is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 19, 11-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rechtszekerheid in de arbeid

De economie en ook wel de sociologie zijn terreinen, waarover een ieder zijn zegje heeft. Economen en sociologen kunnen zich, naar gelang hun geaardheid, nog al eens ergeren of amuseren over uitlatingen van juristen, ingenieurs en theologen (vooral de laatsten!), die aan het kletsen slaan over problemen, waarvan zij op geen stukken na beseffen wat er allemaal aan vast zit. Zelf zijn ze zeer verontwaardigd, als een niet-jurist, een niet-theoloog of nietingenieur zich op hun vakgebied waagt. Ook hierbij spannen de theologen meestal de kroon.

Vandaar dat ik het boek met de bovenstaande titel met bange verwachtingen ging lezen. Toch echter niet geheel pessimistisch, omdat ik wist, dat de schrijver bij Philips werkzaam is en uit dien hoofde dus met economische en sociale problemen dagelijks in contact komt. En bovendien, omdat ik in één der commissies van het Nederlands Gesprek Centrum de heer Bergmans had leren kennen als een nuchter en zakelijk man, die frisse ideeën had over de reconstructie onzer maatschappelijke orde. Laat ik dan hier ook direct aan toevoegen, da,t de lezing van zijn boek mij een genoegen is geweest en dat ik meen, dat het veel aandacht verdient in alle kringen van ons volk. Wat overigens niet wil zeggen, dat ik het over de gehele lijn met hem eens ben. Het biedt echter mogelijkheden voor een goede discussie over uitermate gewichtige sociale vraagstukken. Bergmans is een gereformeerd man. Dat blijkt ook duidelijk uit zijn boek. Eens te meer is mij, duidelijk geworden, dat het theologische schema der Nederlandse gereformeerden enkele zeer gevaarlijke kanten bezit. De theologische aanpak van Karl Barth is kennelijk aan deze Nederlandse gereformeerden voorbijgegaan. Als ik lees, dat de „weg van het zedelijk recht” moet worden ingeslagen en dat er een „normaal menselijk rechtsgevoel” bestaat, dat het feit, dat wij mogen atbeiden een zegen is op grond van het naar Gods beeld geschapen-zijn, als ik lees, dat de arbeider „recht” heeft op een „rechtvaardig” loon en dat God de mens bedreigt met bestaansonzekerheid, als hij zijn arbeidsplicht niet vervult, kan komt het boek van Brunner „Gerechtigheid” mij in de gedachten en dan vind ik in beide boeken precies het tegengestelde van wat de na-Barthiaanse theologie stelt. Dan meen ik ook, dat tussen de natuurrechtleer van onze rooms-katholieke broeders en hen weinig principieel verschil is. Al zal Bergmans zich waarschijnlijk geen aanhanger van de filosofie der Wetsidee noemen, toch komen telkens weer elementen van deze typisch aprioristische redeneertrant te voorschijn. Onwillekeurig wordt men herinnerd aan sommige economisch kant-noch-wal-rakende opmerkingen van prof. dr H. Dooyeweerd en dr ir H. van Riessen, als het gaat over collectivisme en individualisme.

Dit over de principiële achtergrond van dit boek. Men make daaruit niet op, dat ik het daarom niet eens kan zijn met de praktische consequentie uit een en ander. Maar ik ben het ook eens met heel veel in de pauselijke sociale encyclieken en toespraken en ook met veel consequenties van humanistische origine. Ik wil alleen waarschuwen voor een te snelle tevredenheid, want ik vrees, dat verder doordringen in

de geestelijke achtergronden weer tot tegenstellingen zal leiden, die zich ook kunnen gaan openbaren in de praktische maatregelen. Voorshands kunnen wij echter dankbaar zijn met de grote mate van overeenstemming tussen praktische voorstellen uit het r.k.-kamp, uit de humanistische wereld en thans weer uit de gereformeerde groep. Dit biedt mogelijkheden voor een vlotlopend gesprek over actuele vraagstukken, die om een oplossing schreeuwen. Het boek van Bergmans stelt vast, dat het ons moet gaan om een grotere rechtszekerheid van de arbeider zonder daarbij te verzeilen in collectivistische maatregelen. Hij kiest daarom een derde weg, die een variant is op Röpke’s derde weg. Ik meen, dat zich hier wreekt, dat ir Bergmans geen econoom is. Ik meen, dat de inaugurele oratie van prof dr J. Zijlstra van de econ. faculteit der Vrije Universiteit juistere dingen zegt over Röpke dan Bergmans. Maar hoe dit ook zij, Bergmans wil zich afzetten tegen het kapitalisme, dat de eigendom verabsoluteert en de arbeid tot een materiële koopwaar maakt. Daar tegenover stelt hij het rentmeesterschap van elke eigenaar en de noodzaak van een rechtsorde van de arbeid. Op grond alleen daarvan is hij reeds een voortreffelijk gesprekpartner voor de socialist, die hij met anderen dan ook uitnodigt voor een gesprek. Met de jonge Abraham Kuyper staat hij een radicale.

architectonische vernieuwing van onze maatschappelijke orde voor en vindt zich dan vanzelf in gezelschap van de socialisten, die eveneens vernieuwing onzer maatschappij begeren.

De critische beschouwing van de bedrijfsorganisatie, van het werk der vakverenigingen en van ordening en geleide economie zijn vaktechnisch niet altijd gelukkig, maar naar mijn gevoel vaak wel juist. En in elk geval zeer leesbaar en aansprekend. Heel te recht wijst Bergmans op het gevaar van het corporatisme dat in een PBO kan liggen en dat de slagvaardigheid van onze industrie zou ondermijnen en de politieke democratie weer illusoir zou maken. Waakzaamheid is geboden en deze waakzaamheid komt er, als steeds over deze zaken zo open mogelijk wordt gediscussieerd. De hoofdstukken XII en XIII zijn beslist de beste van het boek, omdat daarin concrete voorstellen worden gedaan over:

1. Vast verband, waardoor arbeider en onderneming hechter aan elkaar worden verbonden dan tot dusverre het geval is. Ook in tijden van crisis en massa-ontslag zullen de vast-verband-arbeiders verbonden blijven aan de onderneming. Daardoor neemt de bestaansonzekerheid en de daarmede samenhangende onverschilligheid af, de interne vakopleiding wordt voor ondernemer en arbeiders zinvol, de arbeidsproductiviteit zal sterk stijgen en een zekere

Ik ken Uw eigenlijke Wezen niet; Al vouwen zich ook vaak mijn handen samen

En noemt mijn hart U hij zo vele namen: Geen mens dringt door in 't diepst van Uw gebied. Geen, dié de wegen peilt van Uw beleid; Het blijft vertrouwen, tasten, hopen, raden, Hoe vast ook duizenden, die U aanbaden.

U snoerden in hun zelfverzekerdheid.

Eens schiep ik naar mijn eigen beeld mijn god. Nadat ik hem goed en kwaad nauwkeurig had omschreven. Heb ik, welwillend, zelf hem op een troon verheven En hem bevolen: „Nu, bestier mijn lot!”

’k Had alles uitgedacht en voorbereid, Zodat hij wist, al wat hij moest gedogen En wat een zonde zijn moest in zijn ogen. ’k Beging geen grote zonden in die tijd.

2o heb ’k mezelf wat voorgepreveld, tot Ik aan dit heilloos kinderspel ontgroeide. En ’t zelfgeschapen beeld, dat niet meer boeide, Terzijde heb geworpen als een vod. Wat kan ’t mij deren, dat ik U niet ken?

Gij hebt mij toch, reeds in dit aardse leven Uw stellig woord als zekerheid gegeven Voor de eeuwigheid: „Zie, Ik ben. Die Ik ben!”

J. F. B. V. d. Scheer