is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 36, 10-06-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe ik niet in de ot)era kwam

De Koningin is in Parijs geweest. Haar bezoek aan de Opera was het glanspunt van dit galante treffen tussen Nederland en Frankrijk. Laat ik er, als tegenhanger, mee voor den dag komen, hoe mijn eerste kennismaking met Parijs en de Opera was. Het is een wat lang verhaal, en u moet geduld hebben voor u aan het slot bent. En ik waarschuw u bij voorbaat: dit bezoek had niets met het Evangelie en heel weinig met socialisme te maken. Het was in 1931.

Het laatste jaar van het student-zijn zou worden ingewijd met een bezoek aan Genève. Zoals het -onder studenten gaat: ik moest voor een klein bedrag zoveel mogelijk van de wereld zien. Straks de pastorie, enfin, ik behoef over domlneestractementen, door minstens twee personen te verteren, niets te vertellen.

Genève kan men bereiken via Bazel, maar óók via Parijs. Ik besloot»de nachttrein naar Parijs te nemen, daar de hele dag door te brengen en dan ’s avonds met de nachttrein verder te reizen naar Genève. Brood kon men overal kopen, de frank was niet duur en de koffer zou ik maar aan het station zetten.

De zware koffer. Daarin zit het lijfgoed voor tien dagen. Dus ook een pak. Een zwart pak. In Genève wachtte immers een conferentie met christelijke lieden en ik wilde er niet vrijzinnig detoneren, door in mijn reiscostuum op recepties en vergadering te verschijnen. Waar het christendom vergadert, is zwart nu eenmaal de hoofdtoon.

De koffer bracht' ik aan Gare de Lyon. Melig, na een slapeloze nacht. Porteurs van mij afschuddend, die mij in gebroken Duits aanspraken. Eerlijk gezegd: mijn pak had iets Duits. Geen plusfour, maar iets, dat een bedaagde sportieve Duitser draagt. Een kniebroek, die wèlgevormde kuiten vrijliet. Een niet helemaal onopzichtige ruit, waarvan de verkoper gezegd had: dat draagt niet iedereen.

Ik kocht een krant. Zocht en vond wat die avond in de Opéra gegeven zou worden: Aïda. De Opéra, en niets anders zou ik gaan bezoeken. Daarover had ik vele Nederlanders horen spreken. Dat gebouw, dat marmer, die trappen, die toiletten in de pauze, dat toneel, die kleurenpracht. Kort-engoed: ik zou naar Aïda gaan.

ging van het communisme het juiste antwoord te vinden, waardoor de vrijheid en de democratie in hun volste en diepste zin bewaard blijven.

En daarom hopen wij, dat dit boek van Burnham wel gelezen zal worden, maar... dat men dan tegelijk nog heel wat meer en heel wat anders zal lezen. Bijvoorbeeld iets Europees... Misschien is dat laatste niet eens nodig. Er zijn in Amerika ook nog andere stemmen. Al heeft Burnham stellig het getij mee... J. H.

Nu moet u niet denken, dat het eenvoudig was om uit te rekenen of het lukte. Of de voorstelling wel tijdig geëindigd was om nog de nachttrein naar Genève te halen. Omdat ik niet helemaal op mijn Frans vertrouwde te recht overigens besloot ik de afstanden eerst te controleren. Dus reed ik per métro naar Place de l’Opéra, zocht te weten te komen hoe laat de voorstelling geëindigd was, ging weer terug naar het station om erg zeker van mijn zaak te zijn en na te gaan of ik in de avond wel het bagage-depót met mijn zwarte pak zou weten te vinden. Zo bracht ik mijn tijd door in Parijs. Verder wat stotterend in een broodjeswinkel, moe op een bankje in Jardin du Luxembourg, moe op een ander bankje in Pare Monceau. Geld op een heenreis uitgeven is nooit mijn sterkste zijde geweest. Dat is een soort burgerlijk instinct, dat er op bedacht is, reserves te houden.

Zo verstreken de uren. Het vlotte leven van Parijs spoelde langs mijn moede ledematen. Het was September-warm en ik was mij er nauwelijks van bewust, dat ik in het meest verheven cultuurcentrum ter wereld verkeerde.

Toen het tegen donker liep en ik dus zonder opzien te baren wéér naar het Operagebouw kon gaan, deed ik dat. Ik stapte de stap van een stamgast, die precies wist waar hij zijn moest. Dat was trouwens, na al die manoeuvres, nog waar ook. Tegen de aandonkerende avond zag ik de gevel. De lelijke, overdadige gevel, symbool van een ondergaand keizerrijk.

In de hall waren de loketten zojuist geopend. Ik had al besloten niet duur te zitten. Preciezer gezegd: om goedkoop te zitten. Ik stelde mij dus in de rij, die mij een biljet zou verschaffen voor een zéér hooggelegen rang. Minstens vierde verdieping. En ik keek mijn medebezoekers eens aan. Men moet altijd voorzichtig zijn met het taxeren van mensen in het buitenland. Maar in Amsterdam zou je zeggen: hier stond het gilde van kwartjesvinders en achteruitgeboerde souteneurs. Garibaldi’s boven een snor, bruine schoenen, een zijige das boven de nek geknoopt. Figuren, om je ontluikende liefde voor de arbeidersklasse te doven.

De meneer achter het loket gaf mij wat ik vroeg. En wat ik vroeg, had ik danig gerepeteerd, dus dat kon niet missen. Ik volgde de stroom naar de controle. De man die de kaartjes scheurde, was indrukwekkend van plechtigheid. Vol vertrouwen stelde ik mijn biljet ter hand. Hij zag het aan en hij zag mij aan. Hij begon toen een toespraak tot mij met Franse woorden, die ik mij nóch van school, nóch uit mijn schaarse Franse theologische werken herinnerde. Ik duidde hem aan, dat ik éérlijk aan die kaart gekomen was. Déér, lè, bas, aan dat loket. Maar hij weigerde mij door te laten. De opstopping achter mij werd opdringerig. De heer van de contróle werd nóg radder van tong. Hij wees naar de deur. Hij werd boos.

Toen nam hij zijn toevlucht tot een andere taal. Tot Duits. Hij verklaarde op gezaghebbende toon, dat hij geen personen mocht toelaten, die in fietskleren verschenen waren. Hier, in de Opéra, werd avondkleding gevraagd. De bolhoeden en Baskische mutsjes rondom mij keken strak en bestraffend. Zij hadden geen vest aan, een behoorlijke stropdas zat er niet onder hun groezelige zijden das. Daar was ik wèl van voorzien. Maar zij hadden,, wat ik niet had: een lange broek. Ik protesteerde machteloos. Ik wees op de hoogte van de verdieping die ik bezoeken wilde, op mijn vreemdelingschap, op de gewoonten in Holland, op de fiets als nationaal vervoermiddel. De man persisteerde, nam mijn kaart, verplichtte mij achter hem aan te gaan en beval de lokettist de gestorte gelden terug te betalen. Mij restte niets anders, dan de hall de rug toe te keren. Ik had nu alle tijd om naar mijn koffer mèt het zwarte pak te gaan en op het station de trein naar Genève af te wachten.

Nu is mij van jongsaf geleerd, dat een Hollander taai is. En in het buitenland komen soms (niet altijd) de beste volkskrachten tot ontplooiing.

Dus besloot ik al op de héénreis naar Genève om op de terugreis, tiré è, quatre épingles, voor de barse kerel te verschijnen, in mijn zwarte pak, en hem dan triomfantelijk het biljet aan te bieden, waarop hij mij toe zou moeten laten.

Dat was natuurlijk niet eenvoudig. Daarvoor moest je vóór het vertrek uit Genève je al hullen in dit plechtige gewaad, de nacht hangend tussen niet-zwarte pakken doorbrengen, de volgende morgen aankomen en dan de hele warme dag doorzweten langs boulevards en door parken om dan ten slotte het genot te hebben je zin te krijgen. Maar ach, wie idealen heeft, moet ook offers kunnen brengen.

Dus stapte ik met zelfrespect in de Parijse trein, mij voorbereidend op een zoele, ongemakkelijke nacht. Nu, die kreeg ik ook. De watervoorziening in Franse treinen is altijd al een teer punt geweest. Ik was dus helemaal zwart, toen ik aankwam. De kruiers spraken mij nu helemaal niet meer aan, zelfs niet in het Duits.

Mijn eerste werk was nu: een krant. En de eerste krant die ik zag, was de Humanité. Die was niet zo communistisch, of zij gaf een lange lijst van mogelijkheden, om op bourgeoise wijze zijn avond door te brengen.

Bij „Opéra” las ik „reiache”. Daar had ik nooit van gehoord. Verdacht vond ik het wel, dat er geen componist bij stond. Gelukkig had ik een woordenboekje bij mij. Een der ernstigste slagen van mijn leven heb ik toen gehad. „Relache” betekent niets meer en niets minder, dan „geen voorstelling”.

Ditmaal had ik niets anders te doen, dan mijn koffer met het pak-met-de-fietsbroek naar Gare du Nord te brengen. En als een ouderling-met-vacantie de dag door te brengen. Van boulevard tot boulevard, van bankje tot bankje, van kerk tot kerk, van Seinebrug tot Seinebrug.

En ’s avonds ben ik in een bioscoop terecht gekomen. Maar daarvoor behoeft men niet naar Parijs te gaan. Daar kan men overal ter wereld heengaan, om zich thuis te voelen.

Ik kwam ook thuis. De volgende morgen. In mijn zwarte pak. Ontvangen met een licht verwijt, waarom ik niet in andere kleren gereisd had.

Begrijpt u nu, vrienden, waarom ik een beetje opstandig werd, toen ik las, dat het bezoek aan de Opéra het hoogtepunt van de Parijse driedaagse was? L.H.R,