is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 33, 20-05-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het offer

’t Gaat maar door:

Nauwelijks is Pasen achter de rug, of Pinksteren komt in het vizier. Voor Pasen werd ons duidelijk gemaakt dat de Hervormde Kerk geen gave, maar een offer vroeg. De Paascollecte. En nu bereiden wij ons voor op de Pinkstercollecte van de Zending. Geen dubbeltjes alstublieft en eigenlijk ook geen guldens. Zo schrijden wij het kerkelijk jaar door. Van collecte tot collecte. Ook het burgerlijk leven heeft zijn hoogtijdagen. Bevrijding wil zeggen: één uur loon voor Stichting ’4O-’45. Zij gaven hun leven, gij een uur. Nauwelijks hebben wij dat gepresteerd, of de om hulp schreeuwende hand van de reclassering houdt u een bus voor.

Als u naar de film gaat kijken, loopt u kans om in de bioscoop geseculariseerde kerk, waar niet het Woord, maar het Beeld heerst tijdens het tussenspel van de zwartgerokte artiest op het bioscooporgel een rammelende bus voor uw neus te krijgen. Biovacantie-oord.

En steeds valt daarbij het woord offer. Ik verzet mij daar tegen. Of wij geven heeft weinig met offer maar alles met verantwoordelijkheidsbesef te maken. En verantwoordelijkheidsbesef wordt daar gewekt, waar men zich verbonden weet tot dienst.

Offeren, in zijn oerbetekenis, is: het verzoenen van een toornende godheid. In de ruimte van het christelijk geloof, dat weet van een herstelde, nieuwe verhouding tussen God en mens, geven wij dierbare dingen niet als antieke offers, maar uit dankbaarheid, uit vreugde, uit besef van verbondenheid, uit dienstbaarheid. Maar daarmee houden wij geen kwade góden te vriend. Dat doet hoogstens de burgerman, die zuchtend zijn hoge belastingen betaalt om (denkt hij) zich het communisme van het lijf te houden. Nu kè,n men natuurlijk wel van offeren

spreken, wanneer men de bedoeling heeft iets groots, iets dierbaars te vragen. Maar dan is dat woord toch eigenlijk ontledigd. Dat is géén offer in de eigenlijke zin. Wie bijv. spreekt van het offer van zijn leven voor het vaderland, gebruikt een heidense, geestelijk gevaarlijke terminologie.

Intussen: de oproepen blijven klinken, er wordt geld gevraagd. En geld moet er komen. Hoe kunnen wij dat leren vragen en leren geven zonder in heidens woordgebruik te vervallen?

Letten wij er eerst op, hoe men geeft. En hoe elke kring zijn eigen wijze van geven heeft.

Het is onmiskenbaar, dat in gereformeerde kringen de goedgeefsheid het sterkst is. Omdat de gereformeerden zulke bovenstebeste prima mensen zijn? Neen. Maar omdat daar het besef van gemeenschap, van verantwoordelijkheid voor het groepsgeheel en van de afhankelijkheid van Gods goedheid het sterkst is.

Voorzover men van de buitenkant af kan waarnemen geeft de r.k. op een andere wijze. Het is, of de leer der goede werken hier bepalend is. Voor goede werken krijgt men iets. Een beloning. Wil de r.k. tot geven bewogen worden, dan zal een beloning hem in het vooruitzicht moeten worden gesteld. Zoveel dagen aflaat, bijvoorbeeld. Dat wil praktisch zeggen: een rustig gemoed.

In socialistische kringen zal vooral gegeven worden, wanneer er punten van strijd aan de orde zijn. Stakingsbewegingen wekten wonderen, verkiezingsfondsen doen nooit vergeefs een beroep. Maar de dr Wiardi Beckman-Stichting spreekt minder tot de verbeelding. Over het algemeen zal de socialistische beweging moeilijker dan gereformeerde instanties aan geld komen, omdat dë traditie sterk is om voor levensrechten op te komen: noodzakelijke behoeften moeten eerst bevredigd worden en dan, als er wat overschiet... Maar er schiet nooit zo heel veel over.

Bij de vrijzinnig-protestanten is het element strijd zwak en de verbondenheid aan de groep niet overmatig geaccentueerd. Daar kan men dan ook niet al te zeer een beroep op doen. Hier zal men het moeten hebben van een levend besef van verantwoordelijkheid voor een zedelijk doel. Niet de beloning, niet de strijd en niet het clan-

gevoel, maar de zedelijke instelling, het normbesef moeten bij de vrijzinnigprotestant aangesproken worden. Dan geeft hij. In zekere zin zullen zich dezelfde motieven tot geven voordoen bij enkelingen, die óók in de groepen gevonden worden. Een enkeling is nooit gelijk aan zijn groep. Bovendien zal men bij de enkeling meer moeten letten op de structuur van zijn persoonlijkheid. Men heeft krenterige en gulle mensen. De krenterige mens zal beklemd zijn, een overmaat van veiligheden zoeken in zijn angstig leven. De gulle heeft er plezier in een ander te zien lachen, maar het kan ook geldingsdrift zijn, die hem tot royaliteit brengt.

Men heeft mensen, die graag aan zaken, instellingen geven en anderen, die vooral zwichten voor de nood van een enkeling. Bij de eerste komt een zekere verlegenheid naar voren en een besef van de betekenis van sociale verbanden, de tweede is impulsiever, meer geneigd tot persoonlijke relatie. Er zijn mensen, die alleen geven in angst, anderen tegen beloning. Dankbaarheid kan een rol spelen, maar dat is toch minder vaak het geval.

Schier eindeloos gevarieerd zijn de motieven, die mensen tot geven dringen. Handige reclame-deskundigen kennen ze precies. Het feit, dat men tegenwoordig veel met verkapte loterijen werkt en met grove leuzen, is er een bewijs voor, dat zij de motieven niet van het allerhoogste peil achten.

Wie zich zelf kent en bovendien wel eens voor de noodzaak stond om geld te werven, weet, dat goedgeefsheid in onbaatzuchtige geestelijke en zedelijke verbondenheid een vrij zeldzaam verschijnsel is. Die weet, hoe het goede geven een zaak is van een vrije, geordende, evenwichtige persoonlijkheid. Het goede geven zonder drukte, zonder hovaardigheid, zonder kramp, maar met vreugde, is een zaak van opvoeding. Volksopvoeding. Geestelijke hygiëne.

Laten wij daar goed op letten. Anders lopen wij met permanente schuldgevoelens, dat wij niet méér gaven of met een kramp van afweer tegen al die aanslagen op onze beurs, d.w.z. op onze levensgemakken en onze veiligheid. Ook het goede geven vraagt scholing, rijping. Als wij maar nooit denken dat het offeren is. L. H. R.

SCHUMAN, LONDEN EN NEUTRALITEIT

Nog niet zo lang geleden kwam men tot de conclusie, dat de Duitse zware industrie niet aan die van andere landen gekoppeld kon worden. Een voorstel in deze zin van Karl Arnold, minister-president van Westfalen, werd nauwelijks een commentaar waardig geacht. Adenauer, de Westduitse bondskanselier, kreeg slechts een schouderophalen ten antwoord op zijn veel verder gaande suggestie, om te komen tot een Frans-Duitse economische unie.

Nu heeft de Franse minister Schuman het gewaagd. Dit is veel gezonder, want het bezette en in zijn daden sterk beperkte West-Duitsland is nu eenmaal niet het aangewezen land om het tempo aan te geven. Maar wordt de sfeer hierdoor veel zuiverder? Inderdaad, Frankrijk heeft niet als Duitsland met zijn beperkende Roerstatuut onmiddellijke winst bij een samen-

werking met de Westduitse zware industrie. En samenwerking met de Saarlandse industrie is al lang en breed verzekerd door de tussen beide landen aangegane tol-unie, die in de praktijk Frankrijk alles voor het zeggen geeft.

Maar men kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat Frankrijk in de eerste plaats dit „revolutionnaire” voorstel heeft gedaan, om de morele schade die het land bij de geldschieter Amerika heeft geleden, te herstellen. Frankrijk vooral heeft in de praktijk weinig goed gedaan met de Marshall-hulp. Het merendeel van de dollars is gebruikt om de gaten in de consumptierekening te stoppen. Daarenboven is elke poging tot de zozeer aangeprezen „liberalisatie van de handel” door Frankrijk gedwarsboomd. Frankrijk had een goede beurt bij zijn grote crediteur dan ook hard nodig.

Dit is één kant van de zaak, en gezien het moment waarop Schuman zijn voorstel wereldkundig maakte, wellicht de voornaamste. Er zijn meer vermoedelijke redenen, waarom Frankrijk dit opzienbarende woordenspel heeft bedreven. Onmiskenbaar deelt de burgerlijke middengroep op het ogenblik in Frankrijk de lakens uit. Het is dezelfde middengroep, die op 20 Gctober 1938 het vergelijk van München met Hitler steunde. De Franse regering is zeker niet de zuivere vertegenwoordiging hiervan. maar weet zich wel in ruime mate er van afhankelijk. Uit dit milieu nu komt met grote hardnekkigheid een pleidooi voor een nieuwe neutraliteitspolitiek. Men redeneert als volgt: „Frankrijk (en het gehele vasteland van West-Europa) kan alleen maar verliezer zijn in een volgende oorlog, Hoe de uitslag ook is, vast staat, dat West-Europa onder de voet zal worden gelopen.