is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 25, 25-03-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HANS BORREBACH HEEFT EEN MEISJESBOEK GESCHREVEN

„Een hart klopt voor Pepita”. Roman voor oudere meisjes, geschreven en geïllustreerd door Hans Borrebach. Uitgeverij: „Het Kompas” N.V. te Antwerpen.

Eén van mijn volwassen dochters kwam deze week enthousiast thuis: „Kijk eens, daar ben ik nog net toe in staat Een gezellig, fleurig meisjesboek daar zal ik van opfrissen. —” Ze heeft een drukke werkkring en is aan de vacantie toe. Zuchtend van welbehagen dook ze weg in een diepe stoel.

„Interessant Hans Borrebach heeft het geschreven en geïllustreerd! Ik ben benieuwd, hoe die knaap dat terecht gebracht heeft, ’t Lijkt me heel moeilijk voor een man om een meisjesboek te schrijven. Dat is alleen maar weggelegd voor de uitverkorenen, de uiterst gevoeligen.” Peinzend keken de ernstige ogen voor zich uit. „Maar het voorwoord belooft veel.”

„Hans Borrebach”, peinsde ik, „heeft honderden jongens- en meisjesboeken geïllustreerd, inderdaad zeer raak en zeer vlot. Ging van hem vroeger niet het verhaal, dat hij kans zag om in vier en twintig uur een boek te lezen, te illustreren en er een band voor te tekenen? Vlotter kan het toch al niet! Maar de over-sérieuze werkwijze van de meeste onzer Hollandse illustratoren en illustratrices kennende, was ik altijd wat huiverig voor deze overbekende vlotheid die natuurlijk wel een bepaalde charme en fleur kan hebben, maar die toch ook zeer veel gevaren oplevert.

In de eerste plaats is er geen tijd om de tekst behoorlijk te lezen en volkomen in zich op te nemen. En wie is er critischer dan de jeugd, die alles opmerkt, wat niet precies klopt bij de tekst? En in de tweede plaats leidt vaak dergelijk gehaast en vlot werk tot vervlakking en tot massa-productie.

Ook ik was benieuwd naar Pepita Ten slotte hadden we een oorlog achter de rug en Hans Borrebach had sinds kort de relaties met de uitgever weer aangeknoopt. Het voorwoord was interessant. Hans Borrebach zou vertellen over de sfeer van grote Foto-studio’s, waar hij zo zeer thuis is, als geen ander schrijver, omdat hij die kleine wereld op zich zelf beter kent en begrijpt en liefheeft!

Een boek waard om gelezen te worden, om echt te beleven.

Ik besloot het boek te lezen, allicht zou het een verheugenis kunnen worden na al die jaren een verdieping.

Een uur later vond ik mijn dochter nog op dezelfde plaats in de zitkamer, mèt het boek. Van de peinzende zachtzinnigheid was niet veel over. Ze zag rood, haar ogen keken wild en in haar hand hield ze een groot blauw potlood. Alle vermoeidheid was weggevaagd en er was alleen nog een fel-opstandig wezen, dat wild wordt bij onrecht en hopeloze oppervlakkigheid en would be leuzen.

„Moet je horen, wat een sof-boek! ’t Is verschrikkelijk. Het puilt uit van de banaliteiten. En vlot, enorm vlot, iedereen is even vlot en op dezelfde manier jofel en vlot. Van je hupfalderie! En dat zetten ze aan jonge meisjes voor, als hét van hèt! Moet je luisteren —”

En ik kreeg hele zinnen te horen, waarbij venijnige, blauwe strepen.

„Je moet ’t in zijn verband lezen”, zei ik kalmerend, „zo zegt het zo weinig”. „In zijn verband? Maar er zit helemaal geen verband in. ’t Is allemaal lucht. Die lui leven niet, al hebben ze veel herrie er is geen enkel behoorlijk gesprek. Ze werken allemaal hevig met hun ellebogen om er te komen. Of de manier waarop, fair is, doet niets ter zake. Daar wordt niet eens over gepeinsd! Hoofdzaak is, dat je er komt en dat je veel geld verdient, mondain kunt doen in dure nachtcafé’s kunt zitten en flessen wijn kunt bestellen, als je net van de H.B.S. afkomt en de mentaliteit hebt van een eerstejaars student. Bah! Flut! Enfin, je moet het zelf maar lezen. Maar ik las nog nooit zo’n zeldzaam snertboek!”

Nu hecht ik veel waarde aan het oordeel van mijn oudste dochter. Ze gaat niet over één nacht ijs. Ze heeft een goede smaak. Ze heeft zeer veel gelezen en kan het kaf van het koren onderscheiden, en vooral is zij zeer gevoelig voor zuiverheid.

Ik glimlachte en liet haar uitrazen en verzocht haar mij het boek „als eerste” te geven, als ze het uit had. Want ik wist, dat anders de hele familie er zich op zou werpen en de spot zou niet van de lucht zijn. „Een man moet geen meisjesboek schrijven” hoorde ik haar nog mompelen. „Dat kan hij toch immers nooit, alleen als hij zeer gevoelig is en zeer zuiver tegenover een vrouw staat. .. Waar vind je zo’n fenomeen?”

Ik las „Pepita” en inderdaad, dat is een zeer vlot geschreven boek. Het verhaalt van een Gelders buitenmeisje, dat kersvers van de H. 8.5., pers-fotografe wordt in Den Haag en dat plotsklaps als grootste illusie, mondain wordt en wel op een zeer vervelende opdringerige manier, zoals geenéén stadsmeisje, dat al jaren in Den Haag woont, is.

Het is het van „het” om mondain te zijn een „vrouw” van de wereld te lijken, je te kunnen bewegen en dit alles alleen door uiterlijke charme nergens sprake van verdieping.

Daarbij heeft het boek een typisch mannelijke inslag. Geen vrouw zou ’t zo schrijven zo cru. De meisjes geven elkaar cosynaampjes zoenen elkaar, doen akelig wee en kruipen samen in bed en alle mannetjes praten op dezelfde manier niet één type is raak of apart met een eigen vocabulaire getekend. Is er eindelijk één aan het opduiken, dan praat plotseling

heel de goegemeente zo en verwatert de typering.

Het verhaal, dat niet veel om ’t lijf heeft, speelt zich af in kwasi-artistieke kringen en in nacht-elubs.

Het boek mag misschien interessant zijn, wanneer het alleen over de moderne fotografie gaat verder is het hopeloos oppervlakkig gezocht en onbenullig laag bij de gronds en voor jonge meisjes funest. Als dat nu het ideaal is, waarnaar uiteindelijk gestreefd wordt, heel veel uitgaan, drinken, dansen tot diep in de nacht in deftige café’s of tenten beautyparlours aflopen mooie kleren dragen en er vooral niet klein-steeds bijlopen er veel vrienden op na houden, die mooie cadeautjes geven, zoals dure ringen met brillanten zijden, geborduurde hemdjes en ragfijne kousen, die na ontvangst aan de volkeren vertoond worden boven op een tafel, waar een dans wordt uitgevoerd.

En ach die lieve meisjes zijn toch zo naïef! lEven wordt onze aandacht gespitst en lijkt het in een gesprek tüssen Pepita en Max er op alsof juist dit boek geschreven werd om aan te tonen, hoe het niet moet. Maar na enige zinnen verzandt de zaak hopeloos. Dergelijke meisjes bestaan niet. Als ze werkelijk naïef zijn, doen ze zo niet, en als ze wel zo doen, zijn ze niet naïef. Maar ik ben er van overtuigd, dat de meisjes, die Hans Borrebach bedoelt, anders zijn ep anders leven en dat dit maar een slap afgietseltje is van het werkelijke leven. Wanneer hij dit afgebeeld had, zou de zaak misschien echter en meer levenswaar zijn en waarschijnlijk frisser en minder gevaarlijk, dan dit weëe gedoe.

Want in deze kwasi-onschuldigheid zit een groot gevaar. „Gelukkig, dat er nog andere verhoudingen zijn, dan het huwelijk”, zucht één van de vriendinnen. „Wat zou het leven dan saai zijn ...” Enz. enz.

Nu is dit boek van Hans Borrebach geen uitzondering. Voor de oorlog werden we er mee overstroomd, al was dit soort minder cru, maar het merendeel van de meisjesromans was van een hopeloze oppervlakkigheid en onbenulligheid.

En ik herinner me, hoe we in de oorlog een ding goed vonden, dat met het uitver,kocht raken van de boeken, ook meteen en radicaal alle rommel van de markt verdwenen was.

Uitgevers en schrijvers hadden in die tijd de illusie en het verantwoordelijkheidsge- dat er in de toekomst zeer geselecteerd moest worden en dat ’t voorgoed uit zou zijn met het minderwaardige product. En nu? Wat is er overgebleven van deze illusie?

Het spijt me voor Hans Borrebach, die een goed tekenaar is en waarschijnlijk een goed geïnspireerd fotograaf, maar die toch zeker in de eerste plaats een naam hoog te houden heeft en waarvan we toch verantwoordelijkheidsbesef mogen verwachten, waar hij zoveel jongens- en meisjesboeken onder de ogen kreeg. Ook voor hem is het oorlog geweest. Bracht dat alles zo weinig verdieping? Het boek is in Antwerpen uitgekomen. Durfde geen Hollandse uitgever het aan of paste het beter bij de luchtiger mentaliteit van onze Zuiderburen?

Toch geloof ik dat ook daar wel een andere mentaliteit heerst, naast de luchtige. Maar ik zou alle ouders willen toeroepen: „Als U dit boek in huis krijgt, lees het met Uw oudere kinderen en samen zult U zien, hoe het niet moet!

Laten wij als ouders vechten tegen zulke lectuur, het signaleren en alarm slaan! Dit zijn we aan de opgroeiende jeugd verplicht! GR. VOLLEWENS—ZEYLEMAKER

ik nog klein was, heeft mijn moeder me eens in een donkere kelder opgesloten en ik wist, dat er ratten en muizen inzaten. Ik ben na die tijd altijd bang geweest.” En ik dacht: „Arm kind, hoe kunnen we je helpen.”

Zo zijn er op zo’n dag vele belevenissen, ’t Is druk, erg druk, maar de tijd vliegt om. Als we om zes uur, nu zonder bezoek, aan tafel zitten, heeft iedereen ’t over de gezellige dag, maar ook is iedereen een beetje moe. Er wordt niet veel gegeten: er is stellig wat veel gesnoept.” C. H. D.

Naschrift. Naar aanleiding van ’t Vonkje over Jopie Oranje, het Jordanertje, dat zo graag een cursus mee wou maken, schreven enkele lezeressen, dat ze Jopie graag in de gelegenheid wilden stellen dit najaar naar de Vonk te gaan. Er is voor nodig 10 X (9 + ƒ4) = ƒ 130. Er is reeds ƒ 37 toegezegd. Wie heeft er ook wat voor over? Ons gironummer is 102303 t.n.v. de Veren. Buitenbedrijf de Vonk te Noordwijkerhout.