is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 26, 01-04-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achesons wensen ...

en zijn kamen

Het is nog te vroeg om van een nieuwe koers in Amerika’s buitenlands beleid te spreken. De recente redevoeringen van de chef van het Department of State, Dean Acheson, zijn niet zo veelzeggend. Eigenlijk betekenen zij slechts de officiële steun aan de koude oorlog; koude diplomatie noemde Acheson het. Duidelijk is nu een einde gekomen aan de zgn. vriendschappelijke periode. Niet meer wordt verdoezeld, dat het in de ogen van Acheson op het ogenblik gaat om de macht; om de wereldhegemonie van Amerika, die hij door Rusland bedreigd ziet. De voorwaarden, die hij stelde voor een nieuw gesprek met Moscou, zouden, indien zij werden aanvaard, de officiële Russische erkenning van die Amerikaanse hegemonie inhouden. Dean Acheson heeft met het noemen er van dan ook eerder willen aantonen, dat zo’n gesprek op dit moment onmogelijk is. Deze voorwaarden zijn voor de Sowjet-Unie onaanvaardbaar; dat wist hij ook zonder het er op volgende Russische commentaar. Evengoed onaanvaardbaar als de Russische voor hem zijn.

Nu wil dit geenszins zeggen, dat Acheson zijn keuze heeft bepaald op de verni«tiging van de Sowjet-macht. Zijn verklaring, dat Oost en West in vrede naast elkander kunnen leven, is eerlijk gemeend. Zij is al even reëel als de herhaalde Russische verklaringen van gelijke strekking. Acheson stelt alleen vast, dat deze samenleving, door aard en gedrag van de Sowjet-Unie, niet meer in normaal overleg kan worden geregeld, maar dat het er hierbij op aan komt, om door het ontwikkelen van macht de sterkste stem te hebben. Argumenten van redelijkheid en menslievendheid hebben in het geschil Oost-West hun kracht verloren. Het argument van de sterkste te zijn, is van grotere betekenis geworden. Met te verklaren, dat Amerika zoveel mogelijk macht overal in de wereld moet ontwikkelen, gaf Acheson meteen toe, dat de machtspositie van zijn land op het ogenblik niet zo onaantastbaar is, als men wel zou willen. Hij hoopt in de nu komende jaren de schade te herstellen, opdat het opdringen van de communistische invloed met meer succes kan worden tegengegaan. Acheson is niet zo naïef als verschillende van zijn landgenoten om als daarop volgende stap de vernietiging van het communisme te stellen. Hij begrijpt, dat dit niet met machtsmiddelen bereikt kan worden. Hij hoopt dus alleen de bedreiging van het communisme de baas te worden, door indrukwekkende machtsontwikkeling. Inderdaad is dus met deze openlijke uitspraak een nieuwe phase in de Amerikaanse politiek begonnen. Een nieuwe phase, nog geen nieuwe politiek zelf. Ook voor Acheson begint de strijd nu pas goed, een strijd die vooralsnog in het binnenland moet worden uitgevochten, en waarvan het doel is om de politiek, die Acheson blijkens verschillende uitlatingen voor ogen zweeft, maar die hij in verband met binnenlandse tegenstanders nog niet kan uitvoeren, te doen accepteren. Het zal geheel van de nu komende reacties in het binnenland moeten afhangen, of Acheson kan doorzetten; van de waardering die hij ten slotte bij zijn vele republikeinse tegenstanders kan wekken, van de positie der democraten bij de in dit najaar komende verkiezingen voor een derde deel van de Senaat en van het Huis van Afgevaardig-

den, van de steun die hij als weinig geliefd partij-man bij de Democraten kan verwerven.

Veel is hiervan nog niet te zeggen, wel veel valt hierbij te hopen. Acheson wil zijn straffe buitenlandse politiek niet laten ontaarden in een wilde communistenjacht. Hij ziet het absurde van een der gelijke onderneming in de internationale samenleving in, en hij weigert ten enenmale zich in een dergelijke richting te laten duwen door de zuiveringsexcessen, die hand over hand in de Verenigde Staten toenemen. Mede met het oog hierop zal hij duidelijk van zijn blijvende vriendschap hebben blijk gegeven voor de ongelukkige Alger Hiss, die nu al tijdenlang van proces naar proces gesleept wordt om op de meest bedenkelijke wijze te bewijzen, dat hij spionnage ten behoeve van de Russen heeft verricht. Het spreekt vanzelf, dat hij nu ook het mikpunt wordt van de dwaaste laster, door domme, maar gevaarlijke politici op zeer onverantwoordelijke wijze rondgestrooid. Acheson is de hoofdpersoon geworden in de strijd tegen het lafhartige gekonkel, dat het Amerikaanse leven meer en meer besmet.

Hij heeft niet alleen te strijden voor de geleidelijke aanvaarding van zijn denkdenkbeelden, waaruit vastberadenheid zowel als redelijkheid spreekt. Hij moet tegelijk trachten de positieve resultaten van de afgelopen jaren als Marshall-plan en Atlantische samenwerking te redden voor de vele arglistige senatoren en afgevaardigden, die langs de weg van belastingverlaging hun zetel willen behouden. Voorwaar geen peuleschilletje voor een eenzaam man als Amerika’s minister van Buitenlandse Zaken.

Fatsoenlijker lieden dan de gesignaleerde vuilspuiters richten zich ook tegen Achesons streven om de Westerse wereld te mobiliseren tot een krachtsontwikkeling naar binnen en naar buiten. Zelfs de zeer deskundige journalist Walter Lippmann richt zich in grote felheid tegen hem. Lippmann blijft in de New York Herald Tribune een lans breken voor het vormen van neutrale zones. Stellig is hij daarbij beïnvloed door de minder gelukkige schrijverij in Frankrijk en Duitsland (men denke ook aan directe uitlatingen van premier Adenauer, en aan de gelijkgestemde verklaringen van generaal de Gaulle), waarin twijfel wordt uitgesproken omtrent de doelmatigheid van de Amerikaanse steun aan West-Europa in het geval van een werkelijk conflict. Te recht stelt Acheson er tegenover, dat Amerika er in de eerste plaats op uit moet zijn om die oorlogskans zo klein mogelijk te houden. Dat kan niet door verdeling van het westen in een Amerikaanse kern en een groep neutralen. Men had kunnen weten, dat neutraliteit van een staat, op zich zelf tegenover een macht als de Russische al zwak, geen enkele kracht kan ontwikkelen, als het volk in denken en voelen niet neutraal kan zijn.

Men kent Achesons stellingen. Maar men tast nog in het duister omtrent de wijze, waarop hij de samenleving van Oost en West denkt, als zijn land zijn wereldhegemonie opnieuw bevestigd ziet. In het nummer van de vorige week oppert „De Groene”, dat Acheson met opzet hieromtrent in de mist blijft. Omdat hij, gezien de tegenkanting die hij nu al ondervindt, met geen mogelijkheid een revolutionnaire

wijziging in Amerika’s sociale en economische buitenlandse politiek er door kan krijgen. „De Groene” hult hiermee de door dit blad hooggeprezen Acheson in een waas van geheimzinnigheid, en suggereert als Achesons hoogste doel een herleving van de tijd, dat Roosevelt in gemoedelijk vertrouwen tegenover Churchill spreekt over het genoeglijke verjaarspartijtje, dat Uncle Joe (Stalin) hen in 1944 heeft bereid.

Wij geloven, dat hier de wens de vader van de gedachte is geweest. Een dergelijke verzoening is in strijd met de machtsontwikkeling, die Acheson blijkens zijn verklaringen op grond van de met de Sowjet-Unie opgedane ervaringen voorstaat. Dat hij zich „in de mist” houdt, zoals „De Groene” meent, is stellig juist, maar dat deze mist een poging tot verzoening van gelijken verbergt, lijkt ons dan ook een gewaagde veronderstelling. Zekerder is te verwachten, dat Acheson langs de weg van sociale en economische gelijkberechtiging de volken, waarop Amerika’s hernieuwde macht zou moeten steunen, gezond wil maken en krachtig genoeg om te voorkomen, dat zij in het „andere kamp” terecht komen. Dit is overigens al moeilijk genoeg te verteren voor het Amerikaanse publiek. H. VAN VEKN

Dit is het Congreslid J. PARNELL THOMAS, vorig jaar nog voorzitter van de Commissie voor on-Amerikaanse activiteit, en in die functie leider van de onsmakelijke „heksenjacht”.

Hij werd in December 1949 veroordeeld wegens financiële onregelmatigheden ten koste van de schatkist. Ook zij, die nu de leiding van de communistenjacht hebben, zijn niet bepaald de trots van de Amerikaanse samenleving. Een bedenkelijk gedoe