is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 28, 15-04-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

partijen. Hierbij is duidelijk van de gedachte uitgegaan, dat het nieuwe Oostenrijk geen voortzetting zonder meer is van de Eerste Republiek. Het is in dit opzicht bijv. illustratief, dat de nieuwe grondwet geen bondskanselier en ministers kent, maar een staatskanselier en staatssecretarissen.

Scharf laat de lezer niet lang in het duister omtrent het waarom van zijn artikel op dit ogenblik. Als het feit van de bezetting erkend wordt, en daarmee is vastgesteld, dat de Tweede Republiek de voortzetting is van de eerste, en geen nieuwe staat vertegenwoordigt, worden automatisch alle verbintenissen van die Eerste Republiek opnieuw van kracht. Met het oog hierop doen katholieke publicisten op het ogenblik alle mogelijke moeite om aan te tonen, dat Oostenrijk slechts bezet is geweest; dan geldt nl. ook het concordaat met Rome nog, en herkrijgt de katholieke Kerk in Oostenrijk tal van vroegere voorrechten. O.a. komt dan de financiering van het katholieke onderwijs ten laste van de Oostenrijkse staat, evenals van het godsdienstonderwijs op de openbare lagere en middelbare scholen (dat dan bovendien voor alle scholen verplicht wordt), en van de salarissen van de kerkelijke functionarissen. In het algemeen krijgt dan de katholieke Kerk, ook op legaal gebied, opnieuw een oppermachtige positie, die zeker niet in overeenstemming is met het getal der actieve volgelingen, en derhalve een groot gevaar inhoudt voor de toch al wankele vrede in het Oostenrijkse land.

De houding van de katholieke Kerk is over het algemeen weinig verzoenend. Vooral de bedenkelijk vriendelijke tegemoetkomendheid jegens de vele voormalige nazi’s, die langs de weg van het politieke katholicisme sinds 1945 al weer veel van hun vroegere invloed hebben gewonnen, heeft bij de socialisten veel kwaad bloed gezet. Het herstel van het ancien régime, dat op menig gebied aanwijsbaar is, is voornamelijk aan de bemoeiingen van de katholieke politici te danken.

De vraag of Oostenrijk bezet dan wel geamiexeerd was, is ook van belang voor Rusland. In de Russische zone van het land heeft de Sowjet-Unie de bezettingspraktijk toegepast, die ook alle volksdemocratieën ten deel gevallen is. Na eerste vóórheffingen op de herstelbetalingen direct na de „bevrijdlng”, bestaande o.a. uit het wegvoeren van de voorraden levensmiddelen, die de Duitsers ten koste van ’s lands economie hadden verzameld, zijn de Russen tot een zeer vérgaande demontage overgegaan. Overeenstemming met de andere bezettingsmogendheden bestaat hierover geenszins. De vérgaande Russische eisen kunnen in genen dele de goedkeuring van de Verenigde Staten, Frankrijk en Engeland wegdragen. De Russen voeren aan, dat zij in elk geval geen onrechtmatige daden hebben gepleegd met hun vorderingen, aangezien zij Oostenrijk als een nieuw land beschouwen en menen dat het land met een aandeel in de oorlogsschuld moet betalen voor het feit, dat het jarenlang „Reichsgau im Verbande des Dritten Reiches” geweest is.

Het is zeer wel mogelijk, dat de katholieken, in verband met de controverse met de Sowjet-Unie, hopen steun voor hun bezettingstheorie te vinden bij de westelijke bezetters. Daarbij moge rekening gehouden worden met de intensieve steun, die het land van de Verenigde Staten ontvangt. Eigenlijk is daarvan de gehele economie afhankelijk. Zonder de binding aan de dollar zou de Oostenrijkse munt al lang volkomen zijn waarde verloren hebben.

De zwakke economie is sinds de ineenstorting van het keizerrijk de vaste begeleidster geweest geweest van het politieke onheil, dat het kleine land met het Weense waterhoofd jaar in jaar uit getroffen heeft. Het is de vraag of Oostenrijk levensvatbaar zou zijn als de druk van de Russische bezetting er niet was. Maar tot een vredesverdrag, dat paal en perk aan de Russische eisen stelt, zal het niet kunnen komen, voordat de tegenstelling Oost—West is verzwakt. Zo hangt het lot van dit frontgebied ten nauwste samen met de politieke wereldontwikkeling.

Het deniocratisch-socialisme in de Tweede Republiek heeft sterk de invloed van het na-oorlogse westen ondergaan. Hoewel vaak beperkt door de kleine houding van de tegenpartij, met name de katholieken als belangrijkste groep, en belast met de pijnlijke herinnering aan de dagen van Dolfuss en Schussnigg, geeft de partij aldaar in zijn uitingen vaak blijk van een ruime blik. Deze ruimheid verklaart de immer nieuwe pogingen van socialistische zijde om tot meer overeenstemming met de katholieke partij te komen enerzijds, en anderzijds de goede mogelijkheid, die de sociaal-democraten willen geven voor een „doorbraakproces”. Men begrijpt, dat dit geenszins eenvoudig is. Toch geven zo nu en dan katholieken in de socialistische pers blijk van een geneigdheid tot verzoening. Evenwel meestal in niet ondertekende artikelen. De discipline van het katholicisme kennende, hebben deze ogenschijnlijk weinig betekenende geschriften toch meer betekenis dan een gebaar van een anonieme enkeling. Het is stellig waar, dat men er een voorzichtig terrein verkennen uit kan concluderen van het progressieve katholicisme in ’t algemeen.

Dit behoeft ook geenszins te verwonderen. Samenwerking op waarlijk vredelievende basis tussen progressieve katholieken en de „oude” socialisten is de enige mogelijkheid voor het Oostenrijkse volk om de

nodige kracht te ontwikkelen voor de strijd tegen het fascistische en het communistische gevaar. De geschiedenis heeft geleerd, hoe zeer wanhoopsbewegingen, die naar extreme dictatuur leiden, kunnen wortelschieten. Het zaad hiervoor is in de zwakke Oostenrijkse economie volop aanwezig; het klimaat is door de Anschlusstijd, die nog overal merkbaar is, bevorderend voor een snelle groei. De levensomstandigheden, ook in de westelijke zones, zijn bevorderlijk voor het ontstaan van de angst, waarmee prof. A. M. Schlesinger van de Harvarduniverslteit in zijn nieuwe werk „The Vital Centre” zich o.m. bezighoudt. Het grote gevaar is aanwezig, als de samenleving vrij is, maar de mensen angst voor die vrijheid hebben, ten gevolge van de bestaansonzekerheid. Dan worde de aloude kuddegeest over het volk vaardig, waardoor het zijn lot in handen legt van een sterke man; in werkelijkheid van de onpersoonlijke staatsalmacht, met zijn „leider” (de manager, technocraat en politiedespoot) als romantische held; van de man, die wij hebben leren kennen in Koestlers commissaris en in de Gestapofunctionaris; „de man zonder angst, het mensentype, dat zijn binding met het onbewuste met de angst volkomen heeft afgesneden”, zoals professor Schlesinger schrijft.

Zal het in dit geval Oostenrijkse katholicisme dit gevaar tijdig onderkennen en voldoende vrezen, om de uitgestoken hand van de socialisten te grijpen? Zal de toenadering, niet slechts met de daad, maar veel meer nog in de geest, tot stand komen, voordat de angst , zoals ten tijde van de Anschluss, te veel Oostenrijkers opnieuw tot slachtoffer heeft gemaakt? Oostenrijk heeft hierin niet alleen te beslissen. In Wenen ontmoeten de krachten der wereld elkander. Maar het Oostenrijkse volk kan zeer veel tot de uitslag van die worsteling bijdragen. Juist het Oostenrijkse, dat op de barricade staat! H. VAN VEEN

Het vluchtelingenvraagstuk

De belangrijkste aspecten van een probleem, ■X dat de Duitse politiek beheerst

De vergaderingen gedurende de verkiezingen voor de Westduitse Bondsdag, de politieke ontwikkeling van de laatste zes maanden, de redevoeringen in het Westduitse Bondsparlement en de toenemende verscherping van de toon in de pers (zowel van de oppositiepartijen als ook in de speciale vluchtelingencouranten) hebben aanaangetoond, welk een groot gevaar voor radicalisering de grote massa der oorlogsslachtoffers, en meer in het bijzonder de vluchtelingen, vormen. De psychische kwetsbaarheid van deze mensen, die door de onteigening van hun bezit, door de vlucht, het leven in de kampen en de vernederende maatschappelijke omstandigheden uit hun evenwicht zijn geraakt en

die geen eigendom, geen werk en geen hoop meer hebben, geeft aanleiding tot conflicten, die een ernstig gevaar zijn voor de sociale vrede in West-Duitsland. Het vluchtelingenvraagstuk is daarom het centrale probleem van de Duitse Bondsrepubliek; niet alleen het maatschappelijke leven, de economie, de financiën, alle gebieden van de samenleving worden er door beheerst, zowel naar binnen als naar buiten.

Voor hen, die het probleem slechts uit de verte kunnen beschouwen, is het moeilijk zich een denkbeeld te vormen van de grote omvang er van. Er bestaat in de wereldgeschiedenis geen voorbeeld van een dergelijk vraagstuk, dat een zo grote massa