is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 39, 01-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDSCHAP MET DE TWEE HENGELAARS, REMBRAND T, ETS

het nauwelijks mogelijk: zij is „de mooiste vrouw ter wereld”, beiden hebben hun leven lang van de volmaakte liefde gedroomd, en zij beminnen elkander letterlijk „op de eerste blik” en voor eeuwig’) Maarzij sterven dan ook beiden enkele uren na hun ontmoeting, en dat niet dan nadat de stuurman vaag en Louise helder heeft beseft, dat dit voor een dergelijke liefde het enig denkbare perspectief was. Die liefde is een begenadigd, extatisch moment, maar heeft geen duur; zij kan in de tijd niet bestaan.

Men ziet hoe betrekkelijk nabij hier de artistieke vertwijfeling nog is: Louise en Arthur hebben hun paar uren van gelukzaligheid gehad, en Virginie verlangt niet meer om dood te gaan. Maar het leven is nog altijd een vrij zinloze en troosteloze geschiedenis. Is er een God, die dit mensenbestaan zó heeft gewild? Wat mag Hij dan wel denken als Hij naar beneden kijkt? Het is een merkwaardig geval, dat zowel Anna Blaman in dit boek, als Vestdijk in De Kellner en de Levenden, terechtkomt bij de vragen naar het waaróm van het menselijk lijden, en naar de zin of de zinloosheid van het bestaan. Is de wereld een jammerlijke chaos die men maar het best „vervloeken” kan (Vestdijk), of steekt er toch mogelijk nog iets achter waar men ja op kan zeggen? Ik ben niet erg gesticht over de wijze waarop Anna Blaman hier met Christelijk begrippenmateriaal omgaat. Het is ook gemakkelijk aan te tonen dat zij dit alles maar van de buitenkant benadert, en in feite nauwelijks weet waarover zij praat. Maar het aloude probleem van de theodicee (de rechtvaardiging van het Godsbestuur) op hun wijze opnieuw gesteld te hebben, is iets wat deze beide niet-Christelijke moderne romanciers zeker niet tot schande strekt. Hóe dan hun antwoord ook moge uitvallen. Laten wij het prijzen, dat die antwoorden de klank der oprechtheid hebben, en dan óók nog een tikkeltje positief zijn! M. H. V. d. ZEYDE.

■) J. M. Meulenhoff, Amsterdam 1950. ƒ4,50 geb. ') Het hele boek hoort voor wie goed leest eerder tot de Romantiek dan tot een 20e eeuws realisme. —P.S. De setter had toch gelijk. Het was „Bomen met Vestdijk" (zie T. en T. 24 Juli).

Falend socialisme? (2)

Was het vorige artikel onder dezelfde titel niet al te somber en onbillijk? Er zijn toch een aantal redenen op te noemen, die een zekere mate van voorzichtigheid van socialistische kant ten aanzien van de diverse Europese plannen alleszins rechtvaardigen. Natuurlijk is dat zo en het loont de moeite die redenen serieus na te gaan. Het verenigd Europa, dat door deze plannen een stap dichterbij zou worden gebracht, zou zijn leven beginnen in een klimaat, dat niet overwegend socialistisch is te noemen. Er waait ongetwijfeld een stevige liberale bries, een westen-wind! Is het dan niet begrijpelijk, dat noch de Labour-regering in Engeland, noch de Labour-partij er veel voor voelt het met zoveel zorg gekweekte jonge plantje van een wel voor het socialisme sterk bepaalde maatschappij aan die liberale wind bloot te stellen? Wat zal er van het pas opgebouwde sociale systeem, van de nationalisaties en het met zoveel moeite verkregen economisch herstel overblijven, wanneer een super-nationale instantie ingrijpende bevoegdheden krijgt? Een instantie, die niet onwaarschijnlijk allerminst Labour-minded zal zijn ...

Voor ons land zouden we een reeks van dergelijke bezwaren kunnen noemen. Met veel moeite hebben we de zaak weer een beetje in orde gekregen. Onze sociale voorzieningen mogen er zijn. We hebben allerlei plannen (bijv. op het gebied der industrialisatie), waardoor we de zaak in orde hopen te houden.

Wat zal er van dit alles van dit moeizame en nog zo wankele evenwicht terecht komen als we ons in het avontuur van de grote plannen storten? En zijn wij, Nederlandse socialisten, zo happy met de liberale bries? Tot welke ernstige storingen zal dit alles leiden? Engeland heeft nog een ander argument: het Britse Gemenebest. Het wil Europa zijn en het wil ook niet-Europa zijn. Wat zullen we van deze argumenten zeggen? Natuurlijk zijn ze op zichzelf juist. De vraag is echter, of ze ten

aanzien van de kritieke „uitdaging” juist zijn.

Er is geen enkele reden om te optimistisch te zijn. Een economische en politieke éénwording van Europa zal grote storingen in allerlei sectoren van het maatschappelijk leven veroorzaken en een aantal grote problemen opwerpen. Met enige zekerheid mag men aannemen, dat bij een één-wording op korte termijn sterke liberale tendenzen zich zouden laten gelden. Met het gevaar, dat dit ons van socialistisch standpunt gezien in verschillende landen althans voorlopig een stap achteruit zou brengen. Zal het niveau der sociale voorzieningen vrucht voor een groot deel van langdurige socialistische strijd in die landen, waar men het verst is gekomen, te handhaven zijn?

Om nog niet eens te spreken over de mogelijkheden van een Duitse suprematie met alle nare gevolgen daarvan... Enz. enz. Werkelijk, het risico is wel zeer groot. En ... er staat maar één argument tegenover, nl.. dat zonder een tijdige één-wording van Europa al de bovengenoemde argumenten hun zin verliezen, omdat er dan voor Europa (inclusief deze echt-Europese argumenten) geen toekomst zal zijn!

Zou dus momenteel het Europese socialisme eventueel moeten meewerken om te kunnen komen tot een verenigd Europa onder liberale leiding? Ons antwoord luidt: ja. Dit zou dus betekenen: ook de daaraan verbonden gevaren en risico’s aanvaarden? Inderdaad. De eerste reden is alweer: er is in Europa voor het socialisme alleen een plaats en een taak, zolang er nog een werkelijk Europa is.

De tweede reden; er is geen krachtige ontplooiing van het socialisme mogelijk, tenzij dit op Europese schaal gebeurt (om de kleinst mogelijke geografische eenheid te noemen). Daarbij zullen we ook nuchter moeten aanvaarden, dat we met een achterstand beginnen. Een Europees socialisme bestaat nl. o.i. alleen nog maar in theo-