is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 22, 04-03-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de moeite waard om voor het behoud van zo’n bezit te strijden.

Van hieruit is het stellig ook mogelijk belangstelling te wekken voor de nuchtere politieke actie. Want deze politieke strijd van het socialisme (en niet alleen van het socialisme) heeft als een der eerste doeleinden: het behoud en de verdieping van een wezenlijke democratie. Als protestantse christenen moet dit onze bijzondere belangstelling hebben. Het is niet toevallig, dat de democratie het diepst wortel heeft geschoten en het rijkst tot ontwikkeling is gekomen in die landen, waarin de Reformatie grote invloed heeft gekregen en behouden.

Er is een wezenlijk verband tussen ons protestantse christendom en onze democratie. Dan blijft er ook stellig ruimte voor de critische analyse. Juist, omdat de democratie voortdurend door allerlei gevaren wordt bedreigd. Niet alleen de democratie in ons politieke leven, maar ook die in de partij, in het economische leven (wat ligt daar nog een belangrijk stuk werk voor het socialisme), in de opvoeding, enz. Door die

critische analyse mag echter en daarom ben ik dankbaar voor je critiek zeker nooit het stimulerende, positieve woord achterwege blijven.

En... als het waar is, wat ik zelf geloof, dat de democratie geen betere en juistere fundering kan vinden dan een waarachtigchristelijke anthropologie, dan ligt hier een duidelijke en belangrijke taak voor ons. Deze taak: om in ons eigen leven, in de concrete verhoudingen waarvoor wij dagelijks staan en in de grotere verbanden der samenleving een „zoutend zout” te zijn en zij het onvolkomen gestalte te geven aan een democratie, die haar wortels vindt in datgene, wat wij met het Evangelie hebben leren verstaan.

Ik zou graag nog enkele andere dingen noemen en... dat punt van de „humor” ligt er nog. Maar... ’t is al weer rijkelijk veel dit keer en daarom; stop. Als de hoofdredactie het goed vindt, ga ik volgende keer verder. Met vr. gr. je J. HULSEBOSCH

„Vier jaar later” ...te laat?

Hoe onbenullig de Nederlandse filmproductie is, wordt ons duideiijk, wanneer wij haar met die van Denemarken vergelijken. Ook al zijn de Deense films niet allemaal meesterwerken, ook al zijn er onder, die te veel op het massale sensatieverlangen vooral op sexueel gebied speculeren, toch hebben wij na de ooriog kennis kunnen nemen o.a. van „Ditte een mensenkind”, „Kinderen van de straat”, „Een brandend vraagstuk” en nu met „Vier jaar later”: films welke zich ernstig met een ernstig vraagstuk bezighouden met een probieem, dat in óns land van niet minder grote betekenis is dan in Denemarken.

Of zouden we ons vergissen? Neem bijv. de collaborateurs, die, dank zij het mededogen der „rechtvaardigen”, weer hoog te paard zitten, slim en gesiepen als altijd, neen, slimmer dan ooit, want ze zijn enkele ervaringen rijker geworden ondertussen....

Over dit soort lui gaat het in „Vier jaar later”, een film die gemaakt is door een groep jonge, enthousiaste idealisten onder leiding van de regisseur Johan Jacobsen. Wat ons hier treft, is de ironische, psychologisch rake tekening van dames en heren die hun land verraden hebben en nu, een paar jaar na de oorlog, proberen, van de naïveteit der medeburgers misbruik te maken van een invalide man die steeds de partij van de sterkste gekozen heeft en uiteraard zijn vrienden bij de vijand heeft gevonden van de rechter die, „om erger te voorkomen”, illegale strijders veroor-

deeld heeft en rusteioos door het stadje dwaalt, totdat hij uit het leven vlucht van vrouwen, die zich verkopen van een iliegaai strijder die, tot het bittere inzicht gekomen, dat oprechtheid een vrij beiachelijke luxe is, z’n vrede met de landverraders wil sluiten, bijna wii sluiten

Mensen, die wij hier en ginds en in alie voormalig bezette landen tegenkomen mensen die ons doen walgen of ons medelijden opwekken.... wij zien en horen hen in „Vier jaar later”. Misschien wilden de makers van deze film te véél geven, m.a.w. zo veel mogelijk nuances tekenen van de sinistere der collaborateurs, een teveel dat hinderlijk en zelfs verdoezelend kan zijn —, zeer zeker wordt er te veel gesproken in deze rolprent en missen wij de taal der film: dit alles is in dit geval van ondergeschikt belang. Het gaat hier om een film die even als „Een brandend vraagstuk” een discussiegrondslag kan vormen, zoals bijv. in Nederland het uitstekende toneelstuk „Zaak A. D.” van Hans Tiemeyer een discussiebasis was.

Angstvallig heeft de regisseur zich van alle zwart-wittekening verre gehouden, een heel enkele keer zelfs tè angstvallig. Maar op deze wijze is het hem in ieder geval gelukt soms met een heel kort tafereel of een half zinnetje achtergronden en motieven uit het donker te halen en voor ons in het licht te plaatsen. Dit licht is niet te schel. De regisseur heeft het niet gezocht in pathos en rhetoriek. Steeds weer ontdekken we fijne psychologische trekjes die van goed observatievermogen getuigen. (Jammer dat het camera-oog dit vermogen mist). En telkens weer zijn wij verrast door de uitstekende keuze die de regisseur uit het hem ter beschikking staande mensenmateriaal kon doen.

Zeker was het gevaar aanwezig een verfilmd hoofdartikel te maken, met droge, bloedloze „woordvoerders” in plaats van met echte mensen; aan dit gevaar zijn de makers van „Vier jaar later” glorieus ontkomen.

Deze film wil ons geen wijze lessen geven; zij doet „alleen maar” zien wat is en doet ons met verbazing zien, dó,t het zo is. Zou het zelfs hiervoor, vier, vijf jaar later, te laat zijn ? H. WIELEK

Dodencultus

Vele jaren geleden, toen ik aan mijn dissertatie werkte, had ik in verband daarmee een gesprek met prof. Siotemaker de Bruine, die toen minister was. Hij vertelde, hoe moeilijk het was, om dwars door stukken, stencils en paperassen heen ruimte over te houden voor de ontmoeting van mens tot mens. Want ook bij vele officiële samenkomsten en recepties schiet ’t gewoon menselijke te kort. Tegen die achtergrond waren toch de mooiste momenten van dit ambt, als men soms als minister een ogenblik pastor kon zijn. Als voorbeeld vertelde hij, dat hij voor ouders, wier zoon ergens in Argentinië was overieden, zich allerlei moeite had getroost om zijn stoffelijk overschot naar Vaderlandse bodem te doen overbrengen. Zij waren daarop zeer gesteid. En het was hem gelukt.

Aan dat voorbeeid moest ik denken, toen ik mij onlangs verdiepte in het verschijnsel van een toenemende dodencultus. Voorop zij gesteld, dat ’t besef van piëteit alles, wat wij te zeggen hebben op dit punt, moet blijven beheersen. Ook al zijn mijn gevoeiens nuchterder op dit terrein, ik wil graag respect betonen tegenover sentimenten, die zich hier makkelijk iaten gelden. Maar ook met inachtneming van de eerbied, die wij aan dit onderwerp verschuldigd zijn, blijft er nochtans geiegenheid om enkele critische opmerkingen te maken van uit zakelijk-bij helse overwegingen.

Wanneer men een kwart eeuw ambtspractijk als predikant achter de rug heeft, dan zou men een apart hoof stuk van zijn mémoires kunnen wijden aan de show, de humbug en de kolder, die zich rondom begrafenissen afspeelt.

Beeli uit de film „Vier jaar later”

Ons volk kan over ’t algemeen op grote nuchterheid, als een van zijn meest markante karaktertrekken, bogen. Voorai in de streek ,waar ik predikant ben, heeft de nuchterheid zijn duizenden verslagen. Onlangs was ik op bezoek bij een oude man, die zijn hele leven als smidsknecht op het platteland voor een karig loontje gesloofd had. Hij deed er versiag van en voegde er scherp aan toe: En als de baas dan ’s Zaterdags een haantje kocht, dan schoot er voor mij nog geen pootje over. Een doffe nuchterheid keek uit zijn matte, moede ogen. De arme kerel had ’t voor zijn overtuiging nog niet veel verder gebracht dan ’t geloof, dat het vlees beter is dan de benen. Ten minste zo vermoedde ik. Om even door te boren, vroeg ik hem: „en nu heb je veel van het verleden verteld, wat denk je nu van je toekomst?” Prompt antwoordde hij, als de enige zekerheid in leven en sterven: „Dan ga ik naar Westerveld.”

Zie, dat is het kussen van de nuchtere zekerheid, waarop zeer vele duizenden hun hoofd gerust neerleggen. Maar opdat zij er met die nuchterheid niet al te kaal afkomen, begint de show, het spel van het sentiment, de enscenering van plechtigheid en cultus, die rekbaar is in verhouding tot de betaling en het aantai sprekers, maar overigens heel wat korter duurt dan het verwelken van de bloemen.

Mijn oude vriend zal vermoedelijk geen predikant bij zijn begrafenis vragen maar misschien zal er een kameraad of een familielid zijn, die zegt: „Rust zacht.” Maar niemand, die het gevoelen van deze man deelt, dat het met Westerveld voor goed en radicaal afgelopen is, weet ook maar enigszins raad met de zin en de bedoeling er van. Hier begint immers het absolute vacuum! Nog altijd strijd ik de goede strijd om een geduldig pastor te zijn. Maar ik moet eerlijk bekennen, dat ik altijd weer moeite