is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 15, 14-01-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerstmis voorbij

„Zingen jullie als het 6 Januari is ook nog eens „Nu zijt wellecome?” ” De kleuterschool-vriend geeft geen antwoord, maar dat hoeft ook niet, want ik hoor onze zoon al verder babbelen: „Want dan zijn de koningen in de stal aangekomen. Nu zijn ze nog op reis. Het was een héél eind. En als het dan 6 Januari is, eten we een koek en daar zit een boon in en wie die boon krijgt, die is de koning en wie de koning is, krijgt een kroon op. Maar wie niet de koning is, mag hem ook wel even op, hoor, maar niet zo lang.”

Het is de laatste dag van de vacantie. We maken een lange loandeling. Het is heerlijk buiten. De kinderen hollen en vliegen om me heen, maar dan bekomen ze even, met de armen om eikaars hals geslagen, en ik vang het drie-koningengesprek op. Hij herinnert zich de boon in de koek dus nog van vorig jaar en ik weet nu dat ik er ook deze 6 Januari voor moet zorgen! Ach, het is eigenlijk geen moeten, want het is veel te fijn, om nog even een feestelijkheidje te hebben. Een kartonnen kroon is gauw geknipt en een koek met een bruine boon hoeft heus geen kostbare botercake te wezen. En wie kan er bezwaar tegen hebben om nog eens Kerstliederen te zingen en vooral ook die waarin de koningen voorkomen?

Maar daarna is Kerstmis voorbij. Terunjl ik de kandelaars schoonmaak en de versieringen opberg, denk ik nog eens aan de afgelopen weken. In een gezin als het onze met alleen nog maar kleine kinderen is geen concurrentie van Kerstfeesten buitenshuis, is ook nog weinig belangstelling voor de viering in andere gezinnen. „Bij ons is het bijna Kerstmis”, vertelde onze driejarige aan ieder die het horen wilde. Was er veel verwarring door de Sinterklaasviering?

Toen de goede Sint vertrokken was, ver – dween zijn' portret uit de kleuterklas. „Nu zal er wel een grote plaat van Jezus komen.” Ik vertelde dat dat niet zou gebeuren. Dat Sinterklaas zijn verjaardag vierde op school en bij zieke kinderen in een ziekenhuis en dat hij thuis pakjes liet brengen, maar dat Kerstmis in de kerk werd gevierd en thuis. Ik vertelde er meteen bij dat niet alle mensen hetzelfde feest maken van Kerstmis. We praatten er nog ■wat over door en ik geloof wel dat ik duidelijk maakte dat Kerstmis een heel ander feest is dan de pakjesavond van 5 December. De Kleuterbijbel droeg veel bij tot de voorbereiding. Met onze eigen woorden maakten we nog een brug: „Het ging niet goed met de mensen. God zag het wel en was er verdrietig om. Toen heeft Hij Jezus naar de aarde gezonden. Eerst was Jezus een klein kindje, maar toen hij groot was geworden heeft Hij aan de mensen verteld hoe God graag wil dat de mensen leven. Veel mensen hadden al lang gewacht op Jezus en ze waren heel blij toen Hij geboren werd. Als het Kerstmis is, denken wij aan Jezus toen Hij op aarde kwam.” Op een dag kwam de verrassende mededeling: „We vieren toch Kerstmis op school. We hebben eeii, liedje geleerd en we moeten een kandelaar en een kaarsje meebrengen.” Het lied „O denneboom, o denneboom” sloeg wel in en er kwamen wel verzuchtingen van: „Ik wou zo erg graag, dat wij ook een Kerstboom kregen”,

Uit de film „Wat Leni Rossmer beleefde” Het Oostenrijkse meisje en de zoon van de pleegouders

maar de liederen van thuis (met de illustraties er bij!!): „Maria die zoude naar Bethlehem gaan, Kerstavond voor den noen..." en „Herders, hij is geboren”, „Er is een kindetje,” „Nu zijt wellecome...” en „De herdertjes” waren toch „veel echter van Kerstmis”...

Er kwam de vraag: „Hoelang is het geleden dat Jezus bij de mensen kwam” en: „Gaat het nu wel goed met de mensen of zal God nog eens iemand sturen?”

Opa kwam en bracht een zelfgemaakte kaarsenkroon van berkestammetjes. We verzilverden sparrenappels, van de zomer gevonden en zo werd het de Zaterdag voor Kerstmis. Ik begon de dag met: „Het zal wel een hele herrie wezen om vóór de avond met alles klaar te komen”. En ik liep al voor het ontbijt te puzzelen over de beste volgorde van de vele werkzaamheden. De kleine kinderen maakten me beschaamd.

Terwijl ik zijn boterhammen klaarmaakte, zei de oudste met een blik op de klok en zijn broertje luisterde vol aandacht —; „Nu is Maria aan het inpakken voor de reis. En dan zullen we maar om half twee zingen van: „Maria die zoude naar Bethlehem gaan” want dan is het wel Kerstavond voor de noene, want noene is middag, hé moederr?”

We zongen dat mooie Kerstlied met z’n allen om half twee, nadat vader de vraag had gekregen: „Wat is nou eigenlijk een Kerstman? Daar praten ze op school over”. Dat heerschap werd als een pseudo-Sinterklaas binnen de vijf minuten door vader op de kast gezet en het grut ging tevreden met dat antwoord rusten. Later op de middag werd de spanning om „de stal” w,el heel groot, vooral toen het leek of ieder, behalve wij, een Kerstboom in huis haalde. We versierden samen de kamer met dennegroen en veel kaarsen. De kroon werd met wat rood papier, groen, sparrenappels en een enkele zilveren bol opgetuigd, maar het wachten was toch op „na het eten”. Wat vonden ze de beeldengroep in vaders studeerkamer mooi en wat wezen ze later trots aan hun vriendjes: „de engel Gabriël en de oude herder, die zit en die herder die roept: mensen, kom toch kijken en de herder die uitkijkt en Maria bij de kribbe en de ster boven de stal, die echt bewegen kan en de dieren...” Het Kerstevangelie werd voorgelezen uit de Kleuterbijbel, terwijl we voor de met kaarsjes verlichte stal zaten en weer trof ons de zuiverheid en de eerbied van die kleine kinderen. Ze zongen veel en graag die dagen. Gelukkig, want een Kerstverhaal, geschikt ook voor de driejarige, hadden we niet kunnen vinden.

Dagen lang, na Kerstmis, veegde de jeugd in onze straat de goten droog met Kerstbomen en -takken. „O denneboom, o denneboomm.” Op het open veld, aan de rand van de stad, zagen we heel wat Kerstboomfikkies op de vacantiewandelingen. Over een paar jaar zullen onze jongens ook wel die vuurtjes stoken, nu zijn ze nog benauwd voor dat spel van grote jongens. Ik was blij met onze kroon en onze stal en als we, als het donker werd er nog eens de kaarsjes bij aanstaken, genoot ik van de eerbied, waarmee de kinderen de broze terra-cotta beeldjes een voor een in hun handen namen om ze eens heel goed te bekijken en ze weer op hun plaats tussen het mos zetten. Al te lang kon het nooit duren. Kaarsjes uitblazen is za iets heerlijks!

Kerstmis is voorbij. De kroon en de beeldjes zijn opgeborgen. De kamers lijken kaal zonder het groen en de kandelaars. Maar God heeft Zijn Zoon gezonden.

R. B.—V. R.

SCHRALE FILMOOGST

Amsterdam heeft 34 bioscopen; de kerstweek bracht ons in alie 34 theaters 1 (zegge: één) uitmuntende film. Ik noem hier de hoofdstad; in de andere plaatsen was het niet veel anders.

Over enkele typische producten welke de laatste weken uit verschillende landen geïmporteerd werden, wil ik het met u in dit eerste nummer van het nieuwe jaar hebben. Natuurlijk werd de voorkeur aan films gegeven die de feestvreugde konden helpen vergroten. Zo kregen we bijv. de onuitstaanbaar-zoetsappige en vervelende „Man die het meende” („John Doe”) van Frank Capra te zien; en men kan slechts verbaasd zijn, dat zelfs een man als Pater de Greeve over zo weinig onderscheidingsvermogen beschikt, dat hij alle propaganda-kraantjes open draaide om zo veel mogelijk getrouwen van „John Doe’s” te overtuigen. (Zulks overigens in tegenstelling met de Katholieke filmcritiek!). In velerlei opzicht is deze film misleidend; men zou er vrede mee kunnen hebben, wanneer Capra met die film een parodie had bedoeld te geven. Maar neen, alles is doodernstig net zo als het gedoe van sommige dames en heren uit de morele herbewapeningsbranche. Weet u nog ... ? De reeds maanden geleden aangekondigde „Christofo Columbus” konden wij dan eindelijk aanschouwen. Deze Engelse film „film”? een gekleurd prentenboek voor geestelijk onvolwaardigen was zo slecht, dat de Keuring haar het praedicaat „cuitureel waardevol” verleende, hetgeen weer tot gevolg had, dat de bioscoopexploitanten die deze rolprent vertonen, minder dan een derde van de gewone vermakelijkheidsbelasting aan de gemeente verschuldigd zijn. Na prullerige maaksels als „Onsterfelijke melodie” (het ieven van Chopin) en „Jeanne d’Arc” was het de beurt aan „Columbus” om officieel de „cultuur” in de bioscopen te vertegenwoordigen. Het zal u dus niet verwonderen, dat „Fietsendieven” niet „cultureel waardevol” gekeurd werd.

Nieuwsgierig hadden wij naar de nieuwe Walt Disney uitgekeken; maar helaas moet gezegd worden, dat zijn „Drie caballeros”.