. Ik heb mij ook wel de, in zeker opzicht zo dwaze, vragen gesteld waartoe men komt door de behoefte om het eigen cultuurleven in perspectief te zien; bijv.: wie is een groter dichter, Boutens of Henriëtte Roland Holst? of: hoe zullen onze nakomelingen staan tegenover een poëzie, waarin zo duidelijk een stuk geschiedenis en geestelijke strijd van een bepaalde periode gespiegeld ligt?

Maar men houdt dat alles niet vol, wanneer men weer echt met uw werk en uw persoonlijkheid in contact treedt. Ik heb in de laatste tijd veel van uw poëzie over-

gelezen, maar al gauw was dat geen „overlezen” meer, maar een ontmoeting waarbij mij volmaakt de lust verging om van mijn kant nog iets in het midden te brengen. En hoe langer ik naar uw portret kijk, hoe meer ik verlang om mijn mond te mogen houden.

Mevrouw Holst, het is geloof ik omdat u als dichter anders was dan alle anderen. Er zijn er velen die ik met mijn hele hart bewonder, en die mijn leven rijker hebben gemaakt door de gaven van hun kunstenaarschap. Het is heerlijk dat zij er zijn en dat zij hun werken hebben gemaakt! Maar ik zou geen kunstenaar weten, tegenover wie ik dit gevoel heb van eerbied en genegenheid, en ik weet dat dit niet alleen voor mij geldt, maar voor tallozen van mijn generatie, én ouderen, én jongeren. Tegenover u overheerst de persoonlijke dankbaarheid, die ons verbindt met iemand die ons mede tot mens heeft gemaakt.

Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk, 80 jaar

Uw bundels hadden dat wonderbaarlijke, dat wat eerst een veelheid scheen van woorden en beelden en soms van moeilijke zinnen, meer en meer een stem werd die ons aansprak. En naarmate die stem klaarder voor ons ging spreken en wij vol-

iediger de bedoeling meenden te begrijpen, was het alsof wij in onszelf een stem vonden die antwoord gaf. In onszelf groeide en rijpte, wat tevoren nog niet meer dan een vermoeden was geweest. Maar naarmate wij innerlijk rijper werden, was het ons ook weer mogeiijk meer te verstaan, en ging voor ons open wat tevoren nog gesloten was gebleven. Het is omdat uit uw werk die stem klonk, omdat u met ons dat gesprek gevoerd hebt (ook ai hadden wij u nooit persoonlijk ontmoet), dat onze blijvende dankbaarheid en genegenheid naar u uitgaat.

U hebt zelf blijkbaar altijd wel geweten, hoezeer de stem en het rhythme, die de innerlijke bewegingen overdragen, behoren tot het meest wezenlijke van uw poëzie. Bij de jeugdherinneringen uit De Vrouw in het Woud heet het ai

Toen zij een kind was ontbloeide haar stem aan de stem der zee, en later zeiden de mensen van haar dat die ruiste zo diep en zwaar, zo diep en zwaar voor een vrouwestem: dat kwam van de zee, dat kwam van hem.

Dat prachtige donkere geluid, aangrijpend van ernst en oprechtheid, is u altijd eigen gebleven. En daarnaast vertelt u, hoe van uw prille kindertijd af de woorden zich „van zelven schikten tot rhythme dat rees en viel.” U bent meen ik nooit een kunstenaar geweest, wie het werkstuk in zijn volmaaktheid voor de geest stond en die dan alle krachten spande om die volmaaktheid in woord en klank te benaderen. U hebt desondanks wel (enkele!) volmaakte en hartverrukkende gedichten geschreven, maar in hoofdzaak was u een stem die sprak, een bewogen hart dat niet zwijgen kon.

Men moet daarom, geloof ik, uw poëzie anders lezen dan men het vrijwel alle andere dichters doet. Wie de vreugde en de bevrijdende werking van het volmaakte zoekt, wordt bij u meestal teleurgesteld. (Ik ben zelf ook zo’n zoeker, en ik geloof niet dat die teleurstelling u of mij tot oneer strekt!). Maar toch is het zeker niet zó, dat het bij u gaat om de „inhoud”, om het „beiangrijke onderwerp”, en dat daarbij de vorm van minder belang is. Het gaat niet om de inhoud, het ondichterlijke „materiaal” dat aan het ontstaan van het vers vooraf gaat, maar om de persoonlijkheid die achter het kunstwerk staat, en die wij a.h.w. door de toegangspoort van het vers mogen benaderen.

Toen u heel jong was —het is grappig om ons dat nu te herinneren heeft men uw poëzie egocentrisch genoemd. Toch zullen er weinig dichters zijn, die in hun werk zo weinig belangstelling tonen voor het beperkt-persoonlijke, en zozeer, filosofisch, sociaal, religieus, bewogen worden door wat het persoonlijke te boven gaat. Maar het is waar dat u nooit gepoogd hebt, over deze dingen te schrijven alsof ze buiten uw persoonlijk leven omgingen. Poëtisch beleefden zij hun geboorte pas in uw hart: in uw vreugde en uw bezorgdheid, uw verlangen, uw dappere trouw en uw innerlijke strijd. Ik sprak van de grote dankbaarheid, die tallozen in den lande aan u verbindt. Het