is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 18, 04-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gustav Fjaestad: Sneeuw en rijp (Schilderij omstreeks 1900)

ik beteken meer, dan Jij? (Denken we aan de gelijkenis: Mattheüs 18 : 21-35).

Barmhartigheid.

Omdat het christelijke altijd uitgaat van de reële solidariteit in de schuld, daarom weten we, dat in elk oordeel een zelf-veroordeling ligt. Daarom behoort de barmhartigheid tot het wezen van het christelijk oordeel.

De Farizeeën, die een vrouw in overspel gegrepen hadden en Jezus herinnerden aan de wet, die steniging beval, voelden zich niet, mèt deze vrouw, medeschuldig tegenover God. (Joh. 8 : 2-11). Zij wilden niet toegeven, dat ook in hün hart de kiem van het overspel sluimerde.

Jezus brengt deze mensen tot zelfkennis. Elk oordeel is een zelf-veroordeling! „Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar.” En dan gaan de Farizeeërs weg. De oudsten het eerst. Zij hadden het meest op hun kerfstok.

Dat is Jezus’ oordeel over het harde, onbarmhartige, oordeel. Alle oordelen, dat gelijk staat met „stenen gooien” is door Hem veroordeeld.

De hoop en het geduld.

Laten we nog een ogenblik naar het verhaal in Johannes 8 luisteren.

Jezus zegt tot de vrouw: „Dan veroordeel Ik u ook niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!” (8 : 11).

Hier is de verwachting voor de toekomst. Hier is ook het geduld, dat het waagt. Nooit is de deur dicht. De deur blijft altijd open.

Zo was het ook bij de profeten. Bij al hun harde gerichts-woorden bleven ze hópen op de bekering van het volk. De deur blijft, van Gods kant, altijd open.

En de profeten hebben het geduld gekend. Jeremia diende zijn volk 40 jaren lang. Totdat hij doodgegooid werd met stenen.

Het christelijk oordeel.

Van ons wordt niet gevraagd een slappe onverschilligheid ten opzichte van allerlei onrecht, geweld, leugen.

Van ons als christenen wordt de gehoorzaamheid van het juiste oordelen gevraagd. Dit juiste oordelen gaat van de volgende overtuiging uit:

1 In het komende, en eigenlijk ook steeds aanwezig zijnde Gericht Gods over ons leven, zijn wij allen schuldig. „Er is niemand goed, dan God alleen.” (Markus 10 : 18). Wij leven alleen vanuit de Vergeving van zonden.

2,, Elk oordeel, dat wij vellen, spreken wij ook over ons zelf uit. Steeds worden er 2 geoordeeld: ik en de ander. En ik voorop. 3. Het christelijk oordeel wordt gedragen door de Barmhartigheid. Alle Farizese zelfvoldaanheid, alle sectarische hoogmoed, moet er vreemd aan zijn. Het is een oordeel „in Opdracht”. In Opdracht van God, die wij kennen door Jezus Christus. En Hij was „met innerlijke Ontferming bewogen”. 4. Het geduld moet blijven. En de deur van de hoop mag nooit in het slot vallen. Wie de mens, de mensheid, die voorwerp is van Gods Bewogenheid, verloren zou achten, spreekt in dit oordeel de vreselijkste zelfveroordeling uit.

5. Dit alles betekent niet, dat het christelijk oordeel hier concreet moet zijn. De profetische woorden en Jezus’ uitspraken hebben voor ons hun geldigheid op dit punt niet verloren.

Wat dit alles nu in concreto voor invloed heeft op ons oordelen, wil ik trachten in een volgend artikel uiteen te zetten.

KR. STRIJD.

Consumptieheperking

Die lezer van Tijd en Taak, die aan de redactie-secretaris schreef over die schandelijke wijze van schrijven van mij, heeft me meer getroffen dan ik zo wel kan zeggen. Want hij heeft me duidelijk gemaakt, dat ik toch nog duidelijker moet zijn over de zo noodzakelijke consumptiebeperking. Maar dat niet alleen: hij heeft me in het hart getroffen, omdat ik zo goed begrijp, wat het wil zeggen om steeds maar weer te moeten horen preken en zien doen. Horen preken door lieden over beperking der consumptie en zien schransen in het restaurant, waar ze tussen de middag even gaan lunchen k ƒ 15. per lunch.

Broeder, ik ben het met je eens. En toch heb je ongelijk. Ik zeg dat „broeder” tegen de briefschrijver en tegen mezelf. Want we komen niet uit dit probleem, als we steeds naar de ander blijven kijken. De leuze van Henri de Greeve ligt me niet erg: verbeter de wereld, begin bij jezelf. Maar nog minder lust ik: verbeter de wereld, begin bij een ander'. En dat laatste* is de praktijk.

Ik weet het wel, dat ook dit weer erg gemakkelijk gezegd is. Het kost niets. Een beetje inkt en een paar minuten! Maar toch meen ik op dit gevaar van het steeds maar weer in „na-ijver op de ander zien” te moeten wijzen. De Bijbel zegt het al: „een ieder zie op hetgeen van hem zelf is en niet op datgene, wat van de ander is” en het tiende gebod heeft het over de begeerte die wij moeten bestrijden, willen wij de Godsvrede in (his hart verkrijgen van Hem, die ons alle dingen schenkt.

Maar er is nog iets anders. Even aannemende, dat wij, behorende tot de 90 % nietwelgestelde mensen, volkomen gelijk hebben aan die andere 10% verwijten te doen, dan nog moeten wij ons wel realiseren, dat dit een negatief werk is, waar niemand iets mee opschiet. Ik kan die handelsman, die

vandaag samen met me bij de kapper zat, wel villen, omdat hij het waagde tegen een kappersbediende te zeggen: „Jullie hebben vanmiddag vrij, hè? Dat is er bij mij niet bij. Ik zal wel werken”. Want deze man ook al werkt hij hard heeft toch altijd een heel wat plezieriger leven dan deze kappersbediende. Maar als ik hem gevild had, wat dan nog?

Zou de maatschappij er beter gaan uitzien als wij de 10% welgestelden, ten minste diegenen onder hen, die zich misdragen, zouden villen?

Of zou de maatschappij er beter gaan uitzien als wij samen met het deel van deze 10% dat wel weet van „het hoeder van de broeder zijn” plannen gaan beramen om de totale, te verdelen koek wat groter te maken. Die koek is het nationale inkomen (in goederen), dat momenteel niet al te groot is, maar dat gevaar loopt kleiner te worden, terwijl het aantal monden dage-

lijks groter in aantal wordt. Wij moeten elkaar geen sprookjes vertellen. Nederland is niet een land met een aanlokkelijke toekomst. Als er geen uiterste krachtsinspanning komt, dan zullen wij niet houden, wat wij nu nog hebben. Dat is het probleem, waarvoor we staan en daarbij verbleken alle andere problemen. Want laten we dit niet vergeten: wij zullen ons blijven ergeren aan de Kaïns, die hun broeders niet willen hoeden (tussen twee haakjes: die Kaïn ben ik ook wel eens; u ook?) Maar als het nationale inkomen nog kleiner wordt, moeten wij niet denken, dat die Kaïns minder zullen krijgen. Dan zijn alleen wij de dupe. Daarentegen kunnen wij er van profiteren als de koek van het nationale inkomen groter wordt.

Het streven van onze regering, ook van deze minister Van den Brink, die dikwijls zo wordt uitgescholden (naar mijn gevoel meestal ten onrechte) is gericht op het