is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 39, 01-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IS ONZE CONSUMPTIE TE HOOG OF TE LAAG?

De vorige maal bezagen we de vraag in welke mate we voor onze toekomst zorgen. We zagen dat we een groter deel van het nationale inkomen dan voor de oorlog voor dit doel besteden; er is een opvallende groei van de investeringen. Maar tegelijk moesten we constateren dat we nog een paar honderd millioen beneden het doel blijven.

Ditmaal een enkel woord over de consumptie, dat is: over de mate waarin we de beschikbare middelen voor de verzorging van het heden bestemmen. Het ligt voor de hand te verwachten dat de consumptie een minder sterke stijging te zien zal geven; de middelen die we immers voor de toekomst bestemmen, kunnen we niet óók eens nu consumeren. Deze simpele redenering blijkt inderdaad hier op te gaan. De consumptie bedroeg in 1949 volgens het CBS:

mrd % gld van 1948 voedings- en genotmiddelen 4,56 104 duurzame consumptiegoederen 3,27 104 overige goederen en diensten 3,52 100 11,35*) 103

Dit is in guldens gemeten wel 3% meer dan in 1948, maar daar men de prijsstijging op 6% stelt is de consumptie in goederen gemeten met 3% gedaald (het Planbureau had in het jaarplan 1949 een daling van slechts 1% voorzien).

Daar de consumptie sinds de bevrijding voortdurend was gestegen, is dit een nieuwe wending. In 1948 waren we aangeland op een nniveau dat 3% boven het vooroorlogse verbruik lag, terwijl het Planbureau had gemeend dat het peil van 1948 pas in 1954 zou moeten worden bereikt. De daling van 3% brengt ons thans precies op het vooroorlogse peil terug, een ontwikkeling die, in het Ucht van de berooide toestand, aanvaardbaar is.

Men zal de plank wel niet ver mis slaan als men de oorzaak van deze wending zoekt in de opheffing der distributies. Toen de rantsoenen in de oorlog net voldoende waren voor het allernoodzakelijkste levensminimum is men er aan gewend geraakt deze te beschouwen als iets waar men een zedelijk recht op had; wat op de bon verkrijgbaar was wilde men per se kopen. Toen veel meer artikelen in steeds groter hoeveelheid op de bon beschikbaar kwamen, zodat het distributiepakket het minimum verre te boven ging, bleef dit gevoel bestaan. De opheffing der distributie heeft de mensen plotseling weer wakker gemaakt en de koorden van de beurs, deden daarna een zeer duidelijke invloed gelden. Vaak was dit zeer goed, in bepaalde opzichten ik denk aan het onderzoek naar de gezondheid der jeugd in Rotterdam van dr Jonxis schijnt het nadelige gevolgen te hebben gehad, die nadere voorziening nodig maken.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen op deze regel aan te wij zen. Deze betreffen de duur-

*) excl. militairen in Indonesië

zame consumptiegoederen. Als de distributie van zulke goederen wordt opgeheven gaat plotseling, zij het uiteraard tijdelijk, een inhaalvraag spreken die de consumptie (tijdelijk) toe doet nemen. De opheffing der textieldistributie in October 1949 heeft dit weer eens aangetoond. De achteruitgang in het verbruik van duurzame consumptiegoederen is daardoor veel minder sterk geweest dan bij de voedlngs- en genotmiddelen en de overige goederen en diensten. De achteruitgang bedroeg bij deze drie groepen (naar hoeveelheden) resp. 1%, 4% en 5%.

De oorzaak ligt dus bij de koorden van de beurs; en de ruimte die deze koorden laten wordt bepaald door de spanning tussen lonen en prijzen (beter: inkomens en prijzen). De devaluatie heeft de prijzen nog wat sterker dan tevoren omhoog gedreven, een stijging die slechts ten dele door de begin 1950 toegekende loonsverhoging van 5% is gecompenseerd.

Is de consumptie nu te hoog of te laag? Het zal hoop ik, duidelijk zijn dat men zich om dit zuiver te beoordelen, niet door zijn gevoel kan laten leiden; men moet proberen het geheel te overzien en met name moet men de eisen van toekomst en heden tegen elkaar afwegen. Ergens ligt tussen beide een evenwichtspunt, maar waar?

Dat valt niet op een goudschaaltje af te wegen en het spreekt dus vanzelf dat er meer optimistische en meer pessimistische antwoorden op deze vraag worden gegeven. Sommigen o.a. ir H. Vos menen dat nu reeds een matige verhoging kan worden toegestaan, anderen prefereren voorlopig nog enige verdere daling. Het zijn verschillen in nuance en het zou te ver voeren de redeneringen hier te onderzoeken. Eenstemmigheid bestaat echter hierin: dat een sterke consumptieverbetering in verband met het nog steeds te lage investeringsniveau niet geoorloofd is. Ook over de ontoereikendheid van het investeringsniveau, speciaal met betrekking tot de nettoinvesteringen in de industrie waarover overigens geen exacte cijfers bekend zijn bestaat grote overeenstemming. Alleen de president van de Nederlandsche Bank acht op monetaire groncien en op grond van door hem in verband daarmede aanwezig geachte gevaren voor de betalingsbalans verhoging van het peil der investeringen ongewenst. Persoonlijk geloof ik dat een matige verdere consumptiebeperking zo groot nut zou verschaffen en een gering offer zou betekenen dat deze weg het meest is aan te bevelen. Elk procent consumptiebeperking zet immers minstens 120 millioen vrij. Met twee of drie procent beperking wordt dus al een zeer reële bijdrage geleverd.

Natuurlijk wekt de verdeling van dit offer als men ten minste bij een zo geringe beperking dit woord mag gebruiken sociale spanningen op. Maar het moet mogelijk zijn om deze, bij een zo matige doelstelling, te overwinnen. R. EVERTS

KORTE AANKONDIGING

Het mocht u misschien ontgaan, daarom wijzen wij u er even op;

le. S. Carmiggelt: Klein beginnen. Uitgave N.V. De Arbeiderspers, 1950. 126 blz. ƒ2.90. Carmiggelt, de „Kronkel” van Parool, schrijft zijn dagelijkse humoristische stukjes zo uitstekend, dat ze bundeling verdragen in een boek. Dat is niet gering! Wat ter afwisseling In de krantenbrei, die ge dagelijks te verteren krijgt, al gauw pikant smaakt, is nog niet altijd eetbaar als het per boek wordt opgedist. Lees nu eens deze „avonturen met kinderen”, en geniet niet alleen van de gevoelige humor, van het geestig taalgebruik, van het vaak verrassend sloteffect, maar laat u ook niet ontgaan de grote dosis levenswijsheid van een mild man.

2e. Ds mr H. v. Ewijck; Volk in nood. Een tijdwoord tot het Nederlandse volk in al zijn geledingen. Uitgave: De Tijdstroom, Lochem, 1950. 67 blz. ƒ1.70. Ik kan van deze brochure niet veel meer dan de bedoeling waarderen, die hierop neerkomt, dat alleen de Evangelische gezindheid de wereld kan redden. Accoordl Maar hoe? In elk geval niet door links en rechts klappen uit te delen, vage uitroepen te slaken en Jan en alleman in gebreke te stellen. Ik signaleer ook nog een hier en daar onbekookt anti-papisme. Men begrijpe mij goed: de kern der teleursteilingen van de s. deel ik, maar wat baat een lange lijst van ongenuanceerde grieven, een harteloos afmeten van menselijke daden aan de hoogste normen. Is dat evangelisch?

3e. H. Voordewind: De commissaris vertelt verder. Uitgave Daamen N.V., 235 blz., ƒ 5.—, geb. ƒ 6.50. Dit boek is een vervolg op „De commissaris vertelt”, dat we destijds aanbevolen hebben, niet alleen als een boeiend, maar ook als een leerzaam boek. Meer nog dan het vorige, is dit boek interessant om de vele „krasse staaltjes”.

4e. Hug-o de Groot. Remonstrantie nopende de ordre dlje in de landen van Holandt ende westvrieslandt dljent gestelt op de joden. Uitgegeven en ingeleid door dr J. Meyer. Uitgave: Coster, Amsterdam, 1950. 144 blz. [

Dit boek geeft veel meer dan de titel gelooft; de inleiding doet een aantrekkelijke hypothese aan de hand omtrent de structuur der Joodse gemeenschap in het Amsterdam der 16e eeuw, onderzoekt vervolgens de houding van Calvinisten en Libertijnen tegenover hen en beschrijft ten slotte hun staatsrechtelijke positie. Tegen deze achtergrond wordt dan het betoog van Hugo de Groot geanalyseerd, een betoog dat de vraag aan de orde stelt of men de Joden behoort toe te laten, hun vrijheid van godsdienst moet toestaan en hoe men de daaruit voortvloeiende gevaren kan weren. De Remonstrantie is om drie redenen interessant: ze is een document van de vaderlandse geschiedenis, een document van de Joodse geschiedenis en ze behoort bij de van het begriß tolerantie.

se. dr Catharina Ypes: Jacob Hiegentllch, 1907 1940. Inleiding en bloemlezing uit werken. Uitgave: L. J. Veen N.V., A’dam. 1949. 117 blz. ƒ4.90. Een uitgave van piëteit: een begaafd Joods litterator in 1940 uit het leven getreden, wordt hier in een fraai opstel van dr Cath. Ypes herdacht en vervolgens wordt de lezer een keur geboden uit zijn werk. Na de inleiding valt het werk wat tegen: waren de verwachtingen te hoog gespannen; heeft Hiegentllch zich niet kunnen realiseren; was hij als mens belangrijker dan ais artist? De teksten zijn van een zeer begaafd beginneling.

Red.secr.

Leestafelnieuws

K. ter Laan: Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen. Uitgave: G. B. van Goor Zonen, N.V., Den Haag, 1950. 332 blz. ƒ 3.90.

Let op de prijs! Tot nu toe was men aangewezen op het kostbare standaardwerk van Stoett, nu kan iedereen die het interesseert een boek met spreekwoorden en zegswijzen in huis hebben. Laat u de kans niet ontgaan; Ter Laan is op dit gebied door zijn studies over folklore goed thuis; hij heeft voor zover ik kan nagaan alle belangrijke bronnen geraadpleegd. In kort bestek vindt ge hier dus een schat van wijsheid bijeen.

Max Prick van Wely: Het bloeitijdperk van het Nederlandse volkslied. Uitgave: De Toorts, Heemstede, z. j. (1949?), 176 blz. ƒ4.90.

De verdienste van dit boek ligt in de kundige samenvatting en heldere uiteenzetting. Ik meen, dat dit boek niet veel nieuws brengt, maar uitstekend samenvat wat in talloze verspreide geschriften en boeken zich bevindt. Aantrekkelijk is daarbij dat de s, zowel de literaire als de musicologische aspecten behandelt, zoals ze elkaar wederzijds beïnvloeden. Wie de zaak van het goede volkslied ter harte gaat, moet dit boek lezen en bestuderen, te meer daar het niet alleen inzicht maar ook vele praktische wenken geeft. J. G. B.