is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 15, 14-01-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lA ZIATISCH c/VaTIONALISME en daarna

Zoekend naar een methode

Engeland heeft niet gewacht met de erkenning van het communistische China tot de conferentie van Colombo, waar de leden van het Britse Gemenebest zich o.m. beraden over de houding, die zij tegenover het opdringende communisme zullen aannemen. De Britten en hun bondgenoten in de dominions geven met deze besprekingen, zo goed als met de erkenning van Mao’s bewind, blijk van groter staatsmanschap dan Washington. De Aziatische politiek van het Britse Gemenebest is over ’t algemeen veel gelukkiger dan van de Amerikaanse bondgenoot. Dit vindt wellicht mede zijn oorzaak in de aanwezigheid van de Aziatische leden van de Engelse volkerengemeenschap; voor een groot deel echter ook blijkt het Foreign Office de beperktheid van visie die zich in andere delen der wereld manifesteert, te missen tot groot nut van de positie van Engeland in Azië. De Amerikanen daarentegen schijnen eerst nu pas goed over het Aziatische probleem te willen nadenken. En hoewel men het resultaat van deze denkarbeid wel kan vermoeden, is er op het ogenblik nog veel te veel weifeling om zekerheid te krijgen.

Het sociale vraagstuk.

Dit Engelse inzicht vindt wellicht zoals gezegd voor een deel zijn oorzaak in de aanwezigheid van Aziatische staten-leden, zoals India en Pakistan, anderzijds ook in de „koloniale ervaring”, die ten slotte de blanke leden van het Gemenebest tot de studie van de Aziatische problematièk bracht, lang voordat er in de Verenigde Staten ook maar enig benul bestond voor het feit, dat Azië problemen van wereldimportantie opwierp. Wij brengen de vraagstukken van de vele Aziatische landen samen in de term „Aziatische problemen”. Hoezeer er ook vragen zijn en wrijfpunten, die slechts een bepaalde staat daar betreffen (van binnenlandse politieke aard dus), toch is er alle reden om in de allereerste plaats te zoeken naar de gemeenschappelijke problematiek in dit gehele immense werelddeel; een problematiek, die zich vooral heeft gevormd rond de punten: overbevolking, achterlijkheid op agrarisch gebied, industrialisatie en minderheden. Boven deze vraagstukken, naar welker oplossing herhaaldelijk is gezocht door min of meer revolutionnaire stromingen, waarvan de Kwo Min Tang er één was, stond het grote vraagstuk van de geestelijke vernieuwing. Het geestelijke réveil uitte zich veelal in ’n krachtig opleven van het nationale bewustzijn. Helaas, deze vlag steeds weer moedig ontvouwd dekte nimmer de lading. De gevolgen hiervan zijn maar al te zeer bekend geworden. Zodanig nationalisme, dat geestelijk vulling ontberen moest, zou ontaarden in vermetele expansiedrang (Japan), of corrupte burgerstrijd (China). Het bleek niet in staat om het nationale réveil tot een geestelijke heropbloei uit te bouwen. Door gebrek aan innerlijke kracht bleek in China de vernieuwingsbeweging niet bij machte iets te doen aan de interne vraagstukken van het land. De publicist Lin Jutang beschreef zijn landgenoten reeds een vijftien jaar geleden als volgt: „Goede soldaten, slechte kapiteins, eerste

klas zakenlieden, als leiders van een zaak waardeloos; uitstekende democraten in een waardeloze republiek.” „Het enige nodige om de natie bijeen te brengen, is een methode”, zo ging hij voort; „maar deze ontbreekt totaal.”

En is in de Kwo Min Tang-groep totaal blijven ontbreken! Reeds in de tijd, toen Lin Jutang deze regels schreef, had hem de werfkracht van het marxisme niet mogen ontgaan, dat bij een kleine kring intellectuelen zijn intrede

deed. Het marxisme bood die methode; alleen stond de grote meerderheid in de Kwo Min Tang hier afwijzend tegenover, zonder zelf echter een andere methode te kunnen bieden. Het behoeft niemand te verbazen, dat onder deze omstandigheden het geestelijk lage Chinese nationalisme van dt&Sun Jatsen en opvolgers op den duur niet opgewassen is gebleken tegen de stuwkracht van het communisme, dat voor de intelligentia de gezochte methode bood en voor het werkende volk de directe lotsverbetering.

Zoekend naar een alternatief. Op het ogenblik staat Azië minus China nog steeds voor hetzelfde probleem. Het is voor het Westen, dat zelfs een geestelijke crisis doormaakt zoals nimmer tevoren, een zware opgave om mede te helpen aan het stellen van een waarlijk alternatief tegenover „het opdringende communisme”. Het heeft ggen zin om te komen met een

KLEINE BLOEMLEZING UIT

,fDe Universele Verklaring van de Rechten van de Mens”

Overwegende, dat erkenning van de inhaerente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;

Proclameert op grond daarvan de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

ARTIKEL 1. Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

ARTIKEL 3. Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.

ARTIKEL 9. Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning.

ARTIKEL 18. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen er van, door de praktische toepassing, door eredienst en het onderhouden van de geboden en voorschriften.

ARTIKEL 19. Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid, om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.

ARTIKEL 22. Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betrokken Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.

ARTIKEL 23. 1. Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtvaardige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid. ?

2. Een leder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.

3. Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld.

4. Een ieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.

ARTIKEL 25. 1. Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zich zelf en zijn gezin, waaronder begrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

2. Moeder en kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand. Alle kinderen, al dan niet wettig, zullen dezelfde sociale bescherming genieten.

ARTIKEL 26. 1. Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn althans wat het lager- en beginonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsondenoijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld. Hoger onderwijs zal gelijkelijk openstaan voor ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.