is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 17, 28-01-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenheid van een leven^

In het boek met levensherinneringen, dat mevrouw Roland Holst ons ter gelegenheid van haar tachtigste verjaardag geschonken heeft’), vindt men ook haar allervroegste dichterlijke proeve bewaard. Het is nog geen prestatie om veei ophef over te maken, en mevrouw Holst zelf behandelt het gevalletje dan ook met een soort van droge humor, en spendeert er op de kop af zes regels aan. Het versje luidt als volgt:

Het arme kind door niemand bemind, door iedereen gehaat zwierf zij over straat.

De jeugdige auteur kon naar het getuigenis van mevrouw Holst „zeker nog niet lezen” en het is niet duidelijk waar zij „dat zielige tafereeltje” vandaan haalde. Feit is alleen dat zij tussen vader en moeder in het grote tweepersoonsbed lag en toen plotseling dat versje had gemaakt. Een charmante maar onbelangrijke kleine anecdote? Maar dit is dezelfde vrouw die, laten wij zeggen vijf en zeventig jaar later, als verjaarsgeschenk van het Nederlandse volk vraagt „een gebouw met terreinen, waar kinderen van alle gezindten ontspanning kunnen vinden”. „Het arme kind door niemand bemind” blijkt nog even zeer tot haar hart en verbeelding te spreken als toen. Het versje is dan toch achteraf zo onbelangrijk niet.

Maar wij kunnen veel verder gaan. Wie de bundel leest van haar 25e jaar, de Sonnetten en Verzen, krijgt daaruit ongetwijfeld de indruk van een bevoorrecht en beveiligd jonge-vrouwenleven, openbloeiend in kennis en kunst, rijk door een grote liefde en een grote vriendschap (het was de tijd dat zij zowel haar man als Gorter leerde kennen). Wat was het, dat haar kort daarop

‘) Het vuur brandde voort, Van Ditmar N.V., Amsterdam-Antwerpen.

tot het socialisme voerde? De invloed van Gorter? De lectuur van Marx? Wat in diepste zin dan opnieuw, maar nu in volwassen vormen, het meegevoel, met degenen, „door niemand bemind, door iedereen gehaat over straat zwierven?” Er is echter wel geen diep, waarachtig meegevoel denkbaar zonder een sterke eigen gevoeligheid: een intens gevoelsleven en daarmee tevens een ongewoon sterke gevoeligheid voor iijden. Het kleine meisje in bed heeft de liefdevoile verbondenheid met vader en moeder zeker heviger ervaren dan andere kinderen, en de arme kleine paria waarop haar versje betrekking had, was mede in het leven geroepen door de angst van „stel je voor dat ik eens...” Het zijn de dingen die zij later in haar poëzie telkens weer uitgesproken heeft. In de aanhef van Verzonken Grenzen (1918) luidt het

Het voelen van de Liefde is het beste voor mij; het heeft de grote veiligheden...

En in de bundel van 1895 vindt men het sonnet dat aanvangt

Liefdeloze ogen zijn voor ’t hart een wrede wind: bevende sluit het zich voor hun koude.

Is het wonder dat voor deze gepassionneerde natuur juist het iijden om de verbroken liefdesgemeenschap was weggelegd? Wanneer men De nieuwe Geboort (1903) leest, vindt men daarin veel smartelijks, maar alles wordt goedgemaakt door de gedachte aan de gelukkige samenleving van de toekomst, en door de socialistische kameraadschap in het heden. Het uitééngaan van sociaiisten en communisten, die voor haar besef beide een deel van het gelijk op hun zijde hadden, trof haar zoals een kind getroffen wordt door de twist tussen vader en moeder, waarbij het niet

kiezen, enkel maar rampzalig tussen belden In staan kan. Maar de politiek vroeg daden. Wie geen partij vermag te kiezen is een onbetrouwbaar medestander, Indlen al niet een vijand Dan wordt zij tot „De Vrouw in het Woud” (1912).

Ik die had kameraadschap uitgegeven tot ievenswachtwoord in mijn jong getij, ik word nu door de makkers uitgedreven en kan geen schred meer houden aan hun zij.

Er is geen plaats in ’t broederlijke leven, bij ’t volk der makkers is geen piaats voor mij: nu moet- ik mij in eenzaamheid begeven en hulien in herinn’rings grauwe pij.

Daarom omfloerst een waas van smart mijn ogen. Ik zie mij door de lege jaren zwerven die liggen voor mij, een veriaten veld; en zie de bronnen van mijn kracht uitdrogen, mijn hart verdorren in dit levend sterven: ik had mijn zaak op broederschap gesteld.

Hier heeft het kinderrijmpje van een halve mensenleeftijd terug een bijna profetische betekenis gekregen. Wanneer de volgende bundels van mevrouw Roland Holst zozeer beheerst worden door het stralende en vertroostende toekomstvisioen (Het Feest der Gedachtenis, ten dele ook Verzonken Grenzen), dan moet men dit vooral niet zien als het product van een optimistische en onreële fantasie. Het Is een vlslonnalre „omkering” van eigen leed en van anderer mateloos lyden door haat, vijandschap, wederzijdse vernietiging In de jaren ’l4-’lB. Een sonnet als het volgende uit Verzonken Grenzen zou men moeten lezen als het lichte pendant van het donkere, dat .boven werd aangehaald.

Te denken dat het hongeren van allen, dat aller lijden, ’t onverzadigd zijn der harten, zal verdwijne’ in een festijn van Liefde, als de grenzen zijn gevallen

die scheiden mens van mens, de donkre wallen die maken het veld der Liefde zo klein; te denken dat overvloedig haar wijn zal laven d’oneindige mens-getalen!

Een wereld komt, waarin de zielen stralen elkander toe hoop, zachtheid, milden dauw des levens, en doet dood de leegte gapen.

drom van zielen zich haast om neer te dalen tot die verschrikking, opdat ook in rouw elk hart altijd liefde-gebed zal slapen.

Vijf en twintig jaar later heeft de dichteres excessen van menselijke haat en vernietigingsdrift mee-beleefd, waarbij de eerste wereldoorlog bijna zachtzinnig lykt. Naïef Utopia van Het Feest der Gedachtenis, dat achter de horizon verdwijnt! Maar persooniyk althans vond zy het geluk van de genegenheid van zéér velen; bij het einde van haar leven kan zij zeker niet klagen, als „het arme kind door niemand bemind” In de wereld te staan.

Ach, nu moet Ik denken aan het boek dat toch misschien haar meesterwerk zal blijven, de Thomas More. Daar Is de eenzaamheid van Margreet, die met een eerlyke overtuiging en een groot verdriet alleen staat „Er Is niemand meer die ons steunt...” en die tegen die eenzaamheid niet op kan en bezwijkt. Maar er 1$

Droom^

Een droom kan duren door de dag.

Zoals wanneer een vrouw voorbijgaat van haar lach Het mild geluk, gelijk een zoet aroom.

Blijft zweven in ons hart. Zo dekt de droom Van deze nacht de uren dat ik waak met rag

Zó glanzend en zó fijn en met een schroom Zó teer en ingetogen, dat ’k slechts hen een vroom. Verborgen mens, dat elk gewag

Van woorden mijdt In eenzaamheid.

Johan Toot