is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 17, 28-01-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog eens: DE LOONSVERHOGING

Eén lezer van mijn artikel over de 5 % loonsverhoging in „T. en T.” van 14 Januari („Wankele grondslagen van onze maatschappij”) geeft daarop een zekere aanvulling. Hij uit bezwaren tegen de loonsverhoging, maar van enigszins andere aard dan de mijne.

Zijn betoog is als volgt. Hij begint met er in toe te stemmen dat in een gemeenschap die arm is wat steeds door de overheid wordt beweerd alle leden offers moeten brengen. Dit moet dan geschieden naar draagkracht. En van het draagkrachtbeginsel uit redenerend, uit hij dan tevens bezwaren tegen de wijze waarop de loonsverhoging plaats heeft: hij vindt het nl. zeer onrechtvaardig dat er voor die verhoging geen limiet is gesteld. Die zou volgens hem moeten liggen in de buurt van de ƒ 4000 inkomen. Hij vindt het te gek dat iemand met een inkomen van ƒ 10.000 net zo goed 5 % krijgt als iemand die van de ouderdomsuitkering van Drees moet leven. Voor de laatste zijn de paar tientjes, die er bij komen, veel te weinig, voor de eerste is de ƒ 500 die hij zal ontvangen, veel te veel. „Ik vraag u uit naam der verbondenheid Gods, uit naam van het rijke Evangelie van Jezus Christus: protesteer tegen dit onrecht.”

Ik geloof dat op twee zijden van dit betoog even moet worden ingegaan: op de versobering en op de methode bij de loonsverhoging.

1. Allereerst de versobering. De schrijver toont een grote bereidheid om een offer te brengen als het moet, maar hij toont tegelijk toch dat hij aan de noodzaak er van twijfelt doordat hij die noodzaak helemaal voor rekening laat van de overheid. Hij kan het niet goed beoordelen. Hij gaat er, misschien wel daarom, dan ook niet verder op in.

Die twijfel, die onzekerheid, kan ik best be-

grijpen. De verarming waarvan ik in mijn vorige artikel schreef, is immers nog niet te zien. Wat we zien, is dat we er allemaal vrij goed, niet minder dan voor de oorlog van leven, ja dat enkelen het werkelijk behoor, lijk ruim hebben. Waar zit dan eigenlijk die armoede? Ik kan er hier niet breed op ingaan. Zij zit, kort gezegd in het tekort aan investeringen en in het tekort op de betalingsbalans. Wat betekenen deze duistere termen? Mag ik het eens zo zeggen: de betalingsbalans is onze staat van nationale schulden en vorderingen. Zo een staat van schulden en vorderingen heeft iedere winkelier óók, hetzij op papier, hetzij in zijn hoofd. Onze positie is nu als die van een jonge winkelier die door zijn vader (in ons geval: Amerika) in een eigen zaak is gezet. Hij kan door het te leen verkregen kapitaal er een poos, misschien zelfs vrij ruim, van leven. Hij lijkt dus rijk, nietwaar? Maar als hij niet voldoende in het laatje krijgt op den duur om de schulden aan zijn leveranciers, het onderhoud van zijn gezin en ook de rente en aflossing van zijn lening te betalen, dan loopt, zodra het geleende kapitaal op is, het zaakje uit op een faillissement. Dan blijkt dat de welstand van die jaren meer schijn was en dat hij in werkelijkheid al die tijd arm was geweest, ook al kon je daar zo uiterlijk niets van zien.

Ik ben zeker dat ik de briefschrijver hier niet helemaal, zelfs niet half, mee uit de mist heb geholpen, maar ik wil binnenkort graag eens zo een betalingsbalans in Tijd en Taak bespreken. Er zit nog wel meer aan vast dan ik nu kan uitleggen.

2. In de tweede plaats: de methode der loonsverhoging van 5 % voor alle loontrekkers.

Ook hier verklaar ik om te beginnen graag dat ik het protest best begrijp. Ik wil ook zeker niet stellig beweren, dat dit nu de enig mogelijke en de best denkbare methode is. Maar ik aarzel met mijn oordeel toch vrij sterk. In de eerste plaats gaat er van de wat hogere inkomens uit arbeid, juist ook in de categorieën van 10 of 15 duizend, al een enorme hap af door de belastingen en door de prijspolitiek. In T. en T. van 17 December heb ik daar een zeer leerzame tabel over gegeven. Als de briefschrijver die nog eens wil raadplegen, dan zal hij ongetwijfeld toch ook wel wat voorzichtiger gestemd worden.

Maar ja, ook als men hiermee rekening houdt, blijven er nog altijd aanmerkelijke sociale verschillen. Moeten we die nog maar verder, radicaal, blijven wegwerken? Ik aarzel weer. Een enkel voorbeeld moge dit verduidelijken. De groepen van ongeveer 10.000 gulden omvatten een zeer aanmerkelijk deel van de intellectuelen. Een zekere mate van welstand is voor hen, zeker in onze tegenwoordige maatschappelijke orde, onontbeerlijk. Hun behuizing stelt speciale eisen (studeerkamer bijv.), de opleiding hunner kinderen, van wie een groot deel gaat studeren, moeten zij tot op zeer grote hoogte zelf bekostigen, hun levensstijl is noodzakelijkerwijs, indien zij geestelijk productief zullen blijven, anders dan bijvoorbeeld die van een geschoolde arbeider. Hoe

wilt u dat uw dokter, of uw dominee, of de HBS-leraar leeft? Hoe moet een professor leven? Of een directeur-generaal? Kan daar nog maar steeds van af? Hoeveel dan nog wel? Ik kan de vraag hier onmogelijk zo kort beantwoorden, op zijn best kan ik er in slagen mijn aarzeling begrijpelijk te maken. Ongetwijfeld; als we verarmen, zal de verarming in de eerste plaats door de draagkrachtigsten moeten worden gedragen. Maar is dat altijd en voor de volle honderd procent een voordeel? Denken we niet te veel aan de eenvoudige zwart-wit tegenstelling: dikke kapitalist—arme arbeider? Ligt juist bij de groepen die de briefschrijver op het oog heeft, de zaak niet wat ingewikkelder?

R. EVERTS

verder is dan waar ook in Nederland. Maar dat is in de eerste plaats te danken aan het baanbrekend werk van prof. Van der Scheer, maar niet minder aan het feit, dat men daar over betere hulpmiddelen beschikt dan elders. De inrichtingen, die van de kerk uitgaan, hebben vanzelfsprekend altijd met een grote financiële achterstand te kampen, terwijl het ontbreken van voldoend geschoold personeel daardoor nog een te zwaarder accent ontvangt.

Wij willen deze notitie’s gaarne volle recht laten wedervaren. Toen doen zij niets af van de pijnlijke probleemstelling, die thema en achtergrond van mijn stuk vormden. En tegelijk blijft het zo, dat critiek, die hier en daar recht van bestaan blijft houden, des te zwaarder aangerekend moet worden, als men zich de weelde veroorlooft om zijn inrichting van een Christelijk epitheton te voorzien. Noblesse oblige. Juist bij de deugden en fouten in Christelijke inrichtingen tekenen licht en schaduw zich scherper af dan elders. Maar met voldoening constateer ik, dat hier uitdrukkelijk wordt verzekerd, dat er in strekking en opzet van het werk geen verschil bestaat. M. v. d. V.

DE WEG IS LANG...

„De weg is lang” is de titel van een in hoofdzaak door Pools-Joodse ingezetenen van Duitse D.P.-kampen in München gemaakte film; het draaiboek werd door de jonge Israël Decker geschreven, die ook de hoofdrol speelt: zijn eigen rol voor de tweede keer leeft; want wat hij te boek gesteld heeft, is het verhaal van zijn lijdensweg gedurende de laatste jaren.

Een heel erg gewoon verhaal. Voor Joden was, zoals langzamerhand wei overal is doorgedrongen, in de oorlogsjaren erg: gewoon.

’t Is voor u niet interessant te vernemen, dat ik door deze film zéér ontroerd werd. Ik zelf heb me afgevraagd, waarom ik hier mijn tranen niet in bedwang kon houden, terwijl de Poolse film „De waarheid kent geen grenzen”, vertoond enkele weken geleden (en toen ook in Tijd en Taak besproken), mij veel minder gedaan heeft. En nu werd mij duidelijker nog dan toen, dat die Poolse film te weinig echt is en te nadrukkelijk een les (t.o. van het „tot inzicht gekomen” Poolse volk) inhield.

De les van „De weg is lang” mag simpel heten Wat het gedrag van Polen tegenover Joden betreft eén tiental jaren geleden: heel dikwijls was het verfoeilijk en uitvloeisel van de meest reactionnaire bekrompenheid (welke door de nieuwe regering fel wordt bestreden). Deze geestesgesteldheid nu wordt in „De weg is lang” getekend door enkele korte en overtuigende