is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 39, 01-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde en haar volheid. V Psalm 24 : 1 Z

Tijd en Tank

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 48STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 1 Juli 1950 Nr39

Redactie: ds J. J. Buskes Jr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a drj. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeijde e.a.

Ahonn. hg vooruithet per jaar f 8.00, halfjaar f A.2i, kwart; f 2.30 plus f 0.15 incasso. Losse nrs f o.l}, 21876, Cem. giro V 4}oo, Adm. N. V. De Arbeiderspers, Hekelveld I}, A 'dam C

INDRUKKEN UIT DUITSLAND

De afgelopen week was ik in Noord-Duitsland, in Kiel, waar in het verband van de Kieler Woche reeds sinds zestig jaar beroemd als zeilweek voor internationale beoefenaars van deze sport op allerlei plaatsen en door allerlei mensen het zgn. Europees gesprek werd gevoerd: binnen de verschillende groepen van de jeugd, de kring van handel en industrie, de universiteit, ook de socialistische partij. Persoonlijk had ik gelegenheid, om met mensen uit verschillende groepen te spreken en veel van hen te horen. Ik acht mij nog niet in staat om een bezonken oordeel uit te spreken wat is een verblijf van een week waard? maar wil toch wel, met het oog op onze eigen Nederlandse arbeid, een enkele indruk uitspreken.

Eerst deze indruk: wie Kiel ziet en er wat ronddwaalt, wordt overweldigd door de verwoestingen. Men ziet nog overal de puinhopen, en op droge winderige dagen is de lucht met puinstof bezwangerd. Kiel behoort met Coventry in Engeland tot de zwaarst getroffen steden van Europa, en juist daarom zijn er na de oorlog vriendschapsbanden aangeknoopt. De socialistische burgemeester Gayk herinnerde aan het door Göbbels gebruikte werkwoord „coventrieren”, met de grond gelijk maken, dat men nu met een nieuwe inhoud wilde vullen: een nieuwe vrede bouwen. Ik beken eerlijk: toen ik de verwoestingen in Kiel zag, overviel mij niet alleen een walging over zulk een menselijke misdaad en waanzin, maar ook de beklemmende vraag: hoe kan een bevolking hier de kracht vinden om weer aan te pakken en te bouwen? Maar je ziet het voor je ogen: er staan al weer nieuwe huizen, de gemeente bouwde een paar modelscholen, waarop wij jaloers mogen zijn, er werden in deze' week eerste stenen gelegd voor vier grote complexen woningen (meer dan duizend) voor de vluchtelingen. Kiel zit met twee sociale problemen, vooral: 1. door de vernietiging van de marinewerven zijn duizenden arbeiders werkloos; 2. duizenden toegestroomde vluchtelingen (uit het oosten van Duitsland) vragen om levensmogelijkheden in een stad die voor de helft in puin ligt. Op een bevolking van ongeveer 2i honderd-

duizend mensen leven er honderdduizend van steun. En toch, je ziet ’t voor je ogen: men pakt zeer energiek aan. Dit volk vegeteert niet, maar werkt en bouwt. Ik ben blij het gezien te hebben— het bewaart me ook voor de zelfstreling en zelftrots van óns volk, alsof wij zó bijzonder energiek zijn. Maar ik zou het vooral hebben over het „Europees gesprek”, dat van alle ontmoetingen binnen deze Kieler week de leidende idee zou zijn. In de kringen die ik sprak —jeugd, theologen der universiteit, studenten, partijgenoten der S.P.D. was er voor de eenheid van Europa een vurige belangstelling, ik geloof ook: een eerlijke wil, maar tevens een troebelheid van motieven en een niet ongevaarlijk optimisme. Met hartstocht werd telkens betoogd, en bij sprekers op deze punten luide geapplaudisseerd, dat men de Duitsers achter het ijzeren gordijn als landgenoten, broeders in verdrukking, bleef beschouwen mij dunkt een volkomen begrijpelijk gevoelen. Het wordt alleen maar troebel, wanneer men even hartstochtelijk elke eenheid van Europa als middel aangrijpt om het ijzeren gordijn weg te vagen... zó simpel liggen de reële machtsverhoudingen nu bepaald niet. Alweer: het is volkomen begrijpelijk in de sfeer van het gevoelsleven, wanneer de eenheid van Europa als doel voor een jonge generatie wordt gesteld. Het wordt echter een niet ongevaarlijk optimisme, wanneer men zich nóch van de reële politieke verhoudingen in buiten- en binnenland rekenschap geeft, nóch vraagt naar wat er met de mensen innerlijk moet gebeuren wü er inderdaad iets van een wedergeboorte der vrijheid plaats vinden.

Ik heb mij zelf al luisterende naar de Duitse mensen vooral de jongeren hunkerden naar menselijk kontact met buitenlanders voortdurend voorgehouden, dat ik mijn eigen kijk niet tezeer mocht laten overheersen. Toch kan ik die kijk niet kwijt, en begeerden de mensen dé.&r dat wij onomwonden onze mening zouden zeggen. De lezers van T. en T. kennen die mening: voor ons hangt de toekomst van vrijheid en beschaving in Europa onvoorwaardeiyk af van de vraag, of de Christenheid en de socialistische beweging elkaar zullen vin-

den In een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Als ik mij afvraag of voor dit inzicht in de kringen met wie wij mochten spreken, begrip en openheid bestaat, dan ben ik meer dan teleurgesteld teruggekomen. Ik ben sterk getroffen door twee feiten: de politieke partij formatie werkt als een noodlot, de kerk begrijpt van de hier liggende problematiek heel weinig. De politieke partij formatie wordt beheerst door de tegenstelling: C.D.U. (combinatie van Rooms-Katholieken en Protestanten, waarin de ideologie van het solidarisme overheerst) S.P.D. die zich nog lang niet van de oude proletarische levensbeschouwing heeft bevrijd. Deze zakelijke tegenstelling, op zich zelf al moeilijk genoeg, wordt verscherpt door de persoonlijke tussen Adenauer en Schumacher, die elkaar niet kunnen luchten of zien wat komt er dan van een dragen van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid terecht?

En wat de kerk betreft: wij woonden een soort getuigenisavond bij over kerk en arbeiders, waarvoor een verrassend grote belangstelling bleek: de mensen stonden in de paden. Twee sprekers, een pater en de ook in ons land bekende protestantse bisschep Asmussen. De pater gaf een vurig en populair verhaal naar het bekende schema: Jezus had voorliefde voor de armen, de Kerk heeft haar sociale profeten en een leger van sociale werkers, de Kerk mag trots zijn op haar encyclieken en rode pausen, hij moet het Marxisme afwijzen, ook de arbeider heeft een onsterfelijke ziel. Alles waar natuurlijk alleen: niet ter zake voor de huidige problematiek. Geen socialistische arbeider is er een stap nader door gekomen tot de kerk, geen kerkelijke man heeft er enig begrip door gekregen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met de socialistische beweging. Politiek was dit: linkervleugel C.D.U. Over Asmussens betoog heb ik mij voortdurend zitten verbazen: hij meende te kunnen bewijzen, dat het uittreden uit de kerk niet een gevolg was van conjunctuurverschijnselen, dat godsdienstige onverschilligheid ook voorkwam bij professoren en boeren, dat het Evangelie spreekt van heil, iets anders dan wel-zijn, en dat het komt tot alle klassen en standen. Ook dit: alles waar, doch niet ter zake. En dus niet waar, als levende, bevrijdende kracht, die de waarheid kenmerkt. Goed dit alles is „de” kerk in Duitsland niet; maar ik ben teruggekeerd met diepe bezorgdheid, laat het dan alleen maar zijn om de kerk in Sleeswijk-Holstein met grote onkerkelijkheid... Er moet nog heel wat gebeuren, eer verstaan wordt dat innerlijke verontrusting omdat ook deze wereld in puin Gods wereld is voorwaarde voor vernieuwing behoort te zijn.

W. B.