is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 38, 24-06-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opstand tegen de wereld

Men hoort van verschillende Franse films nogal vaak beweren dat zij zo pessimistisch zijn en zo gedrenkt in de noodlotsgedachte. Let wel, dit wordt gezegd van verschillende Franse films. Het is natuurlijk niet mogelijk (al wordt het veel gedaan) dit als het kenmerk van de Franse film aan te geven. Dit wordt ons direct al belet, wanneer we alleen maar denken aan het werk van René Clair en Noël-Noël. Nee, we kunnen alleen vaststellen dat verschillende prominente Franse films een onmiskenbaar tragisch karakter hebben.

Reeds voor de oorlog was dit het geval (men denke aan Hó tel du Nord, Le jour se léve etc.) en dit wordt thans in verhevigde mate voortgezet.

Vele beschouwingen zijn reeds hieraan gewijd en het is vaak zeer interessant je in deze discussies te verdiepen, doch ik meen stellig dat we ondanks al ons spreken over „noodlotsgedachte” niets verduidelijken en niets verklaren, en dat we evenmin verder komen met een al te schielijk verwerpen of aanvaarden.

Wat bedoelen we eigenlijk met die noodlotsgedachte, die we steeds maar weer als het laatste nieuws over Frankrijk van stal halen?

Gaat het hierin werkelijk om de klassieke betekenis van het Noodlot, dus om een blinde metaphysische macht, die het menseiyk leven bestormt en te gronde richt, 01 zouden we met een andere omschryving het wezen en de strekking van deze films beter benaderen?

Het Noodlot in de klassieke betekenis is een Idee, waarvan men uitgaat, waarin men gelooft als kunstenaar, en die men gestalte geeft in een bepaald kunstwerk.

Zo vinden we in de Griekse drama’s, bijvoorbeeld in Cidipous, het noodlotsgeloof van de schrijver Sophocles uitgebeeld. Hij benadert met zyn Idee (wil men: met zijn geloof) de werkeiykheid en maakt deze er aan ondergeschikt.

Dit nu kan men bepaald niet zeggen van de Franse films, die wy bedoelen. Hierin gaat men niet uit van een Idee, waarmee men de werkeiykheid benadert, (tenzy men de existentialistische idee zou willen aanvoeren, hetgeen inderdaad wel eens gepleegd werd, o.a. bij „Les Enfants du Paradis”) maar het is veel meer zó, dat men van de werkeiykheid uitgaat, van de werkeiyk-

heid van onze tijd en ons leven, los van elke Idee, en deze blijkt dan zo ontstellend uitzichtloos te zijn, dat een getrouwe registratie en documentatie er van niets anders ké,n opleveren dan een verwrongen en hopeloos levensbeeld. Dit houdt in, dat we nu niet meer kunnen volstaan met een objectief oordeel, omdat wij ons gesteld zien voor een spiegel, waarin we onze tijd in al zijn naaktheid en wanhoop zien opdoemen en hem tegelijk verstaan als een zaak, waarbij wij met huid en haar betrokken zijn. Het gaat niet meer om het geloof in het Fatum, maar om een aanschouwen en ontdekken van een realiteit, waarin het leven en het mens-zijn verklaard en getekend worden als een onmogelijke zaak. Het ligt voor de hand dat de uitbeelding hiervan herinneringen oproept aan de gedachte die de klassieke tragedies beheerst, doch het gaat toch om een volstrekt ander uitgangspunt.

Wanneer we hiervan uitgaan, en de film aldus bezien, dan kon zij wel eens de voorname taak krijgen, misschien zonder speciaal met deze bedoeling vervaardigd te zijn, de mensheid te confronteren met haar eigen wanhoop en misère.

Twee Franse films, die o.a. tot deze gedachtengang aanleiding gaven en die door strekking en gegeven zó analoog zy’n, dat zij samen genoemd kunnen worden, zyn de veel-omstreden films van de laatste tyd „Le diable au corps” en „Manon”.

Beide kozen als plaats van handeling de situatie in en vlak na de oorlog en geven tegen de achtergrond van gewonden en hospitalen, puinhopen en bombardementen weer, hoe twee jonge mensen, kinderen eigenlijk nog, in deze ontluisterde wereld aan hun liefde te gronde gaan.

Met opzet gebruik ik het woord liefde, omdat we het ons zelf beslist te gemakkeiyk maken als we zeggen dat hier alleen maar sprake is van een blinde passie. Neen, van de werkeiyke liefde, die de passie veredelt en haar een eigen plaats toekent zyn duideiyke siroren aan te wyzen bij verschillende van deze figuren. Maar deze liefde is ten ondergang gedoemd, omdat zy geen norm en gebod heeft, waaraan zy zich kan oriënteren.

Dan verteert zy aan de „alleen maar zinneiykheid”, dan is er wezeniyk sprake van „le diable au corps”.

En deze films vergen het uiterste van ons doordat zij in een weergaloze moed en objectiviteit deze ondergang in de letterlijke zin van het woord „ad absurdum” durven uitbeelden.

In de eerstgenoemde film is het de vrouw van een militair, die weerstandloos zich overgeeft aan de bezeten drift van een 17- jarige schooljongen en in „Manon” betreft het een jonge Maquisard, die zich stort in een ongelukkige hartstocht voor een meisje, dat zich in het café van haar vader op een ondubbelzinnige wijze heeft af gegeven met Duitse soldaten.

We kunnen deze nauwelijks ontwaakte mensenkinderen natuurlijk ruimschoots overladen met onze toorn, ontstoken door zoveel zedeloosheid, maar laten we vooral bedenken dat zij, die nog zich zelf niet gevonden hadden, toch op niemand anders waren aangewezen dan op zich zelf en geen andere macht kenden dan de macht van het verlangen.

Las ik laatst dat men tegenover de tweeeenheid van geest en lichaam tegenwoordig beter kon spreken van „het lichaam met enig by behoren”. By deze mensen is er alleen maar sprake van het „lichaam zonder meer”.

zy zyn de ontredderden en hulpelozen, die eenzaam te gronde moeten gaan, omdat hun wereld niets anders dan een afzichtelijke chaos geworden is. zy ontvingen van de vroegere generaties als erfenis de desolate boedel van een leven dat met zich zelf geen raad weet, en een tyd die geen norm en geen regel meer kent.

Deze films mogen we alleen maar zien en aanvaarden tegen deze achtergrond. Dan zijn de décors in „Manon” haast symbolisch: de kapotgeschoten kerk, waarin hun liefde begint onder de zegenende handen van een verminkt Christusbeeld, en aan het slot de hopeloze tocht door de eeuwige woestyn, te zamen met een transport

is het politieke denken in Europa uitgegaan van het axioma der nationale staten met hun nationale souvereiniteit. Om het prysgeven van dat axioma gaat het thans. Is misschien al dat mooie internationalisme van het oude socialisme toch ook vast blijven zitten in die historische vooronderstelling? Het Westduitse socialisme onder leiding van Schumacher bijv. slaat wel een heel pover figuur, doortrokken als het schynt van een verpolitiekt nationalisme. Tegenover de liberale Adenauer maakt Schumacher zodra het gaat om Europese zaken soms de indruk een verstard reactionnair te zyn. Labour heeft in Engeland op het bekende en vertrouwde terrein der binnenlandse sociale politiek een mooi stuk werk gedaan. Maar... tot nog toe heeft het Engelse socialisme ten aanzien van de grote uitdaging voor Europa gefaald. Omdat het te gebonden biyft aan historische

axioma’s. De socialistische minister Bevin openbaarde een noodlottige historische verstarring al eerder in zijn ongelukkige politiek ten aanzien van Israël. Mogen we deze zwartgallige opmerkingen nog even voortzetten? Er is een plan-Schuman, er is een plan-Stikker, er zijn nog andere plannen. Waar is een concreet socialistisch plan? We hebben de laatste tijd wel internationale socialistische conferenties gehad. Die hebben zich o.a. zeer uitvoerig beziggehouden met de ruzie tussen drie socialistische partijen in Italië. En voor een goed decorum werd gezorgd door toespraken van socialisten uit de heel-oude garde. Zyn het dan alleen enkele liberale politici van groot formaat, die voldoende fantasie, soepelheid van geest en visie opbrengen om reële antwoorden te zoeken op de grootste uitdaging, waarvoor Europa is gesteld? Een volgende keer hierover nog wat meer. J. H.

Groter worden

„Ik ben er weer” klinkt het door de brievenbus. En meteen, als ik de deur heb „opengedrukt”, begint hij met zijn verslag.

„Moeder je moet me ’s ruiken. De kapper heeft serpentine in m’n haren gedaan. En ik hoefde geen eens te zeggen, waarom ik kwam: Hij wist wel dat m’n haren geknipt moesten. Hij zette meteen de hoge stoel klaar en ik hoefde niet te wachten en het geld heb ik gegeven en ik heb niks teruggekregen en, moeder, mag ik in de spiegel m’n scheiding zien en de kapper heeft me ook gespoten en moeder, ruik me ’es.”

Hij is boven. Ik ruik en we kijken in de spiegel. We vinden dat de kapper het keurig gedaan heeft. Het is alleen jammer dat je jezelf niet ruiken kan. Hè, hè, hij is er moe van, maar het is allemaal best gegaan en we weten nu dat hij alleen naar de kapper kan. Hij is dan ook al drie en een half jaar en dus bezig groot te worden!

Wie het niet opmerkt, krijgt het wel te horen dat hij bij de kapper is geweest, alléén. De kapper heeft niet met hem gepraat, hij knipte maar. Toen hij binnen-