is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 21, 25-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lijdensweken

Welke verhouding bestaat er tussen schuld en lijden? Deze moeilijke vraag heeft de mens de eeuwen door beziggehouden. Men kan bij het stellen van deze vraag aan de schuld denken, die door het lijden gevolgd wordt, men kan ook van het lijden uitgaan en daarbij de schuld op het spoor trachten te komen. De eerste weg volgen onze gedachten, zodra wij de geschiedenis in het licht der gerechtigheid zien. Niet alleen de geschiedenis der volkeren, maar ook de geschiedenis van de enkeling leert ons, dat schuld haar einde in allerlei vormen van lijden vindt. Soms lijkt het, of het lijden uitblijft, soms schijnt het de grootste deugnieten in de wereld het beste te gaan, maar dit is slechts schijn. In werkelijkheid kan het niemand goed gaan, die zich op een of andere wijze vergrepen heeft. Deze samenhang tussen schuld en lijden baart niet zoveel hoofdbreken als de behandeling in omgekeerde volgorde. Deze is meestal dan aan de orde, wanneer wij, verslagen door het grote leed dat de wereld treft, naar een slachtoffer zoeken, dat voor deze schuld aansprakelijk kan worden gesteld. Het lijden is een Godsoordeel en wat is er tegen om in deze richting verder te denken? Wat is er tegen een schipbreukeling te doden, wanneer hij eenmaal nat en uitgeput aan land komt, vragen zich sommige primitieve volksstammen af? Het is duidelijk, dat de schipbreuk op een Godsoordeel wijst en hieraan behoort niemand te ontkomen. Dat Paulus na de schipbreuk door de Maltezers in het leven wordt gelaten, moet men min of meer als een ware uitzondering op de regel verstaan. En de Maltezers ondergaan het als een ware voldoening, wanneer zich aan de hand van de zich drogende Paulus een adder vastbijt, die hem door de beet waarschijnlijk toch van het leven zal beroven. De gerechtigheid heeft haar loop, de rekening klopt. Voor menigeen werd de rekening ook klop(Vervolg pagina 6)

Luis de Vargas (1502-D6B). Portret van een jongen – tekening

DROMENDE JONGEN

Vaak was hij liever zonder speelgenoot: Er was zo veel waarmee hij kon verkeren En stil kon zijn. Er blonk een sloot

Achter het huis; hij zag de zwaluw scheren Raaklings langs ’t watervlak; er ritste een rat Vlak langs de oeverlijn en kikkers kwaakten

En dartle vissen sprongen en dat maakte Dat plotsling ’t water vol met kringen zat. Die wijduit golvend in elkaar vergingen.

Hoe graag stond hij te kijken voor het raam En in hem smolt de beeltenis der dingen Met wat hij in zijn dromen zag te zaam. Zo werd hij een met hemel, wei en water

En in volkomen eenzaamheid gehuld; Er was geen vroeger meer, er was geen later . En van droefgeestigheid werd hij vervuld.

Soms zag hij op de sloten en de weiden De dampen zich verdichten tot een vacht, Alsof de aard zich van de dag bevrijdde, Een dromendeken omdeed voor de nacht.

Dan voelde hij zich wonderlijk verzweven. Niets tastbaars was er om en achter hem. Alleen in een verijld, verneveld leven De onwerkelijke wereld zonder stem . . .

Dan was hij als een jongen zonder woon, Die liefde noch vertroosting had bezeten.

Hij had geen ouders en hij was geen zoon, Hij stond daar in de schermering vergeten . . ~

Johan Toot