is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 35, 03-06-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HEILIGE JAAR

Te Rome verschijnt er om de veertien dagen een geïllustreerd tijdschrift, dat geheel gewijd is aan het Heilig Jaar. Voor een Protestant is het niet zo eenvoudig zich te realiseren, wat dit Heilig Jaar voor overtuigde Rooms Katholieken betekent. Kan hij eigenlijk wel begrijpen, wat hier gebeurt? De Carmeliet dr v. d. Wey heeft eerlijk uitgesproken, dat hij er zich niet over verwondert, dat niet-kathoiieken geen raad weten met „ons Heilig Jaar” en „onze Heilige Deur”.

Nu heeft de redactie van „Giublleo”, het bovengenoemd tijdschrift, aan een aantal vooraanstaande personen in Italië de vraag gesteld: „Wilt u voor onze lezers in honderd woorden uiteenzetten, welke terugslag het Heilig Jaar kan hebben op het leven der volken?”

De vraag is voor mijn besef al even onbegrijpelijk als het antwoord, dat enkelen gegeven hebben.

Maria Montessori zegt: „Wat zou er majesffiiföiiivqt' tronstvoller kunnen ziin voor ons dan St Heïg Jaar in len m waarin zij, die het lot van het menselijk geslacht in handen hebben, slechts de verschrikkingen weten aan te wijzen van atoombommen?”

Arnoldo Mondadori, de meest bekende Italiaanse uitgever, getuigt: ~Duurzamer en heel wat echter dan als gevolg van een politieke hegemonie geldt voor ons deze inwendige impuls tot een internationale uitwisseling van smaak en ideeën in het spoor van een morele pelgrimstocht”. Wij vonden deze antwoorden in De Linie, maar moeten eerlijk verklaren, dat wij de zin van deze getuigenissen niet verstaan, Wij verklaren dit waarlyk niet tot onze vreugde. Het is toch eigenlijk een trieste geschiedenis, dat mensen die samen in Jezus Christus geloven in de uitingen van

hun geloof zo mijlen ver van elkander staan.

De redactie van „Giublleo” heeft haar vraag ook gesteld aan Italië’s meest bekende communist, Palmiro Togliatti. Zijn antwoord wordt in handschrift in De Linie gereproduceerd. Het is het laatste van alle ingekomen antwoorden. Op het briefpapier van zijn partij schreef Togliatti met vaste hand: „De kwestie interesseert mij niet”, De Linie geeft geen commentaar op het antwoord van deze communist. Zij plaatst echter onder de reproductie van zijn antwoord de veelzeggende woorden: Geen interesse! Men voelt, dat zij dit antwoord beschouwt als een bewijs van de godloosheid van het communisme.

Het antwoord van de communist is voor ons intussen begrijpelijker dan de vraag van het Rooms Katholieke tijdschrift. Wat zou de terugslag van het Heilig Jaar op het leven der volken een communist in Italië kunnen interesseren, waar hij in zijn vaderland nog nooit heeft kunnen ontbekken, dat het geloof van de Roomse kerk enige gunstige terugslag op het sociale leven heeft gehad? Waar zijn de maatschappelijke toestanden achterlijker dan dit Roomse land? Een wezenlijke sociale wetgeving was er tot nog toe onbekend. In de schaduw van de Sint Pieter, met zijn Heilige Deur, die men in Rome als de nu geopende deur als een treffend symbool van het Heilig Jaar, als een genade-deur beschouwt, vonden de sociale encyclieken van de Pausen nauwelijks een begin van toepassing. Een en twintig procent van het Italiaanse volk is practisch analphabeet en de verdeling van de grond sluit nog altijd aan by de feodale opvattingen. Indien er in dit opzicht enige verbetering verwacht mag worden, dan alleen op grond van de angst voor het communisme en de revolu-

tie. In het Zuiden is een groot deel van de arbeiders tien maanden van het jaar werkloos. Kortom, het Roomse Italië snakt naar een sociale omwenteling, die men echter niet van Rooms Katholieke zijde kan verwachten. Maar intussen wordt het Heilig Jaar met veel pracht en praal gevierd en stelt de redactie van een geheel aan dit Heilig Jaar gewijd tijdschrift de vraag, wat wij verwachten van dit Heilig Jaar voor het leven der volken.

De kwestie interesseert mij niet, antwoordt de leider van het Italiaanse communisme. En, al zijn wij principiële tegenstanders van het communisme, wij geven de man gelijk.

Wanneer men ons de vraag gesteld zou hebben, zouden wij ons antwoord op een andere wijze geformuleerd hebben dan Togliatti, maar de inhoud van ons antwoord zou in wezen niet zoveel van die van zijn antwoord verschild hebben. Het zou alleen nog korter zijn geweest dan het zijne.

Wat wij van het Heilig Jaar voor het leven der volken verwachten? Niets!

Laat men vooral niet menen, dat uit dit antwoord ons anti-papisme zou blijken. Wij wilden voor een lief ding, dat wij konden antwoorden: Alles! Het is ons onmogelijk. Wij kunnen niet anders zeggen dan dat heel dit gebeuren van Heilig Jaar en Heilige Deur voor ons besef een verzakelijking en een verwereldlijking van het christelijke geloof en een onbijbelse localisering van Gods genade betekent.

Wij kunnen het ook zeggen met de woorden van de Rooms Katholieke Anton van Duinkerken, die overigens veel goeds van het Heilig Jaar weet te vertellen: „De wereld zou scherper de samenhang willen waarnemen tussen de geestelijke voordelen van zoveel pelgrimages en de huidige toestand van de menselijke samenleving. Zij zou het Heilig Jaar gemakkelijker au sérieux nemen, indien zij heilige daden van heilige mensen te zien kreeg.” J. J. BUSKES Jr.

De Partij een nieuw gelaat!

Gaat eens na, uit welke kringen men de „doorbraak-christenen” ontmoet! Gij zult tot een merkwaardige ontdekking komen, zeker, het is geen wet van Meden en Perzen. Maar wanneer men mensen uit de in- of uitwendige zending tegenkomt, dan hebt gij méér kans een aantal leden en sympathisanten van de P.v.d.A. te vinden dan bijv. in de classikale vergadering van Bommel.

Inwendige zending: zorg voor verwaarloosde jeugd; voor gevallen vrouwen; drankbestrijding; vrouwenorganisaties; sociale scholing; gezinsverzorging; evangelisatie; in zekere zin onderwijs. Uitwendige zending: hoe is een deel van het kerkvolk niet in opstand gekomen tegen Oegstgeest, omdat het rood zou zijn. Hoe heeft de Zending niet vooraan gestaan om de Kerk een betere houding tegenover Indonesië te leren!

Nogmaals: het is geen wet van Meden en Perzen. Ik annexeer deze gebieden van christelijke arbeid niet als proef polders voor het socialisme. Ik beweer alleen, dat klaarblijkelijk de mensen, die in dit werk terecht komen, die dus blijkbaar een innerlijke aanleg voor de benadering van de naaste-in-nood hadden, toegezogen wer-

den naar de democratisch-socialistische beweging. Dat is ook logisch.

Wie werkt onder de mensen en hun geval van alle kanten bekijkt, weet, dat men er niet komt met een preek. Men komt er met zorg, met dienst. Daar kèin een goed woord bij horen. Daar zal in ieder geval een grote aandacht voor dé omstandigheden bij horen. Mens èn situatie (wie kan ze los van elkaar maken?) moeten veranderd worden, wanneer men hulp wil bieden. Welnu: de moderne democratisch-socialistische beweging wil verandering van de situatie. Wil alle tendenzen naar herordening van het maatschappelijke leven steunen. Herordening in socialistische zin. Opdat de eenling niet meer overgelaten wordt aan het wilde spel van maatschappelijke krachten. De rampen daarvan zien juist de christenen, die op een of ander wijze deel hebben aan christelijk-sociaal werk. En daarom steunen zij vaak de democratisch-socialistische beweging.

Mijn zorg is nu, dat de democratischsocialistische beweging deze mensen niet voldoende kan binden en bovendien niet voldoende van hen leert. Niet voldoende binden. Want ziehier het

dilemma: enerzijds een beweging met een méér dan vijftigjarige historie; die grote scharen het gevoel van vertrouwdheid geeft, als ze de woorden van strijd, van hoop, van kracht horen. Die dit uitdrukken in allerlei organisaties. Organisaties, die een stuk macht symboliseren. Ik denk hierbij aan de meest luidruchtige van deze organisaties: de V.A.R.A. Anderzijds de nieuw-komers mét de christelijke sociale arbeid, die alles tegen een andere achtergrond zien. Officieel heeft de Partij van de Arbeid, waarvan de „doorbraak-christen” (wie verlost ons toch van dat ellendige woord?) lid is, niets te maken met al die vroegere nevenorganisaties der S.D.A.P. Desondanks prijst zijn partijvoorzitter de V.A.R.A. en roept de fractievoorzitter de democratische socialisten, düs ook hém op, om op Zondag 11 Juni in een autobus te stijgen en iets te demonstreren en een écht feest te genieten. Zegt hij: daar doe ik niet aan méé, dan varieert de reactie van vroegere S.D.A.P.-ers tussen een beleefd erkennen van ieders vrijheid tot een ietwat geprikkeld vragen of men toch wel helemaal écht socialist is. Dat kan hem eens, tweemaal, desnoods driemaal overkomen. Maar wanneer hij ten