is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 19, 11-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Franse titoïsten

„Het Centrale Comité roept de communisten op tot grote revolutionnaire waakzaamheid ... Slaat toe, zonder te dralen, wanneer een titoïstische agent in de partij ontdekt wordt...”

Deze en een aantal dergelijke zinnen waren te lezen in de „Humanité” van 12 December 1949. Twee conclusies kon men er uit trekken. Allereerst, dat het „orthodoxe” communisme onder aanvoering van Thorez de boventoon had gevoerd op het juist beëindigde partijcongres van de communistische partij in Frankrijk.

In de tweede plaats, dat er een interne crisis bestond in het Franse communisme en dat deze crisis ernstig genoeg was om er openlijk tegen te velde te trekken. De traditionele zuivering werd dan ook tegelijk aangekondigd.

Deze uitval richtte zich waarschijnlijk allereerst tegen de intellectuelen in de partij, die de laatste tijd rebels en afvallig beginnen te worden.

Dat is des te pijnlijker voor Thorez en de zijnen, daar in vergelijking met andere landen zeer veel bekende intellectuelen zich bij de communistische partij hadden aangesloten. Daarom verdient de afval van deze intellectuelen ook ongetwijfeld onze aandacht.

Thorez heeft lang geaarzeld voor hij het zware geschut van de partij-discipline tegen hen gebruikte. Of het helpen zal, is een tweede.

Kort na de bovengenoemde oorlogsverklaring aan de „titoïsten” in de „Humanité” verscheen in de links-radicale „Esprit” een hoofdartikel van Jean Cassou de directeur van het museum voor moderne kunst die in zeer duidelijke termen te kennen gaf, dat hij genoeg had van de „stalinistische leugenkerk” met haar „scholastische bekrompenheid” en haar „cadaver-gehoorzaamheid”. In hetzelfde nummer schreef Jean Bruller, de bekende communistische schrijver, die onder de schuilnaam Vercors o.a. „De stilte der Zee” schreef, een niet minder duidelyk en vernietigend artikel over de schyn-Tprocessen in Oost-Europa.

Bijna tegelijk daarmee maakte de schrijfster Edith Thomas bekend, dat zij gebroken had met de communistische partij. In „Combat” legde zy van deze stap rekenschap af met deze woorden: „Wij hebben er genoeg van om ter wille van een zaak, die ons nog steeds na aan het hart ligt, voor idioten te spelen, die men voor alle vuile karweitjes kan gebruiken...”

Toen wat eerder Claude Aveline en Martin-Chauffier zich in een protest-telegram verzet hadden tegen het proces-Rajk, had de nog gezwegen. En toen David Rousset een onderzoek naar de dwangarbeiderskampen in Rusland eiste, was het ook nog gebleven bij een weinigzeggende verklaring. Maar na de afval van Cassou en Vercors was de zaak niet meer te verbloemen. Andere bekende intellectuelen in de partij, zoals Joliot Curie en Aragon hebben tot nu toe gezwegen.

Vercors en Cassou hebben bovendien prominente voorgangers gehad, zoals Gide en Malraux, die ook eens geloofd hebben in de verlossingsleer van het communisme. Dat men tegen deze afvalligen met het woord „titoïsme” werkt, is niet vreemd.

_ , ledere afvallige is tegenwoordig immers „titoist . En... gingen onlangs een aantal va,n deze mtellectuele afvalligen – onder wie ook Cassou • niet bij Tito op visite om zelf eens te onderzoeken, wat er in Zuidslavië aan de hand was in plaats van zonder meer te aanvaarden wat Moskou en dus ook de Humanité daarover predikten? Hun sympathie voor Tito steken ze ook niet onder stoelen of banken. Of dat lang zo blijven zal, is echter nog de vraag, Want het verzet van deze intellectuelen heeft een veel diepere oorzaak dan Tito’s rebellie. Dit „intellectuele verzet” tegen de slaafse onderwerping aan Moskou vindt zijn wortel in een strijd voor de vrijheid van denken, voor de vrijheid van geest en het geweten.

Malraux vertegenwoordigt een cultuurfilosofie, die gebaseerd is op de vrijheid van de geest en verdedigt de onafhankelijkheid van het denken. Dezelfde strijd voor geestelijke vrijheid heeft Vercors, Rousset en anderen tot verbitterde tegenstanders van het stalinisme gemaakt, Daarom kan men gerust achter hun „titoisme” een vraagteken zetten. Want zijn verzet tegen Stalin maakt Tito nog niet tot een verdediger van deze fundamentele vrijheden en het is niet waarschijnlijk, dat deze intellectuelen op den duur minder critisch zouden staan tegenover een Joego-Slavische politiestaat dan tegenover een Russische.

Tegelijk duikt daarmee het grote probleem voor deze mensen op. Immers: het is ongetwijfeld hun felle critiek op de Westerse maatschappij en het falen der Westerse cultuur geweest, die hen naar het communisme heeft gedreven. Daar hebben zij gemeend een nieuw ideaal

en in meerdere of mindere mate een nieuw geestelijk tehuis te vinden.

De werkelijkheid van het communisme heeft hen diep teleurgesteld. Zo staan zij nu a.h.w. in een vacuum en waar zullen zij een nieuwe grondslag vinden voor hun leven en denken?

Het gemakkelijkst ligt deze zaak misschien voor diegenen onder hen, die hoewel communist de band met de Katholieke kerk, waartoe zij behoorden, nooit geheel hebben doorgesneden, en die in deze kerk mogelijk opnieuw een tehuis vinden. Malraux is naar rechts omgezwaaid en aanhanger van de Gaulle geworden. Maar de anderen?

Zal het hun gaan als Koestier, die in 1938 reeds brak met de communistische partij, een fel tegenstander van het stalinisme werd, maar toch tot op heden nergens „aansluiting” vond?

Zullen velen van deze gedesillusionneerde intellectuelen, die zich van het communisme afwenden, alleenstaande, vereenzaamde mensen wordèn?

Wat wij in een vorig artikel schreven naar aanleiding van het „testament” van Klaus Mann wijst wel in deze richting. Of zij ook daarin de voorhoede zullen vormen van een veel bredere groep, die het geloof in het communisme zal verliezen?

Men kan met een zeker genoegen vaststellen, dat deze intellectuelen toch ook inzien, dat het communisme „verkeerd” is; iets, wat „wij” altijd al gezegd hebben. Maar daarmee zijn we er niet. Zo iets doet het in een dagblad, dat zijn voornaamste taak ziet in het voeren van partij-propaganda misschien wel aardig, maar er blijven desondanks enkele lastige vragen. Een politieke vraag: is ons politieke denken en handelen van zo’n gehalte, dat het deze mensen iets te zeggen heeft?

Een religieuze vraag: „Wat heeft het christendom in zijn gestalte van deze tijd deze „ontwortelden” aan te bieden? Vragen, waarop wij het antwoord niet schuldig mogen blijven. Of wij in staat zullen zijn die antwoorden ook werkelijk te geven? J. HULSEBOSCH

De kunst der oordeelsvorming

Dit wordt een droge beschouwing. Wie iets sappigs wil lezen, sla dit dus over.

Het gaat namelijk over de wijze, waarop wij ons een oordeel vormen aangaande de politieke werkelijkheid. En daarbij beperken we ons tot deze vraag: Op welke wijze verkrijgen wij de feiten, die wij nodig hebben om een oordeel te kunnen vormen? Wij zijn een volk, dat zich een eigen oordeel vormt over het wereldgebeuren. Door een democratische ontwikkeling van enkele eeuwen lang, door een scholing van de arbeidersbevolking door middel van vakbeweging, partij en pers een halve eeuw lang, heeft ons volk enig vermogen zich eigen gemaakt om zich niet zonder meer gewonnen te geven aan wat machthebbers en propagandisten beweren, doch is er een critische gezindheid gegroeid, die wel eens heel onaangenaam kan zijn, doch waarvoor wij evenzeer dankbaar moeten zijn. Dit vermogen tot het vormen van een eigen oordeel immers is één van de oorzaken geweest, waardoor de Nederlander in de bezettingstijd en daarvoor, over het algemeen een zaak niet voor kon houden.

omdat de Leider het zei. Het heeft ons een geestelijke weerbaarheid gegeven, die tot de waardevolle goederen van onze cultuur behoort.

Nu zien wij tevens in onze tijd, dat dit oordeelsvermogen zijn grenzen heeft en sterk bedreigd wordt. Vóór de oorlog sprak prof. Huizinga in zijn bekende boek reeds over deze „daling der critische behoefte” en over „de algemene verzwakking van het oordeel”. Dit proces gaat nog steeds door en wordt versneld door de politieke moeheid van de na-oorlogse jaren en de toenemende ondoorzichtigheid der maatschappelijke werkelijkheid. Meer en meer dreigen tallozen geestelijk weerloos te staan tegenover propaganda en reclame en tegenover al datgene, dat zich met een air van deskundigheid aan hen opdringt. Wanneer de verkiezingen komen, ervaren wij het smartelijk, hoezeer de massa zich in haar politieke keuze laat leiden door toevallig opgewekte hartstochten, door eigenbelang en persoonlijke ondervindingen, meer dan door zedelijke beginselen en door inzicht in de feiten.