is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 18, 04-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

véél meer uitgegeven te hebben, dan die prijs van de plaatsen en je zegt: dat is voor een hele tijd weer mooi geweest.

Ziehier de entourage. En nu heb ik u nog niet eens laten meegenieten van de zaal, waar wij u hier in Den Haag op vergasten. Muisgrijs, als om toiletten goed te laten uitkomen. Uiterst beschaafde lijnen en krullen rondom. Niet pompeus, niet opdringerig, neen, Haags, d.w.z. gereserveerd, met een vriendelijke, wat afwezige glimlach. Uw vrouw naast u aan de ene kant. En aan de andere kant, onvermijdelijk, een heer met een Leeuw in zijn knoopsgat. Een Leeuw, verstaat u wel, géén Oranje Nassau. Daar is groot verschil in. Maar dat kunt u alleen weten, als u in Den Haag woont. Goed, met uw vrouw aan de ene en de Leeuw aan de andere kant gaat u dan zitten genieten. Het is allemaal goed en prettig en mild. Genieten?

Mijn hemel, wij zagen „Rouw past Electra”. Ziet, daar weet ik slecht weg mee. Dat wij daar maar gaan zitten te zien in alle warmte en met heel Den Haag 18de, 19de eeuw om ons heen, en dat op het toneel het leven van Electra vlak voor ons wordt gezet. Electra dan in Amerikaanse verhoudingen van vlak na de burgeroorlog van 1865. Maar die 85 jaren tussen toen en nu zijn niets, vergeleken bij de bijkans 2500 jaren, die ons scheiden van Aeschylus’ „Oresteia”. En wij zagen daar, in modem gewaad èn in moderne visie, worstelen met het probleem van Aeschylus, nl. het probleem van de mens, die leeft onder de macht van de onverbiddelijke, harde godheid. De mens, die de vloek draagt. Die een schakel is in de keten der gebeurtenissen. Gebeurtenissen, die levens vernietigen, tot moord drijven, de waanzin wekken totdat de goddelijke vrijspraak volgt. Althans bij Aeschylus.

En hier zien wij dan, op het toneel van de welverwarmde en aangename schouwburg, datzelfde thema, zoals de Amerikaan O’Neill het verwerkt heeft en de Haagse Comedie met Fie Carelsen, Paul Steenbergen en Caro van Eyck in de hoofdrollen het voor het voetlicht brengen.

Generaal Mannon komt uit de burgeroorlog thuis. Mannon is een harde, gesloten, rijke heerser. Zijn vrouw haat hem en heeft, tijdens zijn afwezigheid, relatie aangeknoopt met Brant, een scheepskapitein. Haar dochter Lavinia merkt dat. Zij verwijt het haar moeder. Moeder doodt haar man, met vergif, dat zij van Brant gekregen heeft. Ook dè,t komt Lavinia Mannon te weten. Zij drijft door haar verwijten en dreigingen haar moeder tot zelfmoord. Als Orin, haar broer, thuiskomt, neemt hij wraak op Brant.' Orin wordt gekweld door schuld en het einde is zelfmoord. Lavinia blijft leven, maar zij trekt zich terug in het huis van de Mannons. Het huis zonder licht. Zij wil vergaan mét het huis.

Het is de boosheid, die daar woedt. Het is de schuld, die zich voortzet. Het is de hunkering naar bevrijding, die stuwt, maar die bevrijding eindigt steeds weer in moord, zelfmoord, bedrog, overspel. Loopt uit op waanzin.

En gij leeft daarin mee. Het komt levensgroot voor u te staan, terwijl gij waarschijnlijk nooit een moord begaan hebt, nooit u hebt laten drijven door uw hartstocht buiten de veilige paden van de zoete en diepe liefde; nooit aan zelfmoord gedacht hebt. En gij beseft tóch: dit is waar. Niet, dat dit gebeurt, maar wél: zó gebeurt het. Er is een keten van zonde. Er is een vloek van de boze daad. Er is een duivelskring, waarbinnen mens en mensheid zich bewegen. En het moorden is begonnen, maar het

moorden neemt geen einde. De dochter verzet zich tegen haar moeder. Zij haat haar geilheid en veilheid. Maar als haar moeder dood is, dan doet ze het geen haar beter. Dan zegt iedereen: wat lijk jij op je moeder. En als de dochter aan het einde van het stuk de man, die haar ten huwelijk komt vragen, Adam noemt, dan schrikt zij. Want de jongeman heet helemaal geen Adam, maar Hazel. Zij zegt dan: „Adam, neen, die naam ken ik alleen maar uit de bijbel”. De naam, waarmee de zonde begon. De naam van de mens, die uit het paradijs verjaagd werd, om met schuld beladen zijn tocht over de aarde te beginnen.

Er bleef haar alleen maar over het huis dicht te spijkeren, in volstrekte eenzaamheid het einde af te wachten. Niets meer te doen, opdat de krachten der aarde, de wind, de regen, de vorst de vernietiging zouden brengen.

Er liggen 2500 jaren tussen Aeschylus en O’Neill.

Aeschylus eindigt zijn trilogie met vrijspraak. O’Neill met ondergang.

Predikt hij de ondergang? Neen, hij predikt niets. Hij onthult alleen maar. Hij onthult de kracht, die onze cultuur in de macht schijnt te hebben: de vernietiging door de krachten, die in de aarde wonen.

Is dit misschien de enige vorm, waarin men de Bijbel op het toneel kan brengen? Door het tegendeel van de bijbelse visie zo huiveringwekkend naakt te laten zien. Door ons, die zo aangenaam zitten te zien en zo deskundig spreken over het peil van het spel van Fie Carelsen of van minister Drees of van Truman, te laten zien, wat er werkelijk aan de hand schijnt te zijn. Schijnt, zeg ik. Het is werkelijkheid voor wie niets anders ziet, dan de aarde. Het schijnt werkelijk, maar het is geen werkelijkheid voor wie weet van de grote doorbraak. De doorbraak van de Liefde. En wij hebben daar woorden voor: Christus, vergeving, Koninkrijk van God. Wie weet heeft van die doorbraak, weet óók, dat dit‘de andere mogelijkheid is de énig andere mogelijkheid tegenover de gang door het mensenleven en de historie, die eindigt in het volstrekte niets.

Het is wonderlijk, dat men dit alles scherper ziet in een schouwburg, waar Fte Carelsen tovert met haar stem en haar armen, dan in menige kerk, waar een preek voortdeint en massieve liederen klinken. Ook in die schouwburg werd prediking gehoord. Maar men moet haar willen verstaan. Geldt dat niet van elke prediking overal?

L. H. RUITENBERG

De Belgische volksraadpleging

EEN ZINLOOS AVONTUUR

De fonteinen van Brussel —• met hun een en twintigen de trots van de stad zijn sinds de herfst van dit jaar weer in werking, tot verrukking van Brusselaar en tourist. De woordfonteinen, die het Belgische politieke leven zuidelijke kleur en bewogenheid geven, werden niet belemmerd door de na-oorlogse omstandigheden. Sinds de be vrij ding staan zij wagenwijd open in verband met de koningskwestie, helaas niet slechts tot louter vreugde van de Belg, veeleer tot. diens groeiepde ergernis. De laatste weken zetten voor- en tegenstanders hun beste beentje voor, in de hoop de vermoedelijk muurvaste fifty-fiftyverdeling der openbare mening te hunnen gunste te veranderen. Een bloemlezing uit de argumentatie, uit de debatten in de kamer, uit de artikelen in de pers, zou ons doen denken aan een samenspraak van staatkundig-gereformeerden en communisten ten onzent. Hoe boeiend zo’n steeds wassende stroom van absurditeiten ook mag zijn, al is het mooi om elk geloof in de redelijkheid der mensen te verliezen, toch lijkt het ons voor het verwerven van enig inzicht beter om ons te richten op het werkelijke probleem of liever de problemen waarvoor het Belgische volk is gesteld. De koning blijkt hierbij slechts inzet te zijn. Achter hem verschuilen zich de Waalse kwestie, het clericalisme- met zijn anti, de plaats die men aan de koning in algemene zin geven wil, en last but not least de gehele problematiek der sociale en economische politiek, die in België met zijn meer dan 200.000 werklozen bijzonder actueel is. Wat zijn de feiten omtrent ’s konings ge-

drag? Ondanks de vele artikelen in de pers, de brochures en mémoires der betrokkenen, ondanks ook de redevoeringen, waarop de Belgische kiezer steeds veelvuldiger wordt vergast, is er maar weinig feitelijks bekend geworden. België mist een parlementaire enquête, waarbij documenten en verklaringen aan elkander worden getoetst en het publiek worden voorgezet. Hetgeen men weet, komt van mensen die in 1940 en later een rol hebben gespeeld en nu hun standje willen verdedigen door vooral het licht te doen schijnen op wat voor hen persoonlijk en voor hun partij nuttig zijn kan. Toch geloven wij, dat Spaak’s onthullingen in woord en geschrift, ondanks de onmiskenbare subjectiviteit, waarbuiten ook deze figuur niet gezien kan worden, de weergave van de werkelijke toedracht zeer goed benaderen. Spaak spreekt over de „persoonlijke politiek des konings” en hiertegen vooral richt zich zijn verzet tegen de terugkeer van deze vorst. Hij beschuldigt Leopold er van in 1940 en later zich tegen de wil van de regering en in strijd met België’s aangegane verplichtingen te hebben gehandeld. België had zich door het aanvaarden van de Frans-Engelse garantieverklaring van 24 April 1937 verplicht om zijn landsgrenzen te verdedigen tegen elke agressie of invasie en te verhinderen, dat Belgisch grondgebied werd gebruikt voor een agressie tegen een andere staat. De koning daarentegen was van oordeel, dat België geen andere verbintenis tegenover zijn gezanten had aangegaan dan zijn nationale grondgebied te verdedigen. Op grond van dit voorbehoud kwam de koning