is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 18, 04-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergroten van de koek van het nationale inkomen. Zij wil dat bereiken door industrialisatie en voor die industrialisatie is nodig investering (in geld en in goederen) en daarvoor is weer nodig besparing (in geld, dus minder consumptie van goederen).

De berekeningen lopen nogal uiteen. Maar

I Uit deze cijfers (die van 1949 zijn een schatting van het planbureau) is een aantal interessante conclusies te trekken: 1. De belangrijkste besparingen komen uit de bedrijfshuishoudingen. Dit zijn de interne investaties van de ondernemingen, die niet hun gehele winst uitdelen aan de aandeelhouders, maar grote reserves aanleggen. Een verstandige belastingpolitiek, zoals minister Lieftinck voert, verhoedt het onheil, dat deze ondernemingen niet meer zouden reserveren. Met name de nieuwe belastingvoorstellen zullen het de ondernemer gemakkelijker maken te reserveren en dus te sparen. Een geringer bedrag zou worden gespaard als er meer dividend, meer loon, meer salaris en meer tantième zou worden uitgekeerd. Het dividend is in de meeste gevallen gestabiliseerd. Men kijkt nog wel eens te zeer naar het hoge percentage, maar vergeet daarbij, dat de koers van de aandelen daarmede verband houdt:

dat voor 1952 enkele milliarden nodig zijn, is een feit. Daarnaast moeten gewone besparingen plaats vinden om de bestaande apparatuur te vervangen en daarvoor zijn ook milliarden nodig. Het betekent, dat wij over 1950 en 1951 op z’n minst 5 milliard zullen moeten sparen. Hoe staat het nu met de besparingen?

in mln guldens 1935 1938 1946 1947 1948 1949 Particuliere besparingen a) gewone 290 210 240 -200 -640 290 600 -540 -100 300 700 -900 b) institutioneel Bedrijf shuishoudingen Overheid 100 bU 440 1150 -580 460 1290 -100 Totaal 350 540 -290 -2000 1100 1770

een aandeel, dat 50 noteert en een dividend geeft van 6%, geeft aan de eigenaar slechts 3% rente over zijn belegde geld.

2. Een tweede belangrijke bron van besparingen komt van de institutionele beleggers. Dat zijn de sociale fondsen en verzekeringsmaatschappijen, die premie ontvangen en schadevergoeding uitkeren en het restant sparen voor toekomstige uitkeringen. Hoe belangrijk dit ook moge zijn, een industrialisatie daaruit financieren is onmogelijk.

3. De overheid spaart niet, maar ontspaart, m.a.w. gebruikt meer dan zij heeft. Dat is begrijpelijk in deze tijd van naoorlogse economie.

4. De particulieren hebben na de oorlog eerst sterk ontspaard en thans komt weer geleidelijk enige mogelijkheid tot sparen. Ook deze bedragen zijn zeer gering. Wat betekent dit nu? De voornaamste conclusie, die men op

grond van één en ander kan trekken is, dat men het moet hebben van de besparingen der ondernemingen en dat men dus de ondernemers op het hart moet drukken sober te zijn, niet alleen met het uitkeren van hun eigen salaris, dat uiteraard slechts een heel klein percentage vormt van de totale uitgaven, maar ook met de uitkering van dividend en helaas ook met de betaling van lonen en salarissen.

Komt er nu toch in de één of andere vorm een derde loonronde voor heel veel arbeiders moet deze komen, willen ze hun verhoogde huur en de prijsverhoging van ca. 3% uit de devaluatie kunnen betalen dan zal dit betekenen, dat de besparingen der ondernemingen weer afnemen. Het enige, waardoor dit tegengegaan kan worden is een hogere arbeidsproductiviteit: dus harder en beter werken!

Maar er zijn ook particulieren, die best nog wat kunnen sparen. Dan roken en drinken ze maar wat minder en dan geven ze maar wat minder uit aan amusement. En is boter geen overbodige luxe geworden? En wat te zeggen over het witte brood op de vuilnisbakken, ook in arbeiderswijken? Zouden we het witte brood maar niet helemaal afschaffen? En is het nodig om zoveel meer vlees te gebruiken, nu de distributie is afgeschaft? Waarom worden er zoveel eieren verkocht? Waarom maken de banketbakkers zulke geweldige zaken? Waarom staat er een rij voor patat-kraampjes en in de zomer voor ijszaakjes? Naast het harder werken komt dus: minder verkwisten! En nu niet alleen maar naar de ander kijken. Een ieder béginne bij zich zelf. Pas daarna heeft men het morele recht anderen te critiseren. Ook dat laatste kan geen kwaad. . j J. G. V. d. PLOEG

Vroegkerk

De sneeuw voedt het plafond met wit, dat ook bij de oogappels zit van de bezoekers. Er is een rust van wet en wonder.

Tot boven toe en onder de vloer langs in de verste hoeken begeeft het licht zich als een hal.

Het spreken krijgt een blanke schal. Wij zijn iets groter dan gewoonlijk, want iedereen is zo persoonlijk.

dat hij zich aan de ander meet en hem terstond vergeet om op te gaan in het geheel, waarmee hetzelfde evenveel

voldoende blijft voor elk, die zit te wachten op de melk. Gerrit Achterberg

Laat hij, die het bijgaande gedicht verstaat, dat G. Achterberg voor T. en T. af stond, dit kort commentaar overslaan. Maar er is wellicht een lezer, die uitleg behoeft. Voor hem werd dit geschreven.

Maar eerst nog even een inleidende opmerking: de schoonheid laat zich niet bewijzen. De schrijver kan slechts getuigen, dat dit gedicht voor hem een geheimzinnige aantrekkelijkheid bezit. Het is zo verrassend geformuleerd; het gaat uit van een na'iefoorspronkelijkelijke visie; het herschept de bekende dingen tot een toverachtig-nieuw heelal.

„...en verlangt als pasgeborene kinderen naar de onvervalste melk des woords”. Zo staat het in de eerste brief van Petrus (11,2. vergelijk I Corinth. III,2). Is dat niet de goede gezindheid om naar de kerk te gaan? De laatste regel is de sleutel van heel het vers.

Het heeft gesneeuwd, en nu is het smoezelige wit van het kerkplafond anders dan gewoonlijk; anders is ook het wit in de oogappel van wie nu in de kerk komt. Maar deze atmosfeer van het sneeuwlandschap rondom de kerk maakt alles inniger. Het besef van in Gods huis te zijn, waar de wet verkondigd, het wonder der genade voltrokken wordt, is levendiger dan ooit en wordt zichtbaar uitgédrukt in het alom tegenwoordige licht. Het spreken in die witte stilte heeft een eigen klank en de menselijke gestalte, zo duidelijk afgetekend, lijkt wat groter dan gewoonlijk, tegelijkertijd scherper afgegrensd van de anderen. Het witte ' licht isoleert, maar de mens, omvangen in de kerkruimte, weet zich tevens deel van het geheel. Het woord, de ganse gemeente toegesproken, geldt tevens voor hem alleen. O wonder, ieder zal • het als voor hem apart bestemd verstaan en het zal hem voeden tot verzadiging, mits hij luisteren wil in die kinderlijk-open, verbaasde gezindheid, waarover Petrus schreef. J. G. B.