is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 16, 21-01-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de levensstandaard nu ook een belangrijk stuk omhoog gaat. Dit ten slotte is het hoofddoel van de Labour-politiek, waarom uiteindelijk zeer veel van het oudere ondergeschikt dient te zijn. Men kan niet voort gaan met in armoede te leven. Als Labour aan het bewind blijft, zal het komende jaar stellig nog voldoende arbeidsvrede geven. Maar daarna zullen de eisen van de vakbonden des te nadrukkelijker worden gesteld. Verhoging van de levensstandaard, daarom zal het hier in de eerste plaats gaan. En versterking van ’slands economische zelfstandigheid, nu het einde van de Marshallhulp (1952) in zicht komt.

Dat een nieuwe Labourregering hierin kan slagen, geloven wij zeker. De resultaten van Cripp’s beleid zijli eigenlijk, ongeacht het dollartekort, dat nu overigens aan het verminderen is, gunstig. De betalingsbalans klopt al weer aardig. Engeland herstelt zich.

Het woord is nu aan de kiezers. Een kleine verschuiving (ca. 6%) ten gunste van de conservatieven, zal de balans al om doen slaan. Of dit gebeuren zal, nu er veel bemoedigende feiten ten gunste van de Labourpolitiek te vermelden zijn? Och, wij mogen niet somber zijn. De Labournederlaag is reeds te vaak voorspeld. H. VAN VEEN

jaardag huldigde als dichteres als zodanig was zij groot boven velen. Maar dat was bij deze kunstenares niet een aesthetische vormkwestie, geen meesterschap van techniek en taalbeheersing: ook als dichteres werd zij gedreven door haar socialistisch geloof en messiaans verlangen. Ik haal haar niet naar ons toe, en zeg niet: „zij was van ons”. Maar ik zeg wel: haar strijd hebben wij op ons plan het plan, waarop het ons gegeven was te leven meegestreden, wij zien haar als één onzer grote voorgangers, die ons bijzonder verrijkt heeft.

De tweede uit onze kring, die een prijs kreeg, is onze vriend Moltzer. Te recht heeft men in hem de School voor Maatschappelijk Werk geëerd: daar ligt een groot stuk van zijn levenswerk. Maar dat werk is bezield geweest door een diep geworteld evangeUsch geloof, waaruit een democratisch socialisme met innerlijke noodzaak volgde. En ik weet, op grond van onze jarenlange vriendschap: daarin heeft Barchem, heeft de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers, een grote rol gespeeld. Toen de A.G. werd opgericht, was Moltzer één der eerste vijf, en hij heeft meegedacht, meegewerkt, meegebeden in en voor dat werk tot na de tweede wereldoorlog, toen ziekte tot uittreden uit het bestuur noopte. Ik ken de anderen met een prijs gesierden niet, maar ik weet dat zeker Moltzer innerlijk geglimlacht heeft, toen de vriendelijke toespraak van de minister de tot een prijs verkorenen „grote” Nederlanders noemde. Groot? God alleen is groot, en wij mensen leven alleen van Zijn genade... dat heeft Moltzer zo vaak in bestuur en ledenkring gezegd, mede als één van de centrale dingen van zijn geloof, dat ik er nu wel aan mocht herinneren.

Overigens: wij verheugen ons hartelijk om de erkenning, die in de prijstoekenning ligt. Oók om hen persoonlijk dat graag voorop. Maar toch niet minder om de erkenning van het beginsel, die wij daarin lezen. Dit beginsel: een evangelisch geloof, dat tot solidariteit met de socialistische strijd inspireert, moge ook zonder prijzen, het culturele leven van ons volk diepgaand beïnvloeden in de toekomst. W, B.

Burgerlijk socialisme

Het wordt een langdradige geschiedenis; Van Kuilenburg schrijft een artikel en Ruitenberg antwoordt daarop. Dan komt De Wijs pn met een lang stuk discussieert hij mee. En nu kom ik weer terug op het stuk van De Wijs. Het is onbehoorlijk, maar... het artikel van De Wijs laat me niet los en ik voel me er een beetje ongelukkig door. Te recht of ten onrechte, dat weet ik niet. Ik vind het een knap stuk, een verstandig stuk. Als De Wijs nu weer op mijn artikel gaat reageren, zal hij stellig aantonen, dat mijn artikel aan alle kanten rammelt. En dan zal hij wel gelijk hebben.

Mijn voornaamste bezwaar tegen zijn stuk is nl., dat het te verstandig en te goed is. Hij laat ons precies zien, hoe de moeilijkheden in elkaar zitten en wat de oplossing is. Daarbij wordt heel wat gewogen en te licht bevonden. Een heel complex van gedachten en vormen, die samengevat worden onder de term „het proletarisch-eigene”, enz. enz.

Het socialistisch-eigene ligt nl. louter en alleen in onze maatschappij-beschouwing, welke gedragen is door zedelijke beginselen. Daarin vinden wij elkaar.

Het zal wel zo zijn. De P.v.d.A. zal er ook wel groot en sterk bij blijven. Met veel organisatie-talent en een goed propagandaapparaat is heel wat te bereiken.

Maar wat is die „maatschappij-beschouwing, gedragen door zedelijke beginselen”? Natuurlijk niet de echt-Marxistische maatschappij-beschouwing, want Marxistisch is de P.v.d.A. immers niet. Wat dan? Een geordende maatschappij met een geleide economie? Zeker, dat is een concreet punt, waarvoor we ons graag warm maken.

En dan internationaal natuurlijk. En vanzelfsprekend: toch geen staats-socialisme. Weten we wel precies, wat we hiermee bedoelen, hoe we ordenen willen en tot hoever we willen leiden? En hoe dit in de praktijk van deze vertechniseerde wereld, waarin economie voor de niet-deskundige verdacht veel heeft van een mengsel van mechanica en hogere wiskunde (beide onbegrijpelijk) bezield kan worden door die zedelijke beginselen?

Om nog een paar dingen te noemen: een maatschappij met een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van hét nationale inkomen, medezeggenschap voor de arbeiders en gelijke ontwikkelingskansen voor iedereen? Nog eens: dit zijn allemaal prachtige dingen en hier ligt een mooi stuk gemeenschappelijke strijd.

Maar, om het zo eens te zeggen: daar laat zich geen „Morgenrood” meer bij zingen. Of zijn we het er ook over eens, dat het zingen van dat lied een ontroerende vergissing is geweest?

Is in diepste wezen de strijd van het socialisme niet de strijd geweest om de mens? De strijd om de mens te behouden uit de greep van de demonie van het kapitalisme, waarin de mens in zijn diepste waarden ontkend en ontmenselijkt werd?

Om hier twee woorden uit de Nieuwjaarspreek van Banning te gebruiken: ging het uiteindelijk niet om de liefde en de gerechtigheid, waardoor de mens weer waarlijk mens zou kunnen zijn? Daardoor ook óm het hervinden van een stuk menselijke solidariteit en... het vinden van nieuwe levensvormen, wilt u: een nieuwe cultuur? In het begin van zijn boek „De Pest” be-

schrijft Camus Oran als een „volmaakt moderne stad”, D.w.z.: een stad, waarin het leven radicaal verzakelijkt en vermaterialiseerd is. Waarin zelfs het vermoeden van het bestaan van andere waarden niet meer aanwezig is. M.a.w.: waar het kapitalisme in zijn ont-menselijking van de mens in al zijn scherpte voor ons staat.

Camus heeft gelijk*, wanneer hij zegt, dat in zekere zin van alle landen dit gezegd kan worden. Wordt in zo’n situatie de socialistische strijd ook niet ten wille van de mens de strijd voor andere levensvormen en een andere cultuur?

Ik ben soms bang, dat we met al die mooie federatieve opvattingen in de P.v.d.A. (waarbij het proletarisch-eigene niet meer op z’n plaats is) aan de strijd voor een werkelijk menselijke solidariteit en het zoeken van nieuwe vormen daarvoor ontvluchten.

Ik ben het met De Wijs eens in wat hij zegt over het nog vasthouden aan eigen vormen en organen door de arbeiders. Hij schrijft 0.a., dat er gevoeligheden bleven bestaan t.a.v. de Kerk, sociale en geestelijke af keer van haar. Maar waar vind ik in de Kerk de plaats, waar de arbeiders, die van „buiten” komen, zich thuis zouden voelen? Er is ik denk hier aan de Ned. Herv. Kerk bij de leiding en bij sommige groepen zeker de eerlijke wil om solidair met de arbeiders mee te denken en te leven. Maar laten we dit toch alsjeblieft niet overschatten. In zeer brede lagen van dezelfde Kerk is er ten aanzien van deze dingen bitter weinig veranderd en de burgerlijkheid tiert er even welig als voor de oorlog en van een bewogenheid over en solidariteit met de grote massa der niet-kerkelijke arbeiders is bitter weinig te bespeuren in tal van gemeenten.

Waar moet deze arbeider een stuk solidariteit dan anders vinden dan in zijn eigen organen met hun eigen sfeer? Ik kan mij zo levendig indenken, dat deze arbeider zich in een P.v.d.A., die hem deze vormen niet meer zou geven, bekocht en ongelukkig voelt. Redeneer ik te romantisch en te onreëel, wanneer ik het zo zie, dat de Vrouwenbond in wat zij voor zeer veel vrouwen uit de kring van de partij doet en het Instituut voor de (alleen maar toe te juichen) ontwikkeling van een zeer groot aantal arbeiders, dit juist doen vanuit drijfveren, die tot de wezenlijkste en waardevolste van het socialisme behoren en daardoor ook een socialistisch signatuur dragen, dat wij niet voorbarig mogen ontkennen?

Nog één vraag: De Wijs zegt, dat het kenmerkend-socialistlsche van iemand is: zijn verlangen en streven naar een samenleving in gerechtigheid. Hoeveel mensen buiten de kringen van het socialisme vallen mee onder deze definitie? Zou iemand in ernst willen beweren, dat dit bijv. niet geldt voor

CADEAU-ABONNEMENTEN Vóór cadeau-abonnementen ontvingen wii tot nu toe de volgende giften: P. A. V. T. ƒ 16, J. A. M. ƒB, mw A. 8.-A. ƒ4, mej. C. W. ƒ2,45, J. J. ƒ2,50, mej. M. v. d. L. ƒB, mw J. A. C. S.-d. R. ƒB, B. B. ƒB, A. S. ƒ2, mw J. A. D.-O. ƒl6, H. W. d. G. ƒB. mej. M. H. V. d. Z. ƒ 8, H. G. B. ƒ 8. Voor wie het wel van plan was, maar het nog niet deed: giro 21876 Arbeiderspers, Amsterdam, toevoegen: „Cadeau-abonnement Tijden Taak”. Red.-secr.