is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 30, 29-04-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPANJE EN HET WESTEN

Een ogenblik leek Franco’s positie in gevaar te konten. Dat was, toen de Verenigde Naties maatregelen tegen ’s lands regering beraamden. Het resultaat hiervan werd echter een magere diplomatieke en economische boycot, die in de praktijk van slechts geringe invloed op Franco’s positie bleek te zijn. Het doel er van, nl. Franco’s positie in het binnenland zozeer te verzwakken, dat hij tot terugtreding zou worden gedwongen, werd in geen enkel opzicht bereikt; niet het minst door de vele ruime mazen, die dit politieke net openliet. Het enige land dat een oprechte poging deed. Frankrijk, zag zich ten gevolge van de resolute sluiting van de grens aan de Pyreneeën van de handel met Spanje beroofd, terwijl Engelse kooplieden gaarne bereid de opengevallen plaats weer in te nemen met de buit gingen strijken. Het behoeft dan ook niet te verbazen, dat Frankrijk op het ogenblik alle moeite doet om de geleden schade te herstellen.

Men vraagt zich af, of hier en daar van de genoemde sancties werkelijk een ineenstorting van Franco’s regime verwacht is. Er zijn in de geschiedenis enkele voorbeelden van sancties, waaruit geconcludeerd dient te worden, dat dergelijke maatregelen slechts effect kunnen hebbjen, wanneer het te treffen regime er al zwak voorstaat. Met Franco lijkt ons dat geenszins het geval. Het merendeel van het Spaanse volk leeft aan de rand van de hongersnood. Verzwakt deze elljende het regime? Franco zal beweren, dat het volk zijn ellende aan het buitenland te danken heeft.

In geen enkel opzicht te recht, maar de ontwikkelde Spaanse massa (42 procent analfabeten) zal het bedrog moeilijk kunnen weerleggen. En als er een opstandige beweging ontstaat, wel, dan is er nog het goed verzorgde en goed gevoede leger van circa één millioen man (op een bevolking van 27 millioen). Franco kan voorlopig slechts bedreigd worden door zijn bentgenoten, maar een ingewikkeld systeem van belasting (en officieel gewettigde ontduiking), van corruptie (die openlijk wordt toegestaan, zolang het om vrienden gaat van de regering), van lucratieve ambten (de beloning voor trouw aan de Caudillo), heeft het tot nog toe bestaan om de schapen bijeen te houden. Enige aanwijzing voor spanningen ligt in de officieuze steun, die enkele kerkelijke autoriteiten aan de candidaat der monarchisten. Don Juan, hebben gegeven. Maar na jarenlang schermen met het herstel van de monarchie, lijkt nu de oude, bestaande toestand weer bevestigd te zijn: Franco blijft, onaangetast in zijn positie.

Ontstellende ellende is het deel van de Spaanse arbeiders en boeren. Bij zijn greep naar de macht had Franco de steun van conservatieven, grootgrondbezitters, het grootkapitaal, de kerk (en met deze laatste van aanzienlijke eenvoudige middengroepen en boeren). Zijn beweging richtte zich tegen de arbeidersgroepen vooral, die na hun verkiezingszege in Februari 1936, de regering-Azana machtigden tot landhervorming en onteigening en andere sociale hervormingen. De helft van de bodem was in handen van grootgrondbezitters en van de kerk. Hierop was de oude macht gevestigd. Franco’s staatsgreep bracht het herstel van deze toestand. De parasietjen konden hun bezigheid voortzetten.

De gemiddelde arbeider verdient op het ogenblik, in guldens omgerekend, circa ƒ 2,— k f 3,— per dag. Dit is niet voldoende om er de allernoodzakelijkste levensmiddelen voor het gezin van te kopen. Het betekent, dat de gehele familie van jongsaf aan moet meewerken. Als er werk te vinden is, want werkloosheid op grote schaal is sinds jaren een vertrouwd verschijnsel. Als kinderen meewerken is schoolbezoek niet mogelijk. Het getal der analfabeten zal met de nieuwe generatie dan ook niet veel afnemen. Een dom volk is minder goed in staat tot verzet dan een meer ontwikkeld; kerk en staat in Spanje weten dit en handelen er naar. Op papier bestaan er voor de arbeiders ruime sociale voorzieningen. De werkgever betaalt gemiddeld een bedrag van 110 procent van het uitbetaalde loon aan belastingen. Dit geld dient ter instandhouding van ambtenarij, leger en kerk, ter versteviging dus van de positie van de parasiterenden op de arbeidersbevolking. De arbeiders krijgen niets .

De gezondheids- en woningtoestanden zijn allererbarmelijkst. Men kan geen water drinken zonder groot risico te lopen ziek te worden. De kwaliteit van het goedkope voedsel is slecht, de rantsoenen zijn uiterst laag (100 tot 150 gram zwart brood per dag). De mensen leven in stinkende krottenbuurten.

Maar op de zeer openlijke zwarte markt is van alles in ruime mate (en voor de zeer ruime beurs) te krijgen. En de steden staan vol nieuwe, imposante gebouwen (bestuursgebouwen, kazernes, kloosters, kerken), en er zijn prachtige flats te huur in de steden (huurprijs gemiddeld ƒ 2000 t ƒ 3000 per jaar). De economie van het land is uiterst zwak, maar het moet al heel erg zijn als een anderhalf of twee millioen Spanjaarden geen goed, leven kunnen hebben. Zolang Franco kans ziet om uit de failliete boedel van zijn land nog genoeg te halen om zijn vrienden en medeplichtigen een ruim en gemakkelijk bestaan te geven, is zijn dictatuur betrekkelijk veilig.

Franco heeft dan ook geen onmiddellijk belang bij een herstel van ’s lands economische leven, als dit herstel beoogt de levensomstandigheden van de grote massa van het volk te verbeteren. De leningen en graanzendingen uit Argentinië, zelfs de liefdadigheidsgiften van Evita Péron voor de Spaanse bevolking, hebben slechts gediend om de welvaart der welvarenden nog wat te vergroten.

Marshall-hulp zal op dezelfde wijze gebruikt worden. Controle op het gebruik er van zal Franco vermoedelijk van die hulp doen afzien. Inmenging van buiten is immers gevaarlijk voor zijn systeem.

Dit moge bedacht worden, nu er steeds meer neiging bestaat om Spanje in de Westelijke bond op te nemen. Het grote argument hiervoor is de sterke strategische positie, die het Iberische schiereiland in de westelijke verdediging inneemt. Maar deze strategische waarde mag niet worden overschat. In de vorige oorlog is Spanje neutraal gebleven. Dit wil enerzijds zeggen, dat de waarde van Spanje als neutraal gebied door beide partijen werd erkend; anderzijds, dat Franco zelfs inmenging van zijn soortgenoten (nazi’s en Italiaanse fascisten) heeft afgewezen om eigen zelfstandigheid te behouden. Door neutraal te zijn, was zijn overwinning verzekerd. Moet men dan nu veronderstellen, dat Franco thans de prijs van zijn zelfstandigheid wel wil betalen?

En als Franco dan toch bases wil afstaan en andere militaire concessies doen? Dan nog biedt hij geringe zekerheid. Zijn regime vertegenwoordigt het Spaanse volk niet. Als er zich reële kansen voordoen, zal dat volk zich van hem weten te bevrijden. Bijv. tijdens een volgende oorlog. Zal dat volk steun zoeken bij de westerse democratieën, als deze met Franco zoete broodjes bakken? Het komt ons voor, dat de linkse Spanjaarden dan te slechte ervaring hebben opgedaan met dat westpn. Neen, zelfs als Spanje werkelijk belangrijk is voor het westen, mag de prijs van appeasement met Franco niet betaald worden. Dan dreigt het communistische gevaar zeker in dit land. Een oplossing van het vraagstuk ligt alleen in een krachtdadig ter zijde stellen van Franco’s clique, en een grondige wijziging in de bezitsverhoudingen, waarbij ook de kerk niet mag worden ontzien. Maar wie gelooft nog, dat het westen daartoe overgaat? H. VAN VEEN

ben voor de rijproef. „Geeft niets”, is het antwoord, „rijden maar!” Uit angst weer werkloos te worden, ga ik rijden. Werd.bekeurd wegens rijden zonder rijbewijs, doch blijf doorrijden. „Ik kon toch niet anders!” roept hij wanhopig uit. „Wat verdien je?” „’k Ben ontslagen.” „Vanwege dit ongeval?” „Dat interesseerde hen niet veel. Doch ik had voor ƒ 400,— manufacturen bij me, die zijn bedorven. Dit bedrag moet ik betalen. Verder vragen ze nog meer geld van me en bovendien hebben ze me ontslagen zonder toestemming van ’t Arbeidsbureau. ’k Moet nu tegen hen gaan procederen. ’k Ben de auto kwijt, die is niets meer waard, geen baan, schuld. Weet, dat ik bijna de dood van mijn reisgenoot op m’n geweten heb. Dat is alles.”

Daarna is het woord aan het Openbaar Ministerie: „Het is geen aangename taak hier een straf te moeten eisen. Boete is niet verantwoord.” Ten slotte wordt het voorwaardelijke hechtenis met proeftijd van één jaar. De uitspraak luidt conform met een duidelijke verwijzing naar de sociale achtergrond van dit geval.

We kennen de leuzen: „Werkloosheid is in de hoogconjunctuur geen ernstig probleem.” „Klassenstrijd is verouderd.” „Personalistisch socialisme richt zich niet eenzijdig tegen het kapitalisme.” Ach ja, het is toch allemaal zo mooi, dit huidige socialisme! Doch ook voor de kleine man, anno 1950, die leeft in de schaduw van een onbarmhartig productiesysteem? J. C. VAN HAEREN