is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 13, 24-12-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de kant van hen, die sindsdien in de" partijtwist de reformisten werden genoemd, Henriëtte Roland Holst en Gorter, beiden niet wat men „praktische politici” noemt, beiden, veel minder dan Troelstra, Vliegen en Schaper ingegroeid in de parlementaire verhoudingen, beiden veel meer gewend in tijdperken te denken, kwamen met de partijleiding m conflict. Het eerst in 1900, in de zogenaamde agrarische kwestie. Het ging daarbij om de principiële vraag, of de partij bezitsverwerving door pachters en landarbeiders zou moeten bevorderen, H. R. H. en Gorter wezen dit van de hand. Zij betoogden, dat daardoor bezitsinstincten zouden worden aangekweekt, die een beletsel voor de socialistische ontwikkeling zouden zyn. Men leze het debat tussen H. R. H. en Troelstra. Vooral, omdat deze kwestie slechts in schijn voltooid verleden tijd geworden is. In werkelijkheid is Gorters

standpunt tegenover Lenin en de Octoberrevolutie bepaald door het inzicht, verworven in de strijd met Troelstra. Gorter en gedurende een bepaalde tijd ook H. R. H. te zamen met Anton Pannekoek legde in 1920 op deze gronden het boers-burgerlijke karakter der Octoberrevolutie bloot. Zodat, voor wat het wereldhistorische fenomeen Rusland betreft, dit debat tot op de dag van vandaag principiële betekenis heeft Ik ben van oordeel, dat Gorter en Pannekoek in 1920 te recht tot de opvatting kwamen dat de verdeling van het land onder de boeren in de October-revolutie van 1917 te zamL m'et Lt TanTe door allen verwachte wereldrevolutionnaire ontwikkeling Rusland gemaakt heeft tot de imperialistische macht, die wij heden ten dage kennen. Wordt vervolgd. F ktff

De gemeente spreekt

„Christus, gij die onze broeder wilt wezen, die met het Hart-des-levens ons verbindt, die ons krimpend hart van angsten geneze’ en open wilt maken voor Gods ruimen wind, —-

wij heffen ons vandaag öp tot de blijheid die met u in een donkre wereld kwam; wij juichen in ’t bewustzijn van een vrijheid die haar loop van u zegevierend nam;

wij zien de vonk in elk menschenhart branden, die godlijke oerkracht daarin heeft gestrooid; zien den broeder worstelen tegen de banden waarin het lag’re leven ’t hoogre kooit,

wij zien hem opstaan, vallen, duizend malen kreunend neerliggen in vertwijfeling, en wéér opstaan en door de loereldzale den galm uitzenden zijner worsteling.

Wij zien de harten naar de eenheid groeien, wij zien den bloei der liefde rozerood; wij voelen dat niets in ons uit kan roeien het vruchtbaar zaad van dezen offerdood,

wij voele’ ons weer van de vrede bevlogen die zilverhel, ’t hart des levens ontstraalt, weer gepantserd tegen den valen logen van „nederlaag-het-einde”, zoo gestaald

willen wij gaan, zoo uit uw geest herboren, zoo gevoed uit uw diepste geestesmacht, willen wij gaan, Christus, willen uw sporen wij volgen, Christus, Amen, geeft ons kracht.”

Fragment uit: Een klein Kerstoratorium,

door Henriëtte Roland Holst—van der Schalk.

-w-» | . ivacl 1 Ca 11SfTl P i. Pfl aiPt>tP

Mij is opgedragen iets te zeggen over de betekenis van Henriëtte Roland Holst voor het religieus-socialisme, zoals zich dat tussen de beide wereldoorlogen als beweging in ons land heeft ontplooid. Onze lezers zullen begrijpen, en naar ik hoop waarderen, dat ik daarover niet kan schrijven in de toon der objectieve ontleding, maar er mijn persoonlijke dankbaarheid door heen laat spelen.

Stellig ben ik geen uitzondering, veeleer spreekbuis van een bepaalde groep, wanneer ik zeg: er zijn jaren geweest, die wij in onze eigen geestelijke strijd, de strijd om onze eigen wording en verbinden aan een boek van Henriëtte Roland Holst. Zo staat voor mij klaar en vast in mijn geheugen gegrift: voorjaar 1919. November 1918 was Duitsland ineengestort, de oorlog beëindigd; de golven van een revolutieverwachting waren hoog gegaan, maar weer afgeëbd. Wij de generatie der 25- tot 30-jarigen toenmaals leefden in sterke hoop en verwachting van een socialisme in opmars.

Voorjaar 1919 las ik de bundel Verzonken grenzen, reeds in ’lB verschenen. Weken lang ben ik er gelukkig mee geweest, heb ik daaruit kracht en geloof geput, meer dan uit de Bijbel en de theologie. Aangrijpend waren de verzen, waarin deze dochter het sterven van haar moeder bezong, de grenzen van de dood zag verzinken in het leven der eeuwigheid. Maar dieper greep ons de belijdenis van ene, die „met nieuwe ogen” heel het leven, de worsteling der mensheid om zuiverder levensvorm, de betekenis en zin van het socialisme daarin, had leren zien. Zeker, de inhoud van deze belijdenis greep ons: hier werd radicaal het leven van mens en mensheid, ook de strijd om een nieuwe wereld, gesteld onder de werkelijkheid Gods, die de werkelijkheid der liefde werd beleden. Zij greep ons te meer, deze belijdenis, omdat zij veroverd was op een diepe innerlijke tweespalt: die tussen droom en daad en was de overwinning van deze tweespalt door de offerdaad niet een heenwijzing naar, wellicht een vrucht van het Evangelie, waarin een offerdaad aan een kruis centraal staat?

Wij hebben, ook toen, moeite met de dichteres gehad, en j aren gehouden—wat deed zij, die zo doorleefd en overtuigend van de macht der liefde had gezongen, te midden van een hard onmeedogend communisme, dat dromen slechts hoonde en innerlijke tweestrijd lafheid schold? Later, in haar bundel „Tussen twee werelden”, schreef zij een vurig vers, waarin zij worstelt om de ziel van Friedrich Adler, die zij naar het communisme wil trekken hoe dikwijls heb ik gedacht: waar is de grote figuur, die in Nederland worstelt om de ziel van H. Roland Holst, om haar te bevrijden uit de ban van een levenssfeer, die met haar wezen vloekt?

Een tweede gebeurtenis staat in mijn herinnering: een zomer in Barchem, waarin ik „Communisme en Moraal” las dat moet dus ’25 of ’26 geweest zijn ik las het met een gevoel van bevrijding. Zeker ook, om de daarin verkondigde stelling, dat voor een communistische wereld arbeid aan de innerlijke gezindheid even onontbeerlijk is als die aan opbouw van economie en staat; om de afwijzing van een sociaal utilisme, dat vergif is voor een beweging die nog waarde hecht aan zedelijk idealisme. De stelling was niet nieuw, zij