is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 33, 20-05-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sacramentsbediening en catachese gemeentevormend kan werken. Gemeente is wat anders dan een vriendenkring. Een gemeente die de aangename christelijke toespraak verkiest boven de geestelijke inspanning, welke de bijbel centraal stelt, gaat ten onder en vermoordt op den duur geestelijk de prediker.

In deze landen leerde ik met eerbied denken aan onze predikanten in Noord-Holland en hun heldhaftige strijd in geestelijke eenzaamheid. In dorpjes en stadjes, waar men in geld, in bezit en in plezier denkt.

Onze diensten duren één uur. Dit Is geen bezwaar. Creutzberg zorgde er voor, dat in de Duinoordkerk de gehele liturgie en een bijbelse prediking in één uur waren afgelopen. Korte diensten zijn niet het bewijs van oppervlakkigheid. Maar niet wordt het gebrek aan ernst bij de voorbereiding der prediking gecamoufleerd door bezoekjes, die, naar lemand mij zelde, stimulerend werken tot financiële offers. En hij had ook nog gelijk. Dit euvel is dus „catholiek”. Immers over de christelijke wereld bekend. Een tweede oorzaak van de afwezigheid van gemeente-bewustzijn ook al zijn er In sommige parochies onzer stad kleine belangstellende kringen Is m.l. de sinds vele jaren te gemakkelijke toelating tot de Bevestiging en de daarmee verbonden toegang tot het Heilig Avondmaal. Een driemaandelijkse voorbereiding, eenmaal per week, was niet ongewoon. Ongeveer drie jaar geleden nam de kerkeraad hier ter stede, niet zonder strijd, het besluit, dat niemand dan na twee jaar onderwijs In het christelijk geloof aangenomen mocht worden. Alle predikanten steunden dit besluit. Toch leeft bij de mensen de gedachte, dat het In onze protestantse kerk „zo maar gaat”. Zo kwam dezer dagen een jonge vrouw van 20 jaar op mijn spreekuur. Zij had MULO-opleiding, maar godsdienstonderwijs had zij na haar 12de jaar' niet meer gehad. Zij wilde aangenomen worden. In het gesprek bleek, dat zij nooit naar de kerk ging. Zo langs mijn neus weg vroeg ik: „Wanneer zou je willen aangenomen worden?” „Met October”, zei zij prompt. Ik hielp haar terecht.

De kerkgang Is ook nog te veel het zoeken van de toespraak-spreker. Natuurlijk omdat het wezen van de eredienst niet verstaan wordt. Over opkomst is zeker niet te klagen in onze en andere parochies van Djakarta. Elke Zondag worden in de Pauluskerk drie Hollandse diensten gehouden. En een vierde in de Indonesische taal. Het vertrek van de militairen zal in de Willemskerk hoofdkerk van Djakarta wel één dienst doen vervallen. Wij geloven, dat bij alle verandering „de protestantse kerk” indien haar traditie en roeping getrouw In de huidige ontreddering en onzekerheid, In de panische vlucht en angst van vele Hollanders en Indo’s, juist nu een belangrijke taak heeft. Nu klinke allerwegen het woord der christelijke hoop. Ik geloof dat Velen hier de betekenis der protestantse kerk voor de toekomst van Indonesië en voor de christelijke kerk in deze landen nog moeten leren zien. Deze kerk is in Oost-Azië de enige tweetalige kerk, de enige kerk waar blank en zwart en halfdonker en geel de Heer gezamenlijk dienen. lets van Pinksteren is nog over. Dit viel mij op toen ik op Palmzondag de verschillende nationaliteiten zag onder mijn twintigtal nieuwe lidmaten.

Er zijn stromingen, die van de protestantse kerk een federatie van vluchtelingengemeenten willen maken als bijv. de Hollandse kerk In Londen. Dit Is Inderdaad een manier. In enkele hoofdplaatsen Hol-

landse kerken. De andere mensen moeten dan maar hun heil zoeken In bangsakerken (Soendanese, Javaanse e.a. kerken). Maar zo Is de protestantse kerk ontrouw aan haar roeping In een Islamletlsche wereld, waar Rome, uitnemend geleld, rustig voortwerkt, waar kringen en secten de oude vijand, die de protestantse kerk als bevoorrechte in hun ogen nog is, bekampen.

Wij denken dikwijls aan het onhollandse woord: breek geen oude kerk af om een nieuwe te bouwen. Op kerkelijk erf zijn wij Hollanders meer befaamde revolutie-kerkbouwers.

Het gevaar dreigt, ja Is er, dat de leiders der kerk een te grote plaats aan de zorg voor het geld geven. Het geld mag uiteindelijk niet bepalen: „deze predikanten mogen niet terugkeren na hun verlof” hoe uitstekend ook, of deze moeten afvloeien, buiten het „gareel” „deze mogen niet opgeroepen worden, want er zal geen geld zijn”. Eerst moet het werk der kerk bepaald worden, zo goed en zakelijk mogelijk. Maar dan moet men geloven, dat het geld er komt. Dit is de weg der visie. Waar hulp nodig is, helpt God op het onverwachts. Hier in deze landen zijn nog lang niet alle bronnen aangeboord; De gereformeerden doen het anders en beter. Zij laten zeven nieuwe krachten uitkomen. Gaat de kerk te gronde door vervolging, zij sterve met ere. Echter niet regere de balans van de koopman ten dode, maar de bisschopsstaf ten leven.

De protestantse kerk wordt nl. synodaaleplscopaal geregeerd. Een synoderaad heeft de leiding. Daar kan veel goeds In zijn. Soms ook nodig, waar gemeenten ontbreken. Maar episcopalisme moet dienend en geme,entebouwend zijn anders is het niets

en misbruikt het de naam van het j,dlenend eplscopalisme”. De protestantse kerk moet in de omgeving, waar zij werken mag, een centrum zijn van moderne zending, evangelisatie en sociaal werk onder de ultgeworpenen als een getuigenis.

Ook werkers, werksters, die om Christus’ wil onder dit volk dienénd zouden willen arbeiden, zijn hier broodnodig. Hier in Djakarta bijv. zijn in het kampongwerk twee jonge artsen nodig, voorts een echtpaar, dat een groot buitenhuis kan helpen openen en leiden en een jonge vrouw om het kampongwerk te dirigeren.

Zouden er zijn die voor twee jaar zich willen geven? Want dan hopen wij gevonden te hebben de Indonesiërs zelf, die het werk kunnen voortzetten, onder het volk en in de kampong. Hier ligt een veld wit om te oogsten.

En verder; zou in deze kritieke maanden der protestantse kerk in westelijk Indonesië niet de hervormde kerk door een bijzondere inzameling willen helpen?

Er zijn mannen en vrouwen in de hervormde kringen, die behalve van vergaderen, ook van handelen verstand hebben. De leiding hier zegt: Nederland kan niet helpen. Wij menen ook: Nederland de kerk, de hervormde kerk zal de planting van de oude Moederkerk niet vergeten, niet mogen vergeten.

Dan kunnen jonge mensen, vooral sociaal voelende, theologisch wel onderlegde krachten, vrijmoedig opgeroepen worden om zich te geven aan de oude kerk veel beschimpt, ook wel verdiend beschimpt, maar toch kerk van Christus.

Aan dit alles dachten wij rondom één Mei 1950. „Cantate” 1950 G. W. OBERMAN Djakarta.

TER ZAKE

Op allerlei manieren kan men met weerloze doden sollen. Men kan ze, helaas, ook op het politieke strijdtoneel mobiliseren. In de N.R.C. verscheen een serie artikelen van „onze militaire medewerker” over de oorlogsdagen van Mei ’4O. Aan het eind van zijn relaas (12-V) trekt hij „enkele conclusies”. Daar Is niets op tegen, mits het uiterst voorzichtig geschiedt. De historie ,ls geen wiskunde, waarin men rechtlijnig uit de gegevens gevolgtrekkingen kan maken. De enlg-julste conclusie uit een geschiedenisrelaas Is die, welke het verloop der feiten zelf presenteert; als het goed is, maakt het verleden het heden doorzichtig. Wat wil men meer? Zgn. lessen der historie zijn meestal door vooroordeel Ingegeven en leren ons meer omtrent de geschiedenisleraar dan omtrent de geschiedenisstof. „Onze militaire medewerker” schrijft:

„ ... belangrijke les van 1940 is, dat verwaarlozing van de strijdmacht in vredestijd zich in oorlogstijd wreekt. En niet alleen In verliezen, doch ook financieel. Wat betekenen de sommen, die de voorstanders van „geen man en geen cent” tussen 1918 en 1938 op de defensie hebben weten te beknibbelen bij de oorlogsschade van vijf dagen (om van de schade gedurende de bezettingsjaren maar niet te spreken?)”

Ik zei het u reeds: men leert de geschiedenisleraar kennen. Maar overigens, hoe grievend en dom! Moeten de achtergebleven verwanten geloven, dat die voorstanders

van „geen man en geen cent” schuldig staan aan de dood hunner geliefden? Wanneer we meer tanks, meer kanonnen, meer vliegtuigen gehad hadden, zouden we dan de Duitsers uit ons land hebben gehouden? Misschien hadden we dan zeven dagen weerstand geboden. Zouden er dan minder slachtoffers gevallen zijn? En zouden dan de vijf jaar bezetting ons bespaard zijn gebleven? De vraag stellen is haar beantwoorden.

Men zou van een militair deskundige gaarne iets anders vernemen. Als hij nu eens op zijn eigen terrein was gebleven, en dus niet op de politiek was overgegaan, dan had hij ons kunnen uiteenzetten, waarom het militair beleid gedurende die oorlogsdagen zo geheel faalde. Om slechts één voorbeeld te noemen: de verwaarloosde verdediging der vliegvelden.

Een militair deskundige geve militaire geschiedenis. En pas wanneer hij afdoende verklaard heeft, waarom alles verliep zoals het verliep binnen het kader van zijn speciale deskundigheid, kan hij pogen zijn verhaal in het raam der algemene politieke geschiedenis te plaatsen. De partij van „geen man en geen cent” heeft haar oordeel herzien, maar ze hoeft zich voor haar verleden niet te schamen. Ik heb wel eens e,en man ontmoet, die van oordeel was, dat je zulke generaals maar geen kwartje moet geven. Ze wisten toch niet, hoe ze het verstandig moesten besteden. Die man was nog korzeliger dan KORZELIGE KES.