is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 35, 03-06-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slotte geen begrip ontmoet voor de diepere motieven van zijn afwijzing, dan komt er iets van teleurstelling, van eenzaamheid. Want hij denkt: vroeger, voor de oorlog was het op de orthodoxe vleugel van de Hervormde Kerk zo, dat je niet per se christelijk historisch behoefde te zijn, maar je werd toch voor helemaal völ aangezien, als je ook daaraan meedeed. Is er dan zo weinig veranderd, juist nu ik naar een partij gegaan ben uit overwegingen dat ik die stille dwang niet meer wil.

Het is hier niet een zaak van klimaat-verschil. Het zit veel dieper. Het is afwijzing van de vermenging van geestelijk-culturele arbeid en machtsuitoefening. De radio is een macht, waartegen geen minister het waagt zich te verzetten. Het is de macht van het kunstmatig opgezweepte getal. Ik noem de radio als voorbeeld. Maar op elk geestelijk-cultureel gebied ligt hetzelfde gevaar op de loer. Daar huivert hij voor. Juist, omdat hij „doorbraak-christen” is. Bovendien: leert het democratisch-socialisme wel voldoende van hen?

Wat hen dreef tot deze beweging als sympathisant of als lid was het verlangen naar een nieuwe maatschappelijke ordening. Juist, omdat zij in de huidige de grote hinderpaal voor de waarlijk christelijk-sociale arbeid gezien hadden.

Wie aan kinderbescherming doet, wie de drank bestrijdt, wie zorg heeft voor de massa-jeugd, voor de asociale gezinnen; wie de klemtoon van het onderwijs ziet liggen bij de persoonlijkheidsvorming; wie is gaan huiveren voor het lot van de steeds talrijker wordende bejaarden die zal sociaal progressief zijn, ja, socialist worden. Die zal weten: waarachtige christelijke dienst aan de naaste vraagt nieuwe ordening. Christelijke barmhartigheid is meer dan vlakke filanthropie. Het is het zien van de mens in è.l zijn verhoudingen. Tot zijn gezin, tot zijn werk, tot God. In dit geheel is de vraag van de rol, die de

maatschappelijke situatie speelt wel belangrijk, maar niet de alles-overheersende. Met andere woorden: de politieke strevingen zijn hoogstens een onderdeel van het geheel der activiteiten, die hij als christen verricht. De politieke strevingen zullen daarom, voor wie op deze wijze tot de politiek komt, nooit een overheersende plaats innemen. Ook niet mogen innemen. Zou dè,t niet de bijzondere bijdrage van de „doorbraak-christen” kunnen zijn aan de Partij van de Arbeid, dat hij de politiek wel in ernst neemt, maar er nooit in öp gaat. En daarom een waarschuwing is, reeds door zijn aanwezigheid, om de politieke aandacht niet te overspannen; het leven niet te verpolitieken?

En moeten niet tevens ook zijn motieven tot het democratisch-socialisme de strijd méé bepalen? Dat wil zeggen: het politieke leven binnen de Partij zal zich ernstiger dan tot nu toe moeten bezighouden met de vraag, wat het betekent, dat mensen van déze houding in haar rijen verkeren. Mensen, die helemaal niet jagen naar de verwerkelijking van een „idee”: maar die bij het scheppen van nieuwe samenlevingsvormen steeds de mens-in-zijn-nood voor ogen hebben. Vraag ik hier teveel? Ik meen van niet.

Wanneer men van harte aanvaardt, dat de democratisch-socialistische doeleinden bij verschil van levensovertuiging in één politiek verband worden nagestreefd, dan legt dat grote verplichtingen op. Dan is men er niet mee, door te zeggen, dat alles zo mooi federatief is geregeld. Dan gaat het erom, dat ook het hele beeld van de politieke partij, in zijn rangschikking van doelstellingen, door de aandacht van elkanders motieven vernieuwd wordt. Wij staan bij deze ontwikkeling nog maar aan het begin. Laten wij dat begin intussen ook maken! L. H. R.

Werkloosheid en werkgelegenheid

In heel het westen is de wijze waarop men het werkloosheidsvraagstuk tegemoet treedt van de allergrootste betekenis voor de toekomst. In Rusland is geen werkloosheid. De werkgelegenheid is er groot genoeg. Dank zij dictatoriale middelen: loonen prijsvorming, maar ook de keuze van de arbeidsplaats zijn straf geregeld door de totalitaire staat. Alleen indien het westen met de middelen der democratie de werkgelegenheid eveneens op peil weet te houden, zal de massa niet in wanhoop naar het communistische geneesmiddel grijpen.

De staat van dienst van het westen is niet heel vertrouwenwekkend op dit punt. Tussen 193Ó en 1940 hebben wij een enorme werkloosheid gekend. Conjuncturele werkloosheid was dat, voortvloeiend uit venijnige, maar toch tijdelijke oorzaken. Nadat die crisis in 1935, 1936 in ons land nog later het dieptepunt voorbij was, wisten we zo ongeveer de richting waarin we de bestrijdingsmethoden moesten zoeken. De volgende keer zouden we het beter doen. Thans dreigt aan de horizon weer werkloosheid. Maar die vloeit helaas voort uit totaal andere oorzaken. Het is een structurele werkloosheid, d.w.z. zij hangt samen met veel hardnekkige fouten, grondfouten, van het systeem. Door de na-oorlogse ontwrichting van internationale goederenruil en betalingsverkeer dreigt betalingsbalanswerkloosheid (de betalingsbalans sluit niet

en daardoor kunnen we uit eigen kracht niet de grondstoffen kopen om onze industrie aan de gang te houden); door bevolkingsgroei in ons land dreigt overbevolkingswerkloosheid.

De oude middelen deugen hiertegen niet. We zoeken naar nieuwe. Die liggen in de industrialisatiepolitiek.

Weer experimenteren we dus met nieuwe middelen. Meer dan ooit hangt ons lot van het welslagen der werkloosheidsbestrijding af. Het is de moeite dus waard om te zien hoe het experiment in ons land verloopt. Daartoe is het nodig om .eerst te zien naar het doel dat bereikt moet worden en vervolgens tegen dat perspectief te kijken naar hetgeen bereikt is.

Ten eerste dus het doel. Dat is het vorige najaar heel netjes geformuleerd in de zgn. Industrialisatienota die de minister van Economische Zaken met zijn begroting aan de Tweede Kamer heeft overgelegd. Die nota bevat een „Industrialisatieschema voor het tijdvak van 1 Januari 1948 tot 1 Juli 1952”. Die 4J jaar omvatten de Marshallperiode plus het halve jaar van 1 Jan. tot 1 Juli 1948. Om werkloosheid van ernstige omvang te voorkomen moet de industrie (de andere bedrijfstakken kunnen niet veel mensen opnemen) in die periode plaats scheppen voor 215.000 man (inclusief de vrouwen), van wie 60.000 een plaats kunnen krijgen door het toepassen

van meer-ploegenstelsels. Voor die 60.000 is dus geen nieuwe apparatuur nodig; de resterende 155.000 kunnen alleen werk krijgen als er nieuwe apparatuur wordt bij geplaatst, in de vorm van nieuwe fabrieken, of extra-machines in oude fabrieken. Van die 215.000 moeten worden opgenomen: door de metaalnijverheid 75.000, door de textiel (incl. confectie- en reiniging-)industrie 26.000, voedings- en genotmiddelen 25.000, chemische industrie 25.000, bouwbedrijf 23.000.

Thans de verwezenlijking.

Die kan men aflezen uit de Algemene Industrie Statistiek, een driemaandelijkse publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het resultaat van de eerste li jaar van de Marshallperiode (de periode van 1 Juii 1948 tot 31 December 1949) was aldus:

totale opneming in de Industrie 64.000, waarvan metaalnijverheid 15.000, textieldrijf 32.500, voedings- en genotmiddelenindustrie 15.000, chemische industrie 7000; voor het bouwbedrijf bevat deze statistiek geen gegevens.

64.000 in IJ jaar, dat komt overeen met 192.000 in 4J jaar. Om het doel volledig te haien, is dus nog een extra-inspanning nodig. Op zich zelf is een zekere achterstand in het begin der Marshallperiode niet onlogisch, omdat het bijplaatsen van apparatuur uiteraard een zekere tijd vergt en omdat pas daarna de daaruit voortkomende extra-vraag naar arbeiders tot uiting komt.

De onderverdeling van het cijfer van 64.000 is leerzaam. Men ziet dat het doel voor het textielbedrijf reeds vrijwel is bereikt en dat ook de voedings- en genotmiddelenindustrie reeds een heel eind op streek is. Dit komt echter, omdat hier eenvoudig meer arbeiders met de bestaande apparatuur aan de gang konden worden gezet. Dat blijkt indien men in het genoemde industriaiisatieschema de investeringsbedragen beschouwt: op een totale netto-investering voor de gehele periode van 4J jaar van 2,7 mrd is voor de textielindustrie slechts uitgetrokken 60 mln en voor de industrie van voedings- en genotmiddelen 70 mln. Dit betekent dat de extra-inspanning, die de metaal-, de chemische industrie e.a. moeten leveren, veel groter is dan uit de aantallen arbeiders kan worden vermoed. Met

Ter zake

Laten we geen kniesoor zijn en ons verheugen over de feestelijke ontvangst te Parijs van onze Koningin.

Tussen al die naargeestige berichten over de koude oorlog, was het verhaal van haar bezoek een verkwikking. Het was dl vriendschap tussen twee landen, dat de klok sloeg. Ik had wel een enkel bezwaar en hare Majesteit moge het mij vergeven, als ik de vraag stel: Waarom verscheen haar gemaal altijd in militair uniform? Ik wil op zijn moed niets afdingen, ben bereid toe te geven, dat een mooi uniform hem niet lelijk staat, maar wij zijn toch een land van burgers, niet van militairen?

In ernst: de waanvoorstelling wordt er door bevorderd, dat het edelste beroep dat van soldaat is. Het is zo weinig waar, dat de algemene afkeer zich uit in een verplichte krijgsdienst. Waarom dan, als er feest gevierd wordt, staan er altijd sabelslepers op de eerste rij? Is het alleen voor het kleurig en decoratief effect?

KORZELIGE KES